Posts tonen met het label spaceship. Alle posts tonen
Posts tonen met het label spaceship. Alle posts tonen

woensdag 22 januari 2014

Today's Review: Ender's Game



Went to another press screening for MovieScene last week, and here's the result:

http://www.moviescene.nl/p/153155/enders_game_-_recensie

This movie was more thought provoking than I anticipated. Training kids' minds in order to manipulate them into becoming master strategists with no moral complexion to annihilate the enemy? Not the stuff you usually see in PG-13 movies. A lot of good actors - half of the child actors too have Oscar nominations already - though a lot of them didn't come off as particularly compelling because their characters were given little opportunity to grow on you. It's Ender's movie after all, and Asa Butterfield did a pretty good job carrying his film. Too bad about the obligatory hopeful and happy Hollywood close, but it doesn't hurt the shocking (though not hugely surprising) climax near the end of the film that shows us just how low Ender has unintentionally sunk due to his commanding officers screwing him over, all for the so-called sake of humanity. For a film that most at first glance would consider to be a generic Sci-Fi action flick, as such it packs a more powerful punch than expected.

maandag 12 augustus 2013

Today's Article: Destination God Part 2: Man Into Space

Hoofdstuk 2: Man into space, het vierde subgenre

Zoals ik reeds aangaf in de inleiding is één van de voornaamste redenen voor het schrijven van deze scriptie het ontbreken van het vierde subgenre in het sciencefictiongenre in mijn BA-paper. Daarom zal het in dit paper alsnog behandeld worden. Hierbij ga ik in op zowel de representatie van religie als wetenschap in het subgenre gevolgd door een casestudy; deze aanpak komt sterk overeen met de manier waarop ik in mijn BA-scriptie de drie andere subgenres besproken heb, met als verschil dat religie daarin niet behandeld werd. Zoals we hieronder zullen zien speelt religie een niet onbelangrijke rol in dit subgenre.



Paragraaf 2.1: definitie van en de rol van wetenschap in het subgenre

Als er één subgenre is waarin sciencefiction zich duidelijk van horror onderscheidt, dan is het wel het ‘man into space’ subgenre. In dit subgenre gaat het meer om de wetenschap zelf dan de, mogelijk desastreuze, consequenties van deze wetenschap. Science is, meer dan in de andere subgenres, de spil waar de films in dit genre om draaien. Wetenschap is wat deze films drijft, wat de verhaallijnen mogelijk maakt. In dit genre wordt wetenschap als overwegend positief gezien en ruimtereizen als iets optimistisch in relatie tot het onbekende.1 Uiteraard zijn er ook de nodige uitzonderingen die wijzen op de gevaren van wetenschap. Desondanks is dit subgenre zonder meer het mildst in de representatie van wetenschap en wetenschappers.
Als voornaamste reden hiervoor kan de band die dit subgenre heeft met de werkelijkheid genoemd worden. Naast wetenschappelijk verantwoord is dit subgenre ook het meest realistisch en actueel. Vooral in de beginjaren van het sciencefictiongenre in de vijftiger jaren, toen de ‘man into space’ films het genre overheersten terwijl de andere subgenres nog uit de startblokken moesten komen, is de grens tussen ‘science fiction’ en ‘science fact’ vaak vaag. Dankzij de intrigerende invloed van het fantastische concept van ruimtereizen met raketten, dat in wetenschappelijke kringen de boventoon voerde, postuleerden deze eerste genrefilms wat er zou kunnen gebeuren als de mens de ruimte zou betreden. Hierin ging de film die als kiem van het genre wordt beschouwd, Destination Moon (USA: Irving Pichel, 1950), het verst. Door zijn veelvuldig gebruik van bestaande wetenschappelijke theorieën en de serieuze toon omtrent het, op dat moment futuristische en in de volksmond onwaarschijnlijke, concept van ruimtereizen kan deze film welhaast een semi-documentaire genoemd worden. Deze realistische toon bleef een frequent verschijnsel in het subgenre (hoewel latere films het voornamelijk gebruikten als achtergrond voor fantastische concepten, zoals buitenaardse beschavingen of andere planeten, dan als basis voor een verhaal).
Hierin ligt een interessante paradox met de andere subgenres: terwijl het subgenre de meest realistische representatie van wetenschap geeft, gaat het ‘t verst in het weergeven van de fantastische kanten van het sciencefictiongenre. Terwijl de andere subgenres zich bezighouden met de huidige tijd en samenleving, waarin de ‘Other’ (buitenaardse wezens, reusachtige monsters) naar ons – dat wil zeggen, Amerika – toekomt, speelt dit subgenre zich dikwijls af in de toekomst waarin wij naar andere werelden trekken en daardoor zelf het contact met de ‘Other’ opzoeken, of waarin wij zelf de ‘Other’ zijn. Echter, het paradoxale hierin is dat ook in de ‘altered human’ en ‘terrestrial creature’ subgenres wij zelf de ‘Other’ als het ware “opzoeken” door ons gebruik of misbruik van onze technologie. Desondanks, door haar representatie van de toekomst en andere werelden, die contrasteert met de andere subgenres doordat zij daarin ontbreekt, blijft het ‘man into space’ subgenre op het eerste gezicht een vreemde eend in de bijt.2 Door veelvuldig gebruik van dergelijke semantische aspecten (ruimte, ruimteschepen, andere planeten, toekomst) is dit subgenre echter wel het makkelijkst af te bakenen van de andere subgenres.
Wat drijft de mensheid de ruimte in? Twee verschillende drijfveren worden als reden hiervoor aangegeven in de films van dit subgenre. De eerste is wetenschap zelf, het aloude vergroten van kennis waarop wetenschap zich baseert. In deze films (maar ook al bijna in de realiteit) heeft de wetenschap het punt bereikt waarop de technologie om een ruimtereis te maken bestaat. De mens trekt daarom de ruimte in en volgt daarbij de richtlijn van wetenschap: nog meer kennisvergaring. De vraag luidt hier eerder ‘waarom niet?’ dan ‘waarom wel de ruimte in?’: het gaat de wetenschappers er niet om of de mensheid de ruimte in moet, maar of zij het kan. De technologie bestaat, dus waarom zou men er geen gebruik van maken? Deze reden kan als arrogant en zelfs onverantwoordelijk geïnterpreteerd worden: wetenschappers denken niet na bij hun creaties en het resultaat dat zij aanrichten, maar puur om de daad van het creëren zelf. Desondanks worden wetenschappers hier eerder als naïef dan als expliciet arrogant neergezet: in hun welhaast kinderlijke enthousiasme naar de nieuwe mogelijkheden verliezen zij de potentiële resultaten uit het oog. Uiteindelijk geven zij hun fouten echter wel toe, leren zij hun les en nemen zij verantwoordelijkheid, waardoor ze niet als kwaadwillend worden afgeschilderd. Deze eerste reden wordt als geheel minder frequent aangetroffen in het subgenre, maar is toch een belangrijke factor die een duidelijk conservatieve blik op technologische ontwikkeling geeft.
Dat geldt niet voor de tweede reden, waarbij wetenschap niet alleen als progressief, maar zelfs onmisbaar geacht wordt. Deze tweede reden uit zich dan ook in bittere noodzaak. De (Amerikaanse) mensheid moet de ruimte in, anders volgt rampspoed. In het subgenre dringt de ernst van de noodzaak voor ruimtereizen zich op twee manieren aan, die los van elkaar gezien kunnen worden, maar ook gekoppeld.
Ten eerste is er de competitie. Als wij, de Amerikanen, niet als eerste de ruimte ingaan en haar mysteries ontsluieren, dan doen zij het wel. Wie zijn ‘zij’? ‘Zij’ worden zelden bij naam genoemd in het sciencefictiongenre, maar het is overduidelijk: ‘zij’ zijn de communisten, de Russen, die in de jaren vijftig in een bittere ‘space race’ verwikkeld waren met Amerika. Degene die als eerste de ruimte “verovert” heeft een groot tactisch voordeel over de oppositie. In Destination Moon wordt deze stelling als volgt uitgelegd:

A rocket is an absolute necessity. If any other power gets on into space before we do, we’ll no longer be the United States, we’ll be the disunited world. […] The race is on and we’d better win it, because there’s absolutely no way to stop an attack from outer space. The first country that can use the moon for the launching of missiles will control the Earth.

Als de VS de ruimte niet als eerste veroveren, dan doet de Sovjet-Unie het. Dat zou de mogelijke ondergang van Amerika en haar idealen kunnen betekenen. Zo geïnterpreteerd draait het niet alleen om de mensheid zelf die de ruimte intrekt, maar ook om de idealen die zij meebrengt en verspreidt. Amerika, het land dat zichzelf portretteerde als laatste hoop voor vrijheid en democratie alom, had zodoende de plicht om de ruimte als eerste te bereiken om een Utopia te stichten (hetzij op Aarde, hetzij in de ruimte zelf). Deed zij dat niet, dan volgde een ideologische Apocalyps, waarin de Russen hun systeem met geweld aan de rest van de wereld op zouden dringen.
De tweede reden is nog grimmiger, en minder frequent gebruikt maar toch zeer treffend. De ruimte wordt hier geportretteerd als de laatste hoop voor de gehele mensheid, zelfs als een toevluchtsoord voor de Apocalyps. De Aarde is gedoemd, maar door de ruimte in te trekken kan de mensheid overleven, zoals in When Worlds Collide (USA: Rudolph Maté, 1951). Of andersom: een buitenaardse beschaving is gedoemd, maar door naar de Aarde te reizen en de mensheid om hulp te “vragen” kan redding gevonden worden, à la This Island Earth (USA: Joseph M. Newman, 1955). In het laatste geval kan onze technologie zich ook tegen ons keren en door wanhopige vijandelijke wezens gebruikt worden, zoals te zien is in Flight to Mars (USA: Lesley Selander, 1951), waarin Marsbewoners de raket van een groep menselijke ruimtereizigers wil kopiëren om met een leger raketten de Aarde te veroveren. Zo waarschuwt de film voor het potentiële misbruik van technologische macht, waar de eerste reden voor de menselijke drijfveer de ruimte in te trekken ook al werd voorgelegd.
When Worlds Collide en het Apocalyptische uiterste van de tweede reden zullen in Hoofdstuk 5 uitvoeriger behandeld worden. Hier voldoet het om te stellen dat deze Apocalyptische visie gevoed werd door de angst voor de atoombom: dankzij dit aspect van de wetenschappelijke vooruitgang kon het mogelijk niet lang duren voordat men werkelijk gedwongen werd de hoop op de ruimte als toevluchtsoord te richten. Zoals John Brosnan opmerkt:

That film-makers suddenly became interested in ways of leaving earth is not surprising since, at the time, it didn’t seem likely that the Earth would be around for much longer.3

Zoals in de andere subgenres doet wetenschap in dit subgenre boete voor de verwoesting die zij heeft veroorzaakt door ook de oplossing aan te dragen die de mensheid, of tenminste een gedeelte hiervan, kan redden. Echter, de daadwerkelijke Apocalyptiek zoals die in het ‘man into space’ subgenre wordt getoond, is zelden aan menselijke wetenschap toe te schrijven. Of zij wordt veroorzaakt door de natuur (When Worlds Collide) of door buitenaardse wetenschap (This Island Earth): in beide gevallen redt menselijke wetenschap de mensheid. Hoe dan ook, de metafoor voor de angst voor het atoom blijft duidelijk.


Paragraaf 2.2: religie in het subgenre

Een eerste vraag die zich aandient bij de benadering van het ‘man into space’ subgenre betreft de ruimte zelf: wat was de ruimte voor de (Amerikaanse) mens in de jaren vijftig? Voor veruit de meeste mensen was het een onbekend, ongedefinieerd gebied waar men weinig of geen kennis van had. De wetenschappelijke verkenning van de ruimte voorbij het eigen zonnestelsel kwam net op gang: in principe kon men alles verwachten achter deze nieuw geopende grens.
Een oud thema dat niettemin in enkele gevallen naar voren komt in het subgenre (voornamelijk impliciet, maar expliciet in Conquest of Space (USA: Byron Haskin, 1955); zie beneden) is het motief van de ruimte als het terrein van God en/of hogere machten: een domein waar de mens zich uit respect verre van dient te houden. Of God zich letterlijk in de ruimte bevindt of dat de ruimte een bufferzone tussen het Aardse en het hemelse is wordt niet aangestipt in het subgenre. Desondanks speelt de eerste drijfveer van het ruimtereizen (zoals in de vorige paragraaf beschreven) hier een rol: de vraag of de mens de ruimte in mag of moet, tegenover het feit dat hij het kan. De ruimte wordt vaak aangeduid als een onbekend domein waar onvoorstelbare, zo niet goddelijke, krachten heersen die de mens voorzichtig dient te benaderen - of helemaal niet - in diens queeste naar wetenschappelijke kennis. In het genre is de ruimte niet zozeer verboden terrein voor de mens, maar wel een terrein dat met alle voorzichtigheid en respect benaderd dient te worden. Zoals de opening narrator in Invaders from Mars (USA: William Cameron Menzies, 1953) zich uitdrukt:

The Heavens. Once an object of superstition, awe and fear. Now a vast region for growing knowledge: the distance of Venus, the atmosphere of Mars, the size of Jupiter and the speed of Mercury. All this and more we know, but their greatest mystery the Heavens have kept a secret: what sort of life, if any, inhabits these planets?

Zoals ook in bovenstaand citaat te zien is wordt de term ‘the heavens’ gebruikt. In tegenstelling tot het alternatief, ‘space’, heeft deze term een duidelijk religieuze connotatie. De veelvuldigheid van het gebruik van deze term in het sciencefictiongenre in de vijftiger jaren duidt op het bovenstaande oude thema van de ruimte als Gods rijk. Doorgaans blijft het bij connotaties als ‘heavens’. Het thema zelf wordt namelijk zelden concreet besproken in het sciencefictiongenre in de vijftiger jaren. Naarmate het decennium vorderde werd het hoe langer hoe minder relevant. De ‘space race’ werd steeds heftiger; het thema vormde slechts een achterhaalde sta-in-de-weg. In sciencefictionfilms uit latere periodes wordt de term ‘heavens’ slechts zeer zelden benut als aanduiding van het concept ‘space’.
Dit oude thema werd in de loop van het decennium vervangen door een nieuw thema, dat, hoewel het niet ontkende dat de ruimte mogelijk een goddelijk domein was (maar hier vooral niet op inging), deze nieuwe aanwezigheid van de mens in de ruimte goedkeurde, zij het slechts de Amerikaanse mens. Hoewel de filmindustrie gretig met het thema van de ruimtereis aan de haal ging, was de Amerikaanse overheid en wetenschap nalatig geweest in de ontwikkeling van daadwerkelijke methodes om de ruimte te betreden. Hierdoor kwam het als een schok toen de Russen in 1957 Spoetnik lanceerden en zij technologisch gezien opeens op het Westen voor leken te liggen. De paniek die deze lancering veroorzaakte deed de Amerikaanse overheid beseffen dat het verder ontwikkelen van ruimtetechnologie noodzakelijk was waarop zij vervolgens flink vaart zette achter de ‘space race’. De vraag was nu: hoe zit het met God? Stond Hij werkelijk achter de Amerikaanse zaak? Gods positie en voor sommigen Zijn hele bestaan werd in twijfel getrokken.4 Ellwood merkt op:

Sputnik, the Soviet artificial satellite whose appearance so confounded those who had trusted implicitly in God and the scientific superiority of the West. The makers of the metal moonlet mocked such pretensions, declaring the cosmic traveller had discovered nothing resembling God in the empty reaches of space.5

Het debat over de toelaatbaarheid van de mens in de ruimte was hiermee definitief verleden tijd. Amerika moest en zou de ‘space race’ winnen en niet toestaan dat het communisme ook de ruimte veroverde. De ruimte diende toe te behoren aan Amerika en de Westerse idealen. Wetenschappelijke ontwikkeling zou dit mogelijk maken.
Patrick Lucanio beschrijft in zijn werk hoe Amerikaanse technologische ontwikkeling de mensheid een ‘tweede Eden’ beloofde, waarin wetenschappelijke innovaties het leven makkelijk hadden gemaakt onder een ideologie van vrijheid en democratie. Met betrekking tot het ‘man into space’ subgenre stelt hij dat ‘…the colonization of space was yet another manifestation of the second Eden’.6 De Amerikaanse waarden werden dankzij de vruchten van de wetenschappelijke vooruitgang de ruimte in gezonden door de “echte Amerikaan” zoals deze afgeschilderd werd in de ‘scientist hero’ van het genre: een knappe, blanke, heteroseksuele man met gezond verstand, uiteraard Godvrezend. Zoals Lucanio hem omschrijft een ‘American Adam’:

The American Adam […] is the Adam before the Fall. He is morally pure and socially innocent; his drive is for freedom, manifested by his never-ending escape from the confines of civilization and from the corruption that accompanies civilization. His vision is a romantic vision, a quest, it seems, for the perfect world.7

Deze zoektocht naar een betere, zo niet perfecte, wereld is een drijfveer van het ‘man into space’ subgenre: een wereld zonder angst en paranoia, zonder communisme. Een dergelijke wereld wordt doorgaans niet gevonden in het genre: alle in de ruimte aangetroffen werelden, ook al lijken ze aanvankelijk nog zo utopisch, blijken karakterfouten te delen met de menselijke beschaving (als reflectie op de tijdsgeest) en naderen hun ondergang (o.a. in Flight to Mars en This Island Earth): in andere gevallen hebben dergelijke fouten de wereld die de ruimtereizigers vinden al lang geleden verwoest, een waarschuwing voor het lot van onze eigen wereld die in de jaren vijftig relevanter dan ooit voelde (o.a. in Rocketship X-M (USA: Kurt Neumann, 1950) en Forbidden Planet (USA: Fred M. Wilcox, 1956)). (Zie in Hoofdstuk 5 met betrekking tot deze verloren beschavingen mijn passage over de ‘Alien Apocalypse’.)
Hoewel God niet aangetroffen wordt in de ruimte, voelt de ruimtereiziger in het genre vaak een connectie met het goddelijke als hij zich in het hemels firmament waagt om de Amerikaanse idealen te verspreiden. In een aantal momenten in het subgenre bespreekt hij het gevoel gestuurd te worden door een goddelijke macht naar een bepaald doel. In een enkel geval is deze goddelijke invloed negatief, zoals in Conquest of Space als de missie de ene tegenslag na de andere ondervindt wat de gezagvoerder ervan overtuigt dat God niet wil dat de mens zich verder de ruimte in waagt (Conquest of Space wordt hieronder uitvoerig behandeld). De andere gevallen zijn overwegend positief. Een voorbeeld is te vinden in Rocketship X-M: om onverklaarbare redenen wijzigt de X-M raket koers en gaat zij naar Mars in plaats van naar de maan, haar beoogde doel. De wetenschappers merken dan op:

Dr. Lisa van Horn: ‘What does it mean, Dr.?’
Dr. Karl Eckstrom: ‘It means there are times when a mere scientist […] must pause and observe respectfully while something infinitely greater assumes control. I believe this is one of those times.’ [my emphasis]

In gevallen als deze lijkt God de (Amerikaanse) mens te sturen naar een bepaald doel. Gezien de opvattingen over de relatie tussen God en de VS in de jaren vijftig (zie Hoofdstuk 1) is het niet merkwaardig dat het sciencefictiongenre deze positieve connectie onderstreept, zij het zelden op expliciete wijze: het wordt doorgaans gelaten bij een opmerking als deze die niet concreet op God slaat maar wel aangeeft dat een hogere macht de ruimtevaart naar een doel stuurt. Wat is dit doel? De “verovering” van de ruimte door het Amerikaanse Ideaal. Zoals Destination Moon aangeeft wanneer de Amerikaanse vlag op de maan geplant wordt:

By the grace of God and in the name of the USA I take possession of this planet for the benefit of mankind. [my emphasis]

In deze film claimt Amerika de maan voor het welzijn van de mensheid (niet slechts de Amerikaanse samenleving), en God staat dit toe. Eens te meer blijkt hieruit de gedachte dat God aan de Amerikaanse kant van vrijheid en democratie staat: het is de Amerikaanse missie deze waarden onder de hele wereld, zo niet daarbuiten, te verspreiden tegenover het communisme, de ideologie van de ‘unfriendly foreign power’ die de ruimtereis in deze film probeerde tegen te houden. In haar pogingen om de ruimte voor het Amerikaanse Ideaal te veroveren voordat een tegenstrijdige ideologie dat doet gaan wetenschap en religie hand in hand.
Aan de hand van When Worlds Collide zal de tweede drijfveer voor het maken van ruimtereizen, het overleven van de mensheid, aanvullend besproken worden in Hoofdstuk 5, gezien het aanwezige Apocalyptische aspect. Ik zal er hier niet op ingaan, teneinde onnodige herhaling te voorkomen.




Paragraaf 2.3: casestudy Conquest of Space

Conquest of Space is qua uitgangspunt en design typerend voor het ‘man into space’ subgenre, maar thematisch is het dat niet. De film draait om de eerste stap in ‘deep space’ die de mensheid in de toekomst8 zet na jaren voorbereiding: een groots ruimtestation is geconstrueerd van waaruit de eerste raket een reis naar Mars zal ondernemen in de eerste fase van de ‘verovering van de ruimte’, de poging tot kolonisatie van andere planeten door de mensheid. De mensheid werkt samen om dit doel te bereiken in een organisatie genaamd de ‘Supreme International Space Authority’; in de film wordt de bemanning geleid door Amerikaanse archetypes (de strenge maar rechtvaardige generaal, de idealistische jongeman, de komisch bedoelde sidekick).
De film, geregisseerd door Byron Haskin en geproduceerd door George Pal, is afgezien van een enkele designfout (de raket is merkwaardig genoeg uitgerust met vleugels) vrij realistisch in de weergave van wetenschappelijke theorieën en concepten. Dit is niet vreemd, aangezien Pal eerder in het decennium verantwoordelijk was voor de “pseudo-documentaire” Destination Moon. Met Conquest of Space zette hij de trend van wetenschappelijk verantwoorde sciencefiction voort.9 Dezelfde Pal leverde, in samenwerking met Haskin, twee jaar eerder The War of the Worlds (USA: Byron Haskin, 1953) af, waarin een weinig positief beeld van wetenschap geschetst werd ten gunste van religie en geloof, dat aan het eind van de film de mensheid redt van de Martianen (zie voor een analyse van de representatie van wetenschap in deze film Casestudy 1 van ‘It Came from Cold War America’). Opmerkelijk genoeg lijken Pal en Haskin hun opvattingen ten opzichte van wetenschap herzien te hebben. Waar in The War of the Worlds de menselijke wetenschap faalde in haar pogingen de mensheid te beschermen tegen de monsterlijke Martiaanse oorlogsmachine, vormt wetenschap in Conquest of Space een belangrijk hulpmiddel voor het in vrede leven van de mensheid. In deze film moet religie het ontgelden, althans die religie die geen ruimte laat voor interpretatie. In The War of the Worlds was geloof daarentegen de redder van de mensheid.10
Religie in deze film is direct gekoppeld aan het oude thema van de ruimte als het heilige domein van God, dat in 1955 al grotendeels achterhaald was vanwege de feller wordende ‘space race’. Hierdoor wijkt de film thematisch af van andere ‘man into space’ films, die dit motief alleen impliciet behandelden maar het goeddeels negeren ten bate van de wonderen van de wetenschap en de noodzaak van het ruimtereizen. De mensheid vormt, dankzij wetenschappelijke hoogmoed, een indringer in ‘the heavens’ en wordt gestraft voor zijn godslastering. Althans, dit is de redenatie van generaal Samuel Merritt, die verantwoordelijk was voor de bouw van het ruimtestation en de raket, en de eerste missie naar Mars leidt. Merritt heeft vanaf het begin van de reis sterke bedenkingen over de onderneming, aangezien het oorspronkelijk de bedoeling was naar de maan te gaan. Zijn superieuren besloten opeens het doel te veranderen terwijl de missie hier niet op berekend was. Tot zover zijn er geen religieuze bezwaren tegen de missie. Die bezwaren komen geleidelijk, als de raket met de ene na de andere catastrofe (ongelukken, botsingen met een asteroïde, verlies van bemanningsleden) geconfronteerd wordt. Dit overtuigt Merritt er hoe langer hoe meer van dat de missie vervloekt is vanwege de godslastering die de bemanning pleegt door te ver de ruimte te betreden. Uiteindelijk tracht hij er alles aan te doen om de missie te saboteren – hierbij Bijbelcitaten in het rond strooiend – waarbij hij zelfs moord niet schuwt.
Merritts transformatie van plichtsgetrouwe wetenschapper naar raaskallende godsdienstwaanzinnige wordt weinig onderbouwd. Het enige element dat Merritt in connectie brengt met religie is zijn Bijbel die hij leest tijdens de trip naar Mars. De film impliceert dat genoeg psychische tegenslag en teveel geloof in de Bijbel als Absolute Waarheid elk rationeel mens in een gewelddadige radicaal kunnen veranderen. Hier tegenover plaatst de film het beeld van de rationele mens die vertrouwt in wetenschappelijke vooruitgang, in de persoon van Merrits zoon, kapitein Barney Merritt. Ook hij ondergaat psychische druk door alle tegenslag, maar hij blijft geloven dat de wetenschap een oplossing voor alles kan bieden. Hij ontkent niet dat er een hogere macht in het spel kan zijn en benut dit ook in zijn argumentatie om zijn vader te overtuigen van de noodzaak van hun reis, getuige de volgende dialoog:

Barney: ‘I don’t remember you reading the Bible so often, sir.’
Generaal Merritt: ‘It’s the one book you never really get through reading. Man’s every move, his every thought, every action, is in there somewhere, recorded or predicted. Every move except this one. According to the Bible, Man was created on the Earth. Nothing is ever mentioned of his going to other planets. Not one blessed word.’
Barney: ‘Well, at the time the Bible was written, it wouldn't have made much sense, would it?’
Generaal Merritt: ‘Does it now? The Biblical limitations of Man's wanderings are set down as being the four corners of the Earth. Not Mars, or Jupiter, or infinity. The question is, Barney, what are we, explorers or invaders?’
Barney: ‘Invaders? Of what, sir?’
Generaal Merritt: ‘The sacred domain of God. His heavens. To Man, God gave the Earth, nothing else. This taking of... of other planets... it's almost like an act of blasphemy.’
Barney: ‘But why? They belong to no one else.’
Generaal Merritt: ‘We don't know that.’
Barney: ‘But look, sir, it couldn't be just an accident that at the very time when Man's resources on Earth are reaching an end, Man develops the ability to leave his own world and seek replenishment on other planets. The timing is what fascinates me: it's too perfect to be accidental.’
Generaal Merritt: ‘Those other planets might already be tenanted.’
Barney: ‘Oh, I don't think so... the universe was put here for Man to conquer.’

Qua religieuze overtuiging lijkt Merritt het meest op een overenthousiaste fundamentalistische evangelist die hardnekkig gelooft in de Bijbel als contextloos werk dat universele waarden voor alle tijden en situaties omvat en kritiekloos gehoorzaamd moet worden: tegenspraak wordt niet getolereerd. Het verschil van mening eindigt daarop in een conflict tussen vader en zoon, dat uitmondt in de dood van de vader die in een laatste sabotagepoging zijn zoon aanvalt, die vervolgens in zelfverdediging zijn waanzinnige vader neerschiet.
De argumentatie van zowel vader als zoon Merritt slaat terug op drijfveren tot ruimtereizen zoals ik die in Paragraaf 2.1 formuleerde. Ten eerste is er de reis naar de ruimte vanwege de bestaande mogelijkheid daartoe. In deze film heeft de mensheid de technologie om de ruimte in te trekken, maar wat is daartoe zijn reden? Volgens generaal Merritt is deze er niet, aangezien de mens op Aarde dient te blijven volgens Gods geschriften: de mens gaat de ruimte in omdat hij het kan, maar staat er niet bij stil of hij dat mag. Daarmee pleegt hij godslastering van de ergste soort, meent generaal Merritt:

Generaal Merritt: ‘Merritt speaking. Here's the report. Lost course for several days due to near-collision with asteroid, but we can still reach destination as planned... which may be Mars, or Hell. This voyage is a cursed abomination! If it were possible I'd come back now, return the ship to Earth and blow it up-’
Barney: ‘General, please!’
Generaal Merritt: ‘-together with all plans in existence for building another!
We're committing Man's greatest sacrilege! And we can't stop!’ [my emphasis]




Ten tweede is er de ruimtereis uit noodzaak, wat in het meningsverschil uiteindelijk wint. Deze drijfveer gebruikt Barney in zijn argumentatie: de grondstoffen op Aarde raken op, als de mens wil overleven moet hij nieuwe grondstoffen in de ruimte vinden. Gebeurt dit niet, dan zal de Aarde in een nieuwe Wereldoorlog terechtkomen in de strijd om grondstoffen. Een bemanningslid, de Japanse sergeant Imoto, gebruikt eerder dit argument om de noodzaak van de missie, en zijn trots eraan deel te mogen nemen, te onderstrepen. Zijn precieze bewoording is echter bizar uitgedrukt en maakt zelfs gebruik van racistische stereotypering. Het zegt meer over hoe Amerika destijds tegen de Japanners aankeek dan dat het een duidelijke onderbouwing geeft van de noodzaak de ruimte in te trekken op zoek naar grondstoffen:

Some years ago, my country chose to fight a terrible war. It was bad, I do not defend it, but there were reasons. Somehow those reasons are never spoken of. To the Western world at that time, Japan was a fairybook nation: little people living in a strange land of rice-paper houses... people who had almost no furniture, who sat on the floor and ate with chopsticks. The quaint houses of rice paper, sir: they were made of paper because there was no other material available. And the winters in Japan are as cold as they are in Boston. And the chopsticks: there was no metal for forks and knives and spoons, but slivers of wood could suffice. So it was with the little people of Japan, little as I am now, because for countless generations we have not been able to produce the food to make us bigger. Japan's yesterday will be the world's tomorrow: too many people and too little land. That is why I say, sir, there is urgent reason for us to reach Mars: to provide the resources the human race will need if they are to survive. [my emphasis]

Wat de bemanning aantreft op Mars, een dor onontgonnen terrein zonder spoor van leven, duidt op de ruimte als gebied voor grondstoffen en lijkt de afwezigheid van een goddelijke macht die tegen menselijke aanwezigheid kan zijn te bevestigen. Als een bemanningslid opnieuw opmerkt dat de hele missie vervloekt is door alle tegenslag wijst een ander hem op de levenloosheid van Mars en de hierdoor geïmpliceerde afwezigheid van God:

Only God can make a tree.” Okay? Where is it? Where's the trees, and the flowers, and the grass? Where's the water? You hear me? Where's the water?!

Desalniettemin, de bemanning ontkent niet dat God bestaat. Integendeel, ook Barney wijst in het eerste citaat op het feit dat de situatie te toevallig is om niet gestuurd te worden door een hogere macht. Een herhaling van zijn argument:

[…] it couldn't be just an accident that at the very time when Man's resources on Earth are reaching an end, Man develops the ability to leave his own world and seek replenishment on other planets. The timing is what fascinates me: it's too perfect to be accidental. [my emphasis]

In Barneys denkkader geeft deze macht toestemming aan de mensheid om de ruimte in te trekken en diens voortbestaan te waarborgen, wat blijkt uit de haast perfecte aaneenschakeling van omstandigheden. Dit argument kan beschouwd worden als een uiting van het geloof in de God die het Amerikaanse Ideaal steunt, de God die achter Amerika’s handelingen in de naam van democratie en vrijheid staat en zorg draagt voor Amerika’s overleven, en daardoor dat van de hele mensheid. In deze film wordt de verovering van de ruimte, ondanks de doorgaans negatieve connotatie van het woord ‘verovering’, niet gezien als een verkeerde daad, maar als noodzakelijk en indirect gesteund door God.
In tegenstelling tot in The War of the Worlds maakt Conquest of Space geen gebruik van religieuze symboliek (afgezien van het kruis als markeerpunt voor het graf van de generaal op Mars), maar is de discussie over de functie van religie alleen terug te vinden in de dialoog. De dialoog is precies datgene wat ten node gemist wordt tussen de verschillende kerken in de vijftiger jaren, en deze film spreekt dit thema (waarschijnlijk onbewust) aan ter illustratie van het gebrek aan samenwerking tussen de kerken. In een kritieke situatie, zij het fictief (de oprakende grondstoffen) of actueel (de dreiging van het communisme) is het juist noodzakelijk verdeeldheid - hetzij tussen kerken in de realiteit, of tussen de naties zoals de film weergeeft (de naties werken samen in de “verovering” van de ruimte door de mensheid) - opzij te zetten om samen te overleven, waarbij religie als bindmiddel en wetenschap als hulpmiddel moet dienen. Dit is het punt dat Conquest of Space lijkt te willen maken, maar door de eenzijdige negatieve representatie van de aanvankelijk rationele generaal die onder druk in een redeloze fanatiekeling verandert waarschuwt de film eerder voor de gevaren van het blind vertrouwen in de Bijbel.
How far is too far?’, luidt de tagline van de film. Het antwoord hierop schuilt niet in de vorderingen van de technologische ontwikkeling of het verkennen van de ruimte, maar in de grenzen van het geloof. Een degelijke balans tussen vertrouwen in de vooruitgang en religie is goed mogelijk (zoals Barneys perspectief aantoont), tenzij men te ver gaat in het letterlijk nemen van de bronnen van religie, waarop radicale geloofsbelijdenis een belemmering vormt voor het welzijn van de mensheid.



1 Sobchack, Vivian. ‘The alien landscapes of the planet Earth: science fiction in the fifties.’, in: Atkins, Thomas R. Science Fiction Films. New York: Monarch Press, 1976: p. 51
2 Dit is een reden dat ik het ‘man into space’ subgenre niet in mijn BA-scriptie behandelde. Naast het feit dat ik het te laat distantieerde van de andere subgenres wist ik niet goed hoe ik de geportretteerde toekomstbeelden voldoende kon laten aansluiten met onderzoek naar de samenleving in de jaren vijftig zelf, die duidelijker gerepresenteerd werd in de andere subgenres. Deze fout hoop ik hier goed te maken.
3 Brosnan, John. Future tense: the cinema of science fiction. New York: St. Martin’s Press Inc., 1978: p. 81-82
4 Ellwood 1997: p. 186
5 Ellwood 1997: p. 175
6 Lucanio, Patrick. Them or us: archetypal interpretations of fifties alien invasion films. Indianapolis: Indiana University Press, 1987: p. 88
7 Lucanio 1987: p. 88
8 De precieze datum wordt in de film zelf niet genoemd, maar het is ongetwijfeld niet in de jaren vijftig. Brosnan beweert dat het ‘set in the 1980s’ is (Brosnan 1978: p. 79); ook op IMDb wordt dit vermeld.
9 Pal maakte o.a. gebruik van technisch advies van Wernher von Braun (ontwerper van de Duitse V-2 raket). Brosnan 1978: p. 81
10 Pal en Haskin zijn zeer wisselvallig in hun weergave van de relatie tussen wetenschap en religie. Als hun hele repertoire aan sciencefictionfilms van de vijftiger jaren in beschouwing wordt genomen lijken ze geen eenduidige mening over deze relatie te hebben. In Destination Moon is, op een enkele opmerking na, geen sprake van religie: wetenschap voert de boventoon en helpt Amerika als eerste de maan te bereiken. When Worlds Collide gebruikt daarentegen op verschillende momenten Bijbelse spreuken om het Apocalyptische gehalte van de film te benadrukken. In deze film vormt wetenschap het middel dat de laatste restanten van de mensheid naar een nieuw thuis in de ruimte voert, als een metafoor voor de Ark van Noach. Hier kunnen wetenschap en religie dus vreedzaam samengaan en vormt wetenschap tot op zekere hoogte een eigen religie (zie Hoofdstuk 5). Daarop volgt The War of the Worlds, die een grimmig beeld van falende menselijke wetenschap schetst, naast een schokkende metafoor voor de overdaad aan wetenschappelijke kracht in haar representatie van de zeer geavanceerde maar onethische Martianen. In deze film wordt de mensheid slechts gered door zich tot God te wenden (‘divine intervention’). Tenslotte volgt Conquest of Space waarin wetenschap als een hulpmiddel voor het overleven van de mensheid wordt beschouwd, dat door sommige gelovigen wordt omarmd (in de persoon van Barney), maar door anderen als godslasterlijk wordt gezien (Generaal Merritt). Het lijkt erop dat Pal en Haskin geen specifieke opvatting prefereren maar iedereen te vriend willen houden door zowel religie als wetenschap multi-interpretabel te laten.

woensdag 13 juni 2012

How to make a Xenomorph


Prometheus: ****/*****, or 8/10

A tall, pale humanoid stands at the top of a towering waterfall and nearly ritualistically drinks a black liquid. Within seconds, his body starts to physically come apart in a most gruesome way, his cells literally unraveling and his physique disintegrating as he plunges himself into the roaring chasm and his DNA mixes with the water. And with this eerie opening the tone is set for Prometheus, the eagerly awaited latest science fiction blockbuster from Sir Ridley Scott, who with this film not only returns to his own roots but also to the roots of the much acclaimed and beloved Alien saga. And herein could lie a problem, since explaining some of the mysteries of his own original Alien film (1979) might hurt the franchise as a whole in terms of narrative continuity. The trick, however, is not minding that it hurts, especially given the fact Sir Ridley delivers a whole set of other intriguing questions in the process, building upon which may very well reinvigorate this franchise which until recently seemed milked dry completely.



-Warning! Here be spoilers!- When scientists and lovebirds Elizabeth Shaw (Noomi Rapace) and Charlie Holloway (Logan Marshall-Green) in the year 2089 make a connection between the depiction of a tall figure pointing at a set of ever identically proportioned dots on cave paintings and murals of various ancient cultures around the globe and a distant star system, the starship Prometheus is dispatched by the Weyland Corporation to investigate the pair's claims that humanity was spawned by a race of alien beings dubbed 'Engineers' which experimented with our DNA and left said dots as a message to come look for them in space. Upon arrival at the barren world of LV-223, a large artificial structure is found containing endless corridors, a decapitated alien corpse and a room containing a giant stone head and hundreds of odd cylinders containing black liquid. It seems the gods the Prometheus was send to find have died, but they left something behind...

So far the plot seems like a mix between Sir Ridley's own original Alien film, about a spaceship crew send to a deserted planet and encountering an age old lifeform, and the often maligned spin-off Alien VS Predator which revolves around the discovery humanity was kick-started by the extra-terrestrial Predators for their own shady purposes. Of course, Sir Ridley does not mean to copy either, his Prometheus just starts on familiar ground in order to have the plot turn in a whole different direction when we're settled in, at which point it quickly gets quite darker than we have known his work to be for the last few decades. Apparently the black liquid destroys lifeforms it comes into contact with by turning it into a different kind of lifeform: humanity was tricked into believing they would find its creators across the gulf of space and only found its apparent doom instead. And so the crew of the Prometheus must fight for their lives or face total destruction of all mankind. Problem is, the crew is divided into various camps all with their own goals, both selfless and selfish, and all with their own take as to just what the hell is going on. Given the somewhat erratic and hard to follow plot, the audience too must figure out for itself just what to make of things, since Sir Ridley has no intention to just hand us the answers on a platter, but wants us to work for them instead.


It has been a while since a decently philosophical blockbuster sci-fi film tormented the audience by conjuring up sometimes nigh unfathomable questions regarding Life, the Universe and Everything, so Sir Ridley's attempt at provoking the audience to use their brains a bit is certainly worthy of praise, but the plot makes it challenging to comprehend Prometheus' intentions. It's quite likely studio involvement is to blame, as is usually the case with Sir Ridley's films, since studio executives often feel his movies are too difficult to understand for general audiences which leads to them being edited to focus less on the deep issues addressed and more on the action. Already a Director's Cut has been announced that will hopefully make for a better structured narrative, but so far we can only speculate as to the Engineers' actual intentions by creating the black liquid and their apparent loss of interest for humanity's wellbeing.

So far, exploring the background of these Engineers, who we originally came to know as the Space Jockey from the first Alien film, does sadly demystify the awesome introduction of this species in Sir Ridley's breakthrough motion picture, by fleshing them out in more detail than we might have liked, and eventually even reducing them to more typical movie monsters as we watch the last of their kind alive go on a murderous rampage to kill the Prometheus' crew, just to be destroyed by its own lethal creation that was meant to be humanity's undoing instead, but not before duking it out with this monstrosity in a 'monster versus monster' battle of standard Hollywood procedure feeling (again, there's a touch of Alien VS Predator here, and not for the better). Which of course leads to the question that is first and foremost on everybody's mind since they learned this movie is more or less a prequel to Alien: just what is the Xenomorph's deal?


It's in regard to this matter that Prometheus remains the most vague, as if Ridley never really wanted to provide any actual answers. Suffice to say, Xenomorphs appear to be a a bio-weapon after all, which they were always hinted to be used for by the evil Company in the Alien films proper. It definitely seems open for debate (an offer I accepted when travelling home with a friend while returning from watching this film; we spend about an hour trying to wrap our brains around it, with plenty of questions still unanswered, mind you), but it seems to me the black liquid is this film's incarnation of the 'Genesis device', creating life on a barren world by mixing it with water (as the alien “Prometheus” did at the opening scene of the film), or replacing already existing life with such life. It's a complicated process for sure, and apparently it never works the same in this film: while a worm coming into contact with the black goo is turned into a Xenomorph like snake, a Prometheus crewmember that gets a full dose in his face simply turns into a prowling, deformed madman turning on his shipmates and viciously killing them, before being shot at, burned and run down by a truck. Of course the main question foremost on the fans' minds will be, 'is the traditional Xenomorph we've come to love in Prometheus?' Having given a nicely red coloured spoiler warning some paragraphs above, I will simply answer this question positively by stating that it is... sort of... The problem for me is not its appearance (which differs from what we've seen before), but its creation. In answer to the question cleverly hidden in this article's title, here's the recipe Prometheus gives for creating a genuine chestbursting Alien (don't try this at home!):

-Slip a small dose of black liquid into an unsuspecting male victim's drink
-Let the male victim have sex with a woman, even though she's sterile
-After successful (unsafe) love making, the woman will find herself pregnant within ten hours
-Soon afterwards, the squid like creature gestating inside her tummy will burst through her chest (unless she manages to remove it by performing an caesarean section on herself)
-The squid will rapidly grow in size from about 1 ft. long to a whopping 10 ft. long overnight
-Have the now full sized creature penetrate an Engineer's mouth with its ovipositor
-After several hours, a small Xenomorph will spring from the Engineer's chest, killing him in the process (as is Xenomorph tradition)

Say what you will about Prometheus' dubious and overly convoluted Xenomorph origins, it makes for some very effective and affective horror, as the above description makes clear. It's safe to say Sir Ridley hasn't added such overtly gory scenes to any of his films since the original Alien in 1979. Where he sticked to an occasional chestbursting scene and limited the gore to suggestive imagery in that movie, he certainly went all out here, resulting in a plethora of scenes featuring the likes of genetically decomposing, arm snapping, involuntary facial penetration, burning and general dismemberment, not to mention a certain explicit self-operation scene that had even me gasping for breath while firmly grasping my seat. To think the studio ever considered this movie susceptible for a PG-13 rating seems completely unrealistic, since Prometheus is largely the stuff only a hard R rating can do justice. It's good to know Sir Ridley still knows how to shock his audience convincingly, like he did with Alien at the start of his career.


Something else this accomplished director succeeds in perfectly is eliciting excellent performances from his cast. In fact, Rapace and Marshall-Green, though they do an adequate job for sure, are outclassed at every turn by their colleagues, with Michael Fassbender delivering the film's standout performance in the role of the android (wouldn't be an Alien film without one, eh?) David, balancing carefully and compellingly between the psychotic and the angelic, between a child asking his parents how and why he came to be and a slave eager to turn on his oppressors at the first opportunity, so you never know what his agenda is and whose side he's one (if anybody's). The film successfully draws parallells between his human masters searching for their supposed creators and David living amidst his own creators who he obviously finds flawed, in several all too short scenes of which we can only hope there's more where those came from on the expected Director's Cut. At the other end of the spectrum there's Charlize Theron in the role of Meredith Vickers, the mission leader whose apparent job it is to make sure the Weyland Corporation gets its money worth out of this excessively expensive space trip, though her plight is far more personal considering she's the actual daughter of Mr. Weyland himself, who preferred David's company over hers, since the android is the closest thing he ever had to a son. Theron plays the role on fire, shrewdly maneuvering between appearing as a coldhearted rich bitch simply out to make money and a wronged daughter aiming for revenge. And then there's the old man himself, being played by Guy Pearce in heavy make-up. Weyland was a secret passenger, like Prometheus was on a secret mission to make contact with the Engineers and ask them for the secret to immortality so the dying old man could yet be saved.

As the movie makes perfectly clear, human immortality is actually far from the Engineers' minds, which results in some solid action scenes, both those involving the Engineers and Xenomorphs as well as those without. Also laudable is the quality of the visual effects, which help remind the audience of the original Alien atmosphere in both human and extra-terrestrial sense, but also being uniquely Prometheus material instead of simply rehashing what was done before. In fact, this sums up the whole of the film, since as a supposed Alien prequel, it certainly stands on its own merits, only hinting at the events in that earlier film without giving the exact explanations as to what happened prior to the events in Alien, so there's still some mystery to enjoy in that regard. It does at time contradict the later entries into the franchise though: the role of the badass Alien Queen which drove much of the later Alien films' plots now seems under serious scrutiny. But considering Sir Ridley's involvement with the franchise ended then right after the first film, it's understandable he favours his own appraoch here above building on the work of others who took over his job in the past.

Overall, Ridley Scott proves he can still distill a good movie out of the dried up franchise he created, the result being both spectacular and thought provoking, but frustratingly feeling incomplete, something he has even gone so far as to admit it simply is. Prometheus is a thinking man's Sci-Fi horror rollercoaster, a rare thing to behold in the post-Avatar days where science fiction feels dumbed down a bit due to the focus on visual and 3-D effects and the lack of exploring philosophical themes as the genre used to do more often. Given the large number of new unsolved questions, a sequel feels both likely and desireable. Sir Ridley could leave it in the hands of a capable young director like he did last time (it was James Cameron then, it shouldn't be now), or he can save everyone three decades and just do it himself, instead of having to do some damage control in another 33 years time. Either way, the Pandora's Box opened by Prometheus certainly won't be closed just yet.

And watch the trailer here:

vrijdag 9 maart 2012

Barbarella




Rating: ***/*****, or 7/10


Extremely campy sixties' Sci-Fi film, almost unique in its own right as a countercultural hippie science fiction flick. In the distant future, astro-navigatrice Barbarella (Jane Fonda in her younger days, when she obviously wasn't very experienced in the art of acting) is ordered by the President of Earth to track down missing scientist Durand Durand, who is rumoured to have invented a terrible weapon, on the uncharted planet of Tau Ceti. Upon arrival, Barbarella falls from one crazy, saucy situation into another, as she is confronted by psychopath kids with murderous biting dolls, a blind angel who lost the will to fly and a city of evil ruled by a wicked bisexual dominatrix. To get out of such pickles she constantly loses her outfit, only to be dressed in an even skimpier one than before, plus she makes love to anyone she comes across and frequently runs into various hallucinatory substances. They sure don't make them like this anymore (though a remake has been planned for years) and it's no secret why. Still, if you know what you're in for, this can be a very fun movie.


Starring: Jane Fonda, John Phillip Law, Anita Pallenberg


Directed by Roger Vadim


France/Italy: Dino De Laurentiis Cinematographica, 1968

zaterdag 4 februari 2012

Serenity




Rating: ****/*****, or 8/10

Tweede strijd van verliezer Whedon bewijst zijn gelijk

Menigeen zal de naam Firefly weinig zeggen. Het was de titel van een zeer geslaagde televisieserie die Joss Whedon, de man achter het zeer succesvolle Buffy the Vampire Slayer, in 2002 produceerde voor Fox-TV. Helaas bleek de serie geen lang leven beschoren aangezien Fox er al na vijftien afleveringen de stekker uit trok. Een grove inschattingsfout, want aan de kwaliteit van deze sciencefiction-serie lag het niet, wat vervolgens bewezen werd toen Firefly op DVD alsnog een culthit werd. Whedon zwoer dat hij het er niet bij zou laten en dat hij Firefly op de één of andere manier een nieuw onderdak zou geven. Hij hield zijn woord, want hij komt nu met een bioscoopfilm aanzetten, getiteld Serenity, ditmaal geproduceerd door Universal. En ondanks de verhuizing naar zowel een nieuwe studio als het witte doek, heeft hij het oude, hoge niveau van de serie weten te behouden, wat resulteert in een flitsende actiefilm vol met frisse ideeën en aanstekelijk intrigerende personages.

De film opent met een korte introductie die de kijker niet meer dan noodzakelijk meegeeft om de stand van zaken in dit universum te begrijpen. Ergens in de verre toekomst heeft de mensheid de Aarde verlaten en zich in een ander zonnestelsel gevestigd waar vele werelden gekoloniseerd zijn. Een aantal werelden heeft zich succesvol verenigd in een Alliantie, terwijl de rest nog ruige grensgebieden zijn waar orde en tucht ver te zoeken is. In een poging deze planeten beschaving bij te brengen brak er een verschrikkelijke oorlog uit die de Alliantie glansrijk won. Echter, Serenity is een ode aan de loser, en toont zodoende de lotgevallen van een samengeraapte bemanning op een vervallen vrachtschip genaamd 'Serenity': het zootje ongeregeld zijn diegenen die de oorlog verloren maar weigeren zich aan te passen aan de norm van civilisatie en daarom tegendraads hun eigen koers bepalen. Een passende parallel met de serie zelf, die ook verloor, maar dankzij de rebelse Whedon toch een tweede kans krijgt.



Onder leiding van kapitein Malcolm Reynolds (Nathan Fillion, als een jonge Harrison Ford in Star Wars) probeert het gezelschap aan boord van 'Serenity' het hoofd boven water te houden, hetzij door eerlijke klussen als vrachtvervoer, hetzij door bankroof en andere criminaliteit. De bemanning vormt een bont gezelschap bestaande uit onder andere een dommekracht, een priester, een hoer en de jonge dokter Simon (Sean Maher) met diens psychisch begaafde zusje River (de als actrice al even begaafde Summer Glau): allen mensen die eigenlijk niets gemeen hebben, maar desondanks samen weten te werken zonder daarvoor in een keurslijf te moeten worden geplaatst zoals de Alliantie het liever ziet.

Maar dit vrije, wetteloze bestaan wordt niet zonder een slag of stoot geleverd: Simon en River zijn op de vlucht voor de Alliantie, die gruwelijke experimenten op het meisje heeft uitgevoerd, waarbij ze informatie heeft opgedaan die een grote bedreiging vormt voor het geloof in de autoriteit van de heersende macht. Een rücksichtslose agent (Chiwetel Ejiofor, Amistad) – met een beangstigende balans tussen rede en brute agressie, evenals de Alliantie zelf – wordt erop uit gestuurd om River terug te halen, waarbij grof geweld niet geschuwd wordt. 'Serenity', nu tot doelwit van het militaire apparaat van de Alliantie bestempeld, moet bovendien ook nog uit handen zien te blijven van de gruwelijke Reavers, een groep ruimtekannibalen die al moordend planeten plundert.

Ziehier de premisse van één van de meest originele en onderhoudende sciencefictionfilms van de laatste jaren. Als een geslaagde mix tussen sciencefiction en het Western-genre vormt Serenity een uniek mengsel van genre-conventies, en levert daarnaast zinderende actie en bovenal doeltreffende karakterontwikkeling. Want hoewel de film een hoeveelheid spetterende actiescènes bevat en de visuele effecten zich makkelijk kunnen meten met menig recente blockbuster, draait de film volledig om de personages. In Firefly bestond de bemanning uit negen personages en allen zijn terug voor de bioscoopversie, waarbij ze niet allemaal evenveel in beeld komen maar toch voldoende ontwikkeld worden om de sympathie van het publiek te krijgen: een hele opgave voor een speelfilm die in twee uur een even rijke wereld moet weergeven als een TV-serie van vijftien afleveringen. Maar de film slaagt met vlag en wimpel en weet ervoor te zorgen dat we niet alleen om alle personages gaan geven, maar ook een behoorlijke dosis spektakel en humor achter de kiezen krijgen.


Bovendien heeft Whedon Serenity toegankelijk weten te maken voor mensen die niet bekend zijn met diens voorganger, zonder te blijven steken in een overdaad aan uitleg over wat er voorheen met de personages is gebeurd en waar de serie überhaupt over ging. Gezien het aantal onafgehandelde plotlijnen die de TV-serie liet liggen mag dat best een prestatie genoemd worden. Hierdoor behelst Serenity een succesvol vervolg dat de trouwe schare fans evenveel zal behagen als Firefly dat deed, terwijl het voor de leek een geslaagde eerste kennismaking met Whedons universum vormt.

Uiteraard is dit laatste ook Whedons doel: hoe meer mensen Serenity zullen waarderen, des te groter is de kans dat Firefly een langer tweede leven is beschoren. We helpen het hem hopen, want het hoge niveau van deze film toont aan dat Whedon nog lang niet klaar is met dit universum. Firefly verdient beter dan opnieuw te worden vergeten, maar het is aan het publiek om dat definitief te bewijzen.

Star Trek: Nemesis




Rating: **/*****, or 5/10

Een oud Star Trek-verhaal in een nieuw jasje

Star Trek: Nemesis is alweer het tiende deel in een reeks films die in 1979 begon met Star Trek: The Motion Picture. Daarnaast is het de vierde film met de bemanning van de serie Star Trek: The Next Generation in de hoofdrol, na zes delen waarin de cast van de originele serie het roer recht hield. Hoewel Shatner, Nimoy en kornuiten tijdens hun zesde reis op het grote scherm duidelijk aangaven dat ze onderhand te oud werden voor hun ruimte-avonturen en ook bewust met dit gegeven speelden, bleek Star Trek VI: The Undiscovered Country een verrassend sterke film en een heerlijke politieke satire die bewees dat leeftijd niet van belang hoeft te zijn om een goede film af te leveren, zolang het scenario maar goed geschreven is en de film iets zinnigs te zeggen heeft over de historische stand van zaken. Hun opvolgers, onder leiding van Captain Picard (het altijd capabele acteerkanon Patrick Stewart), beginnen onderhand ook al aardig op leeftijd te raken, maar in hun geval blijkt de energie bij hun vierde film al opgebrand te zijn. Na het matige Star Trek: Insurrection, alweer vier jaar achter ons, blijkt ook Star Trek: Nemesis geen hoogvlieger.

Waar Insurrection aanvoelde als een lang uitgesponnen televisie-aflevering heeft Nemesis duidelijk intenties van een meer epische aard, zoals het betaamt voor een TV-serie die het op het witte doek mag proberen. Dit werkte prima in de achtste film, Star Trek: First Contact, waar alle elementen op de juiste plaats vielen en dit een spectaculaire actiefilm opleverde die nog steeds met recht de beste van de tien films genoemd mag worden. Nemesis lijkt hetzelfde doel voor ogen gehad te hebben en is rijkelijk voorzien van grootschalige actiescènes en mooie plaatjes, maar het komt hier toch minder uit de verf, vooral omdat het verhaal ons hier minder kans geeft om de personages te geven en wat er op het spel staat te doorgronden.



Nemesis draait om de duistere kant van de twee belangrijkste personages, Captain Picard en de androïde Data, in de vorm van hun sinistere tegenhangers. In het laatste geval ontdekt de bemanning van het ruimteschip Enterprise een prototype van Data genaamd B-4, die duidelijk technisch onderontwikkeld is en in feite als diens zwakzinnige broertje beschouwd kan worden. Uiteraard probeert Data zijn nieuwe familielid te onderwijzen in enkele komisch bedoelde scènes, maar de suffe robot wekt eerder irritatie op dan humor.

Vervolgens krijgt Picard de opdracht naar Romulus te gaan, omdat de voorheen verraderlijke en agressieve Romulans laten weten over vrede te willen praten. Uiteraard is alles niet wat het lijkt, en eenmaal aangekomen blijkt er een machtswisseling te hebben plaatsgevonden, waarbij een ras genaamd de Remans dat door de Romulans altijd als slaven uitgebuit werd (hoewel we in bijna veertig jaar Star Trek nog nooit van deze lui gehoord hebben) hun overheersers overmeesterd en onderworpen heeft. Hun leider is een schimmige figuur genaamd Shinzon (Tom Hardy, Black Hawk Down), die een kloon van Picard blijkt te zijn. Uiteraard staat vrede allerminst op zijn agenda en blijkt hij Picard nodig te hebben voor diens bloed dat zijn genetische mankementen kan herstellen. Alsof dat niet genoeg is, is blijkt Shinzon ook voornemens om de Federatie aan te vallen en met een verschrikkelijk wapen de Aarde te vernietigen. Waar dat voor nodig is wordt niet verteld, evenmin als de logica achter het feit dat een altijd onderworpen ras de vredelievende vijand van hun voormalige onderdrukkers wil vernietigen uit de doeken gedaan wordt. Zulke gaten in het verhaal leveren Nemesis helaas een flinke deuk op, hoewel de hierop volgende aaneenschakeling van 'space battles' actieliefhebbers zal bekoren.


Het is erg jammer dat Nemesis minder aandacht schenkt aan het vertellen van een goed gebalanceerd verhaal dan aan het ons voorschotelen van uitstekende actiescènes. De schuld ligt hoofdzakelijk bij schrijver John Logan. Regisseur Stuart Baird, een nieuwkomer in het Star Trek universum, kan het niet verweten worden, aangezien hij niet betrokken was bij het schrijven van het script en bovendien laat zien dat hij ondanks alles een bekwaam regisseur met een flair voor zinderende actie is.

Het grootste nadeel van Star Trek: Nemesis is dat het allemaal niets nieuws onder de zon is. Het plot vertoont wel heel opvallende overeenkomsten met dat van Star Trek II: The Wrath of Khan, een terechte klassieker in het sciencefictiongenre. Beide films voeren een booswicht op die een persoonlijk conflict met de Captain (destijds Kirk, nu Picard) heeft uit te vechten en beschikt over een massavernietigingswapen, wat na een lange, groots opgezette schermutseling (allebei in een ruimtenevel nog wel!) het leven eist van een hoofdpersonage dat zelfopoffering verkiest boven de dood van zijn vrienden. Zodoende niks 'where no man has gone before' deze keer: het is een oud verhaal, en Wrath of Khan deed het bovendien beter, hoewel Stewart en zijn collegae hun best doen om het geloofwaardig te maken, waarbij vooral Brent Spiner als de altijd aimabele Data een extra pluim verdient.

Hoewel Nemesis wel degelijk geslaagde momenten kent, zoals het langverwachte huwelijk tussen Riker en Troi, de moord op de Romulaanse senaat en de sensationele ruimteveldslag aan het einde van de film, geeft de film ons helaas niet genoeg reden om ons voor de personages en hun strijd te interesseren. De meeste aandacht gaat naar Picard en Data, terwijl de rest van de bemanning nogal op de achtergrond blijft. De strijd tussen beide officieren en hun duistere tegenhangers laat ons overwegend koud: B-4 is een achterlijk figuur, terwijl Shinzons beweegredenen voor het overgrote deel te onlogisch zijn om hem de geloofwaardigheid van een intrigerende schurk mee te geven. Bovendien wekt zijn ellenlange gezever over de band tussen hem en Picard, hun wederzijdse 'spiegel-status', op den duur slechts ergernis op. En hoewel de Romulans, altijd al een fascinerend antagonistisch ras in The Next Generation, een formidabele tegenstander hadden kunnen zijn, blijken de Remans domweg niet te kunnen boeien.



Nemesis is een teleurstellende toevoeging aan het al bestaande canon Star Trek films, die breekt met de zogenaamde 'wet van Star Trek' die beweert dat de films met een even nummer van hoge kwaliteit zijn. Een zesde film zal er voor Picard en zijn getrouwen wel niet meer in zitten. Het is jammer dat zij niet eenzelfde hoogstaande laatste aria krijgen als hun voorgangers onder Kirk. Wat de toekomst Star Trek brengt blijft vooralsnog onduidelijk. Er zijn nog drie series, maar geen hiervan lijkt een goede kandidaat voor een trip naar het grote doek. Gezien de hedendaagse tendens in Hollywood om oude succesverhalen opnieuw op te starten, is de kans groot dat ook Star Trek dit lot ten deel zal vallen. Of dit positieve resultaten zal opleveren met bijna veertig jaar Star Trek geschiedenis achter de rug is nog maar zeer de vraag.