woensdag 22 februari 2012

It Came From Cold War America, Introduction & Chapter 1



It occasionally occurs I don't get to see a movie for a few days. Since I do like to see my blog updated every other day or so, I'll take such opportunities whenever they arise to post parts of my academic papers (they are too lenghty to be posted here as a whole), starting today with It Came From Cold War America: wetenschap en Amerikaanse sciencefictionfilms in de vijftiger jaren, my first paper concerning science fiction movies in the Fifties and the way they present science. This paper is written in Dutch, though I might translate it in English, if I get any requests for doing so. This paper won me my Bachelor degree at the University of Amsterdam, but I was never really happy with it, which is why I wrote an even lengthier follow-up I ended up being much more contented with (which will be posted here in due time). 




Inleiding

Toen ik acht jaar was nam mijn moeder me mee naar een lezing over UFO’s. Ik was altijd gefascineerd door de mogelijkheid dat buitenaardse wezens onze planeet bezochten. Voor deze lezing was het nooit bij me opgekomen dat zulke wezens sinistere bedoelingen jegens de mensheid konden koesteren. Maar nadat de presentator zijn publiek informeerde over mensen die claimden door wezens te zijn ontvoerd en aan duistere experimenten te zijn onderworpen, heb ik toch enkele nachten wakker gelegen. Mijn fascinatie is er echter niet door verminderd.
Vanaf dat moment las ik alles over buitenaardse wezens dat ik onder ogen kreeg. Vanzelfsprekend raakte ik zo in contact met sciencefiction, een genre dat voornamelijk in audiovisuele vorm een persoonlijke favoriet van me is geworden. Aangezien mij de mogelijkheid naar onderzoek van dit genre voor de Onderzoekswerkgroep Horror, een genre dat vaak nauwe banden onderhoudt met sciencefiction, niet ontzegd werd, besloot ik mij te verdiepen in de geschiedenis van dit genre, waarmee ik slechts in mindere mate bekend was. Naar mijn mening kwam sciencefiction als apart genre in film grotendeels tot stand in de jaren vijftig, toen het door destijds heersende factoren in de Amerikaanse samenleving een ongekende impuls kreeg.
Een factor die mij hierbij van groot belang lijkt, en waar ik me ook altijd sterk voor gefascineerd heb, is wetenschap: de wetenschappelijke mogelijkheden in sciencefiction zijn welhaast onbegrensd en doen de toeschouwer wegzinken in een interessante mogelijke toekomst of alternatieve versie van onze tijd. Wetenschap is wat het sciencefictiongenre apart zet van het horrorgenre. Wetenschap kwam voor de jaren vijftig af en toe voor in horrorfilms, maar in deze periode werd het zo’n belangrijke factor dat het sciencefictiongenre zich concreter afscheidde van het horrorgenre. In deze scriptie wil ik dan ook het verband tussen wetenschap en het genre in deze periode onderzoeken, aangezien wetenschap een belangrijke factor was voor zowel het genre an sich - het is immers wetenschappelijke fictie - als de sociale omstandigheden die het genre tot bloei deden komen.
De hoofdvraag van dit onderzoek luidt als volgt:

Hoe wordt wetenschap gerepresenteerd in Amerikaanse sciencefictionfilms in de jaren vijftig?

Om deze vraag te beantwoorden is het noodzakelijk dat ik een aantal zaken onder de loep neem. Ten eerste acht ik het relevant een kort historisch overzicht van het sciencefiction genre in de jaren vijftig te schetsen, waarbij ik verklaar waar het zijn oorsprong vond, hoe het tot bloei kwam, en hoe het langzaam maar zeker in populariteit afnam. Hierbij zal ook gekeken worden naar een aantal historische zaken die in deze tijd speelden en de loop van het genre sterk beïnvloedden.
Ten tweede moet ik de term ‘sciencefiction’ voldoende definiëren. Welke films uit deze periode worden onder dit genre geschaard, en welke vallen er buiten? Hierbij zal ook gekeken worden naar de nauwe band die sciencefiction in de jaren vijftig (maar ook nu nog) onderhoudt met het horrorgenre. Bovendien zal ik later in het onderzoek een drietal subgenres behandelen dat het grootste gedeelte van de films in dit genre in deze periode besloeg. In deze subgenres komt de representatie van wetenschap in sciencefiction films naar mijn mening het best tot uiting.
Ten derde moet ik de link tussen sciencefiction films uit deze periode en de destijds heersende tijdsgeest bestuderen. Het is immers goed mogelijk dat de conventies van wetenschap die we in deze films waarnemen representatief zijn voor opvattingen over wetenschap die toen heersten. De tijdsgeest kan zo meer vertellen over het genre. Hiervoor is het ook noodzakelijk dat ik me richt op de werking van representatie in dit onderzoek. Vervolgens zal gekeken worden naar door de tijdsgeest bepaalde opvattingen over wetenschap die in het door mij bestudeerde corpus aangetroffen zijn. Hierbij zal gedeeltelijk teruggegrepen worden op voornoemd historisch overzicht.
Nu rest mij nog de keuzes die ik heb gemaakt bij het verzamelen van mijn corpus toe te lichten. Aangezien ik mij wil richten op het Amerikaanse sciencefiction genre in de jaren vijftig behandel ik uitsluitend Amerikaanse films uit de jaren 1950-1959. Het genre en de conventies die erin gehanteerd werden zijn voor het grootste gedeelte van Amerikaanse oorsprong. Desondanks werden zij al snel gekopieerd door filmindustrieën uit andere landen, waarbij vooral Groot-Brittannië en Japan als voorbeeld genoemd kunnen worden. Hoewel het zeker interessant is de relatie tussen films uit deze landen en wetenschap te onderzoeken, zal ik dat hier niet doen. Genrefilms als Gojira (Japan: Ishiro Honda, 1954) en The Quatermass Xperiment (GB: Val Guest, 1955) zullen daarom niet in deze scriptie ter sprake komen.

Hoofdstuk 1: Historisch overzicht: opkomst en bloei van de SF film

Hoewel sciencefiction prominent was in de jaren vijftig was het geenszins een nieuw filmgenre. Al vroeg in de filmgeschiedenis werden er films gemaakt die getypeerd kunnen worden als sciencefiction. Een voorbeeld is Le Voyage dans la Lune (Frankrijk: George Méliès, 1902). Ook tijdens de silent era doken er sciencefictionfilms op, zoals Metropolis (Duitsland: Fritz Lang, 1927). Het was echter pas in de jaren vijftig dat belangstelling voor het genre dankzij bepaalde factoren in de Amerikaanse samenleving tot een hoogtepunt werd gebracht, waarbij er in betrekkelijk korte tijd zeer veel sciencefictionfilms werden geproduceerd. Vooral Brosnan gaat in zijn werk in op de geschiedenis van het genre, waarbij hij een aantal factoren noemt die de boom in de jaren vijftig helpen verklaren1.
Ten eerste was er de space race. De VS en de Sovjet-Unie probeerden elkaar af te troeven op het gebied van de ruimtevaart. Deze wedijver kwam voort uit paranoia en het wantrouwen dat heerste tussen het Oosten en het Westen tijdens de Koude Oorlog. Via de ruimte zouden raketten op andere landen afgeschoten kunnen worden. De natie die het meest bekwaam bleek in de ruimtevaart had zo een tactisch voordeel over haar tegenstanders2.
Ten tweede was er de angst voor UFO’s of vliegende schotels. In 1947 werden voor het eerst vliegende schotels waargenomen, waarna het aantal waarnemingen in de jaren vijftig hoog opliep3. Het is zeer goed mogelijk dat het feit dat er zoveel vliegende schotels werden gezien nauw samenhangt met de paranoia in deze periode4, aangezien argwanende mensen ertoe geneigd zijn dingen te zien die er niet zijn. De Amerikaanse samenleving in deze tijd werd beheerst door de angst voor de communistische staten (hierover later meer). Elk onbekend vliegend voorwerp kon van Russische oorsprong zijn. Hierdoor werden er doorgaans negatieve connotaties met vliegende schotels getrokken. Hoewel de angst voor de Russen nu voorbij is, worden UFO’s nog steeds overal ter wereld gerapporteerd, wat een indicatie kan zijn dat het hier een reëel verschijnsel betreft. In ieder geval werden UFO’s geassocieerd met buitenaards leven, hoewel nooit aangetoond is dat er werkelijk een connectie tussen beiden is. Maar dat weerhield het sciencefictiongenre er niet van erop in te haken5. Niet voor niets zijn veel ruimteschepen in het genre schotelvormig: voorbeelden zijn te vinden in The Day the Earth Stood Still (USA: Robert Wise, 1951), Earth vs. the Flying Saucers (USA: Fred F. Sears, 1956), The Thing from Another World (USA: Christian Nyby, 1951), Forbidden Planet (USA: Fred M. Wilcox, 1956) en This Island Earth (USA: Joseph M. Newman, 1955).
Ten derde waren er de effecten van de Tweede Wereldoorlog. De atoombom had deze oorlog snel en effectief beëindigd en een duidelijk beeld van de macht van wetenschap opgeleverd. De angst voor een atoomoorlog die life-as-we-know-it kon vernietigen zat er bij de Amerikaanse bevolking goed in. Het sciencefictiongenre speelde in op deze angst door films te produceren waarbij de wereld door atoomenergie bedreigd werd, hetzij als gevolg van een atoomoorlog, hetzij dankzij reusachtige wezens geschapen door dit wapen. Bovendien was de wereld na de Tweede Wereldoorlog verdeeld in twee ideologieën, elk met haar eigen supermacht: kapitalisme en communisme. Het feit dat deze supermachten elkaar het licht in de ogen niet gunden leverde een tijdperk van paranoia en angst op. En ook hierop haakte het sciencefictiongenre met succes in6.
De film die als katalysator voor de cyclus sciencefictionfilms in de jaren vijftig wordt beschouwd is Destination Moon (USA: Irving Pichel, 1950). Deze film gaat serieus in op de mogelijkheid een reis per raket naar de maan te maken. De film kan zelfs beschouwd worden als semi-documentaire7. Hoewel het verhaal fictief is, geldt dat niet voor de wetenschappelijke theorieën die erin gehanteerd worden. Tot die tijd waren er geen sciencefictionfilms gemaakt die op een dergelijke manier realistische wetenschap mengden met avontuur. In 1969 landde Apollo 11 met een vergelijkbare raket en overeenkomstige technologie op de maan, waarmee bleek dat Destination Moon verre van fictief was.
Na het succes van Destination Moon – de film won onder andere een Oscar voor beste special effects – raakte het genre langzaamaan in een stroomversnelling. De opeenvolgende jaren zagen een stijgende lijn in de productie van sciencefictionfilms, met steeds meer boxoffice succes. Elke filmstudio waagde er een gokje op, met wisselend succes. Men experimenteerde met variatie binnen het genre, wat leidde tot het ontstaan van verschillende subgenres. Tussen 1953 en 1955 beleefde het genre haar hoogtepunt, waarin genreklassiekers als Creature from the Black Lagoon (USA: Jack Arnold, 1954), Them! (USA: Gordon Douglas, 1954) en Tarantula (USA: Jack Arnold, 1955) elkaar in rap tempo opvolgden8.
Helaas school in de populariteit van het genre ook de kern van haar geleidelijke aftakeling. Onafhankelijke producenten als Roger Corman en Bert I. Gordon waren zich al gauw bewust dat er geld te verdienen viel met het produceren van vlug in elkaar gedraaide en goedkoop gemaakte sciencefictionfilms9, doorgaans bestemd voor de nieuwe teenagermarkt: de jongere generatie van na de Tweede Wereldoorlog die er genoeg geld voor over had en veel tijd in drive-ins doorbracht . In de tweede helft van de vijftiger jaren werd er een groot aantal B-films geproduceerd, waardoor de markt snel verzadigd raakte. Het genre bleef dezelfde thema’s hergebruiken en miste inventiviteit. Ook werd de nadruk steeds meer op de monsters gelegd – want dit waren de publiekstrekkers – en minder op de science, waardoor het genre verschoof richting horror10. De films waren steeds minder serieus te nemen: waar sciencefictionfilms begin jaren vijftig gekenmerkt werden door hun spectaculaire effecten en serieuze thema’s (tolerantie, aanklacht tegen atoomwapens), werden deze B-films voornamelijk getypeerd door goedkope horroreffecten en ongeïnspireerde verhaallijnen. Tot slot werden dezelfde thema’s in het genre constant hergebruikt11. Door overproductie en eentonigheid nam de belangstelling van het publiek langzamerhand af12.
Een andere factor die bijdroeg aan het afslijten van het genre was het feit dat de algemene wetenschappelijke kennis van het publiek vergroot werd dankzij de televisie. Via wetenschappelijke programma’s hield NASA het publiek op de hoogte van vorderingen in de ruimtevaart, waardoor het publiek sciencefiction steeds minder ging zien als science en meer als fictie. Het publiek had meer interesse in NASA’s echte ruimtedrama’s, in plaats van het surrogaat dat sciencefiction leverde. Dankzij NASA was het onmogelijke dat doorgaans tot sciencefiction behoorde nu toch echt mogelijk13. Opmerkelijk is dat ook het aantal waargenomen UFO’s sterk daalde. Wetenschappelijke commissies opgericht door de regering kwamen tot de conclusie dat niets er op wees dat UFO’s van buitenaardse oorsprong waren14. De angst voor de communisten was nog alom aanwezig, maar de vliegende schotelrage was voorbij.
Hoewel het imago van het genre door de productie van het grote aantal B-films eind jaren vijftig een deuk opliep, werd het genre niet volledig de grond in geboord. Het zakte sterk in begin jaren zestig, te wijten aan bovenstaande factoren. Eind jaren zestig kreeg het weer een opleving dankzij het kwalitatief hoogstaande 2001: a Space Odyssey (USA: Stanley Kubrick, 1968), toen nieuwe ontwikkelingen in de space race voor een hernieuwde interesse zorgden. Sindsdien is het af en toe populair en vervolgens minder populair. Maar de productiekwantiteit en publieke belangstelling die het in de jaren vijftig beleefde bleek uniek voor de filmgeschiedenis.

1 Brosnan, John. Future tense: the cinema of science fiction. New York: St. Martin’s Press Inc., 1978: p. 73-74
2 Vieth, Errol. Screening science: contexts, texts, and science in fifties science fiction films. Londen: The Scarecrow Press, 2001: p. 65-66
3 Vieth 2001: 176
4 Brosnan 1978: 73
5 Vieira, Mark A. Hollywood horror: from gothic to cosmic. New York: Harry N. Abrams Inc., 2003: p. 153.
6 Katovich, Michael A., Patrick T. Kinkade. ‘The stories told in science fiction and social science: reading The Thing and other remakes from two eras.’ The Sociological Quarterly, nr. 34 (november 1993), p. 621.
7 Brosnan 1978: 74
8 Baxter, John. Science fiction in the cinema. New York: A.S. Barnes & Co., 1970: p. 130.
9 Brosnan 1978: 118
10 Brosnan 1978: 99
11 Brosnan 1978: 73
12 Baxter 1970: 133
13 Noonan, Bonnie. ‘"Science in Skirts": Representations of Women in Science in the "B" Science Fiction Films of the 1950s.’ University of New Orleans, 2003: p. 56-60
14 Edelson, Edward. Visions of tomorrow: great science fiction from the movies. New York: Doubleday & Company Inc., 1975: p. 51-52

Geen opmerkingen:

Een reactie posten