Posts tonen met het label article. Alle posts tonen
Posts tonen met het label article. Alle posts tonen

zaterdag 25 oktober 2014

Today's Article: 'It's a mad house!': de dystopische sciencefictionfilm 1968-1977, Part 9



Conclusie

In de inleiding van Science Fiction Films of the Seventies stelt Craig Anderson dat de jaren zeventig het 'coming of age' van het sciencefictiongenre inluidden.1 Hoewel Anderson de implicatie van deze opmerking niet bespreekt – hij laat haar verder links liggen – is deze aanduiding heel toepasselijk. Waar sciencefiction in de vijftiger jaren hoofdzakelijk entertainment was met bij vlagen maatschappijkritische trekjes, waren het de sciencefictionfilms van de Tweede Golf die maatschappijkritiek tot een belangrijke doelstelling van het genre maakten, zonder daarbij de factor vermaak uit het oog te verliezen. De meeste sciencefictionfilms uit de vijftiger jaren gaven eigentijdse thema's als nucleaire angsten en 'red scare' hoofdzakelijk in metaforen weer. Deze luchtige, soms kinderlijk speelse, sciencefiction, waarin ondanks de omvang van de weergegeven catastrofale problemen uiteindelijk alles goed kwam, werd in de periode 1968-1977 vervangen door een kritischer variant. Deze nieuwe sciencefictionfilms approprieerden specifieke thema's en angsten die in de samenleving heersten en maakten hen bespreekbaar, zonder de ernst van de problemen te reduceren tot een makkelijk oplosbaar, zwart-wit conflict.

Herboren in de ernst van 2001: A Space Odyssey en Planet of the Apes, die aantoonden dat serieuze sciencefiction niet alleen geschikt was voor ingewijden, werd de representatie van de pessimistische tijdsgeest in het nieuwe type sciencefiction niet geschuwd. De Westerse samenleving, hoofdzakelijk de Verenigde Staten, verkeerde in een toestand van crisis. In de drang een serieuze boodschap te hebben, zoals 2001 en Planet of the Apes dat hadden, zag het genre geen reden om de verschillende factoren die deze crisis vormden onbesproken te laten; de tijdsgeest was duister, en het sciencefictiongenre daardoor niet minder. Door in te springen op de actualiteit gaf het genre een hoeveelheid aan sociale thema's weer, waarvan ik er hier “slechts” twee (inclusief 'subthema's') in detail heb besproken. Sciencefiction had een missie: 'critical dystopia' was het devies. Het publiek werd geconfronteerd met toekomstige extrapolaties van heersende negatieve thema's als milieuproblematiek, technofobie, racisme en geweld, met als doel om te waarschuwen voor de mogelijke dystopische effecten hiervan op de langere termijn als er niet tegen opgetreden zou worden. Hoewel het “if this goes on” type sciencefiction hierbij de neiging had te overdrijven, maakte het de aanwezigheid en intentie van de boodschap niet minder treffend: het publiek moest ervoor waken dat de in deze films geschetste wereld realiteit zou worden.2 'Het gaat misschien slecht met de wereld', stelde het genre, 'maar als we het zo door laten gaan, gaat het alleen maar slechter, dus dat moet voorkomen worden'. De toekomstbeelden in de sciencefictionfilms van de jaren zeventig waren uitsluitend uitvergrotingen van het pessimisme in de eigen tijd, en waarschuwden dat de oorzaken hiervan nu bestreden moesten worden. 'Fantasies of the future may [...] be ways of putting quotation marks around the present', schrijven Ryan en Kellner, en hoewel hun bespreking van dystopische samenlevingen te wensen overliet, geef ik hen hierin gelijk.3

De dystopische systemen in het sciencefictiongenre zijn de resultaten van de imperfecties van het verleden, waardoor de mens van de toekomst lijdt onder de fouten van het verleden. Desondanks, de mate van lijden is relatief gebleken, afhankelijk van het thema dat besproken werd. De dystopische systemen in technofobische films zijn zowel afschrikwekkend in hun totale onderdrukking van het individu, als verleidelijk dankzij hun geborgenheid en veiligheid (wat men node miste in de zeventiger jaren). Deze dualiteit wijst op de aloude dubbelzinnige rol van technologie; enerzijds is zij een brenger van vrede en voorspoed, anderzijds de motor achter verwoesting. Het is aan de mens te bepalen naar welke kant de weegschaal zal overhellen: hijzelf, als schepper van technologie, bepaalt hoe zijn creatie gebruikt zal worden, ten goede of ten kwade. In 'environmental sciencefiction' is er daarentegen niets positiefs aan het geportretteerde dystopia: het is een nare wereld die voor iedereen met moeite uit te houden is en alleen maar minder leefbaar zal worden, want de natuurlijk wereld heeft het onderspit gedolven. Ook hier ligt de schuld bij de mens zelf, met als verschil dat het te laat is om keuzes te maken: wat gedaan moet worden om het tij te keren, had veel eerder moeten gebeuren. De mensheid kan nu slechts afwachten.

Het gaat te ver om te zeggen dat de filmstudio's die sciencefictionfilms produceerden uitsluitend thematische diepgang in hun films aanbrachten omwille van de boodschap voor het publiek. Financiële belangen speelden, zoals altijd in de filmindustrie, een belangrijke rol. Films die inhaakten op de actualiteit vielen immers op en brachten winst in het laatje. Het is niet verrassend dat de markt voor actuele pessimistische sciencefiction op den duur verzadigd raakte, wat het succes van Star Wars en Close Encounters of the Third Kind verklaart. Immers, deze films hadden geen specifieke boodschap, maar keerden terug naar de sfeer van simpel, optimistisch vermaak zonder de noodzaak zwaarmoedige thematiek te bespreken.

Het ongelijk van Joan Dean (p. 16) is praktisch bewezen: de sciencefictionfilms uit de periode 1968-1977 zijn niet vergeten. De Tweede Golf heeft haar sporen op de ontwikkeling van het genre nagelaten. Meer dan tijdens de Eerste Golf heeft zij aangetoond hoe het sciencefictiongenre de angsten en wensen van de tijdsgeest kan reflecteren, hoe zij thema's bespreekbaar maakt en hoe zij entertainment en boodschap kan combineren. Waar de films van de Eerste Golf slechts een introductie gaven tot deze werkwijze maar niet haar volle potentieel benutten, waren de films van de Tweede Golf de pioniers die zich deze aanpak eigen hebben gemaakt. Sindsdien is het goeddeels de standaard in het genre geworden: de boodschap en de representatie van actuele thema's geeft sciencefictionfilms een meerwaarde, die nu als gangbaar kan worden beschouwd. De werelden die sciencefiction ons voorschotelt worden geacht een 'mad house' te zijn.4





Bibliografie


Anderson, Craig W. Science Fiction Films of the Seventies. Jefferson: McFarland & 

Company Inc., 1985: p. 1-164


Appelbaum, Sam, Gerald Mead. ‘Westworld: fantasy and exploitation’, Jump Cut, nr. 7 

(1975): p. 12-13
Augarten, Stan. Bit by Bit: An Illustrated History of Computers. Londen: George Allen & 

Unwin, 1985: p. 253-285

Baxter, John. Science fiction in the cinema. New York: A.S. Barnes & Co., 1970: p. 170-185


Brereton, Pat. Hollywood Utopia: Ecology in Contemporary American Cinema. Bristol: 

Intellect Books, 2005: p. 12-34, 139-173


Brosnan, John. Future tense: the cinema of science fiction. New York: St. Martin’s Press 

Inc., 1978: p. 164-244


Brosnan, John. Movie Magic: the Story of Special Effects in the Cinema. Londen: 

MacDonald, 1974: p. 176


Chion, Michel. Audio-vision: sound on screen. New York: Columbia University Press, 1994: 

p. 129-131


Dean, Joan F. 'Between 2001 and Star Wars.' Journal of Popular Film and Television, nr. 1

  (1978): p. 32-41


Desser, David. ‘Race, space and class: the politics of cityscapes in science-fiction films’, in: 

Kuhn, Annette. Alien Zone II: the spaces of science fiction cinema. Londen: Verso, 1999: p.

 75-95
De Steiguer, J. E. The Age of Environmentalism. New York: McGraw-Hill, 1997: p. 1-41, 

80-90, 128-138, 153-165 


Ingram, David. Green Screen: environmentalism and Hollywood cinema. Exeter: University 

of Exeter Press, 2000: p. 154-155, 179-182


Kozlovic, Anton Karl. 'Technophobic themes in pre-1990 computer films.' Science as 

Culture, vol. 12, nr. 3 (September 2003): p. 341-373


Matheson, T.J. 'Marcuse, Ellul, and the Science-Fiction Film: Negative Responses to 

Technology', in: Science Fiction Studies, vol. 19, nr. 3 (november 1992), p. 326-339 
 

Nagl, Manfred, David Clayton. ‘The Science Fiction Film in Historical Perspective’, Science-

Fiction Studies, vol. 10, nr. 3 (1983): p. 262-277
Pepper, David. The roots of modern environmentalism. Worcester: Croom Helm Ltd., 1984: 

p. 13-39

Pohl, Frederik, Frederik Pohl IV. Science fiction studies in film. New York: Ace Books, 1981: 

p. 155-24

Rovin, Jeff. From Jules Verne to Star Trek. New York en Londen: Drake Publishers Inc., 

1977: p. 2-4, 8, 14-17, 53, 74, 84, 88-90, 96, 102, 112, 122-123, 130, 136


Ryan, Michael, Douglas Kellner. Camera Politica: the Politics and Ideology of 

Contemporary Hollywood Film. Bloomington en Indianapolis: Indiana University Press, 

1988: p. 244-265


Ryan, Michael, Douglas Kellner. ‘Technophobia’, in: Kuhn, Annette. Alien Zone: Cultural 

Theory and Contemporary Science Fiction Cinema. Londen: Verso, 1990: p. 58-65


Sellors, C. Paul. 'On the Impossibility of 'Once Upon a Time...' in Rollerball.', in: Mendik, 

Xavier, Graeme Harper (eds.) Unruly Pleasures: the Cult Film and its Critics. Guildford: FAB 

Press, 2000: p. 45-59

Sobchack, Vivian. ‘Cities of the edge of time: the urban science-fiction film’, in: Kuhn, 

Annette. Alien Zone II: the spaces of science fiction cinema. Londen: Verso, 1999: p. 

123-143

Telotte, J.P. Science Fiction Film. Cambridge: Cambridge University Press, 2001: p. 40-44, 

100-104, 123-141
Verheul, Jaap. Dreams of Paradise, Visions of Apocalypse: Utopia and Dystopia in 

American Culture. Amsterdam: VU University Press, 2004: p. 1-9



Corpus


Andromeda Strain, The. Reg. Robert Wise. Universal Pictures, 1971.
Barbarella. Reg. Roger Vadim. Dino de Laurentiis Cinematografica, 1968.
Battle for the Planet of the Apes. Reg. J. Lee Thompson. Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1973.
Beneath the Planet of the Apes. Reg. Ted Post. Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1970.
Boy and His Dog, A. Reg. L. Q. Jones. LQ/JAF, 1975.
Clockwork Orange, A. Reg. Stanley Kubrick. Warner Bros. Pictures, 1971.
Colossus: The Forbin Project. Reg. Joseph Sargent. Universal Pictures, 1970.
Conquest of the Planet of the Apes. Reg. J. Lee Thompson. Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1972.
Dark Star. Reg. John Carpenter. Jack H. Harris Enterprises, 1974.
Death Race 2000. Reg. Paul Bartel. New World Pictures, 1975.
Demon Seed. Reg. Donald Cammell. Metro-Goldwyn-Mayer, 1977.
Escape from the Planet of the Apes. Reg. Don Taylor. Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1971.
Futureworld. Reg. Richard T. Heffron. American International Pictures, 1976.
Journey to the Far Side of the Sun. Reg. Robert Parrish. Century 21 Television, 1969.
Logan’s Run. Reg. Michael Anderson. Metro-Goldwyn-Mayer, 1976.
Man Who Fell to Earth, The. Reg. Nicolas Roeg. British Lion Film Corporation, 1976.
Moon Zero Two. Reg. Roy Ward Baker. Hammer Film Productions, 1969.
No Blade of Grass. Reg. Cornel Wilde. Theodora Productions, 1970.
Omega Man, The. Reg. Boris Sagal. Warner Bros. Pictures, 1971.
Planet of the Apes. Reg. Franklin J. Schaffner. Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1968.
Rollerball. Reg. Norman Jewison. Algonquin, 1975.
Silent Running. Reg. Douglas Trumbull. Universal Pictures, 1972.
Soylent Green. Reg. Richard Fleischer. Metro-Goldwyn-Mayer, 1973.
Stepford Wives, The. Reg. Bryan Forbes. Palomar Pictures, 1975.
THX 1138. Reg. George Lucas. American Zoetrope, 1971.
2001: A Space Odyssey. Reg. Stanley Kubrick. Metro-Goldwyn-Mayer, 1968.
Westworld. Reg. Michael Crichton. Metro-Goldwyn-Mayer, 1973. 
 
Zardoz. Reg. John Boorman. John Boorman Productions, 1974.
Z.P.G. Reg. Michael Campus. Sagittarius Productions Inc., 1972.


1Anderson 1985: p. 11
2Anderson 1985: p. 28
3Ryan en Kellner 1988: p. 254
4Voor de goede orde, de titel van mijn scriptie, 'It's a mad house!' is een quote afkomstig uit Planet of the Apes.

zaterdag 17 mei 2014

Today's Article:'It's a mad house!': de dystopische sciencefictionfilm 1968-1977, Part 3

 



Hoofdstuk 2: Technologie, de 'voice of world control'?

Paragraaf 2.1: Technofobie in historische context

Hoewel het thema milieuproblematiek in de jaren zeventig onontgonnen terrein was voor het sciencefictiongenre gold dat niet voor technofobie, een begrip dat de angst voor de mogelijkheden van wetenschap en technologische ontwikkeling en hun potentieel schadelijke impact op de maatschappij en menselijke waarden behelst. Technofobie geldt als één van de meest klassieke en vaak terugkerende thema's in het genre, zowel in film als literatuur: daarom wordt dit thema hier als eerste behandeld, als aansluiting op de Eerste Golf waar het ook een prominente rol speelde. 
 
Technofobie was frequent aanwezig in de sciencefictionfilms van de vijftiger jaren, waar het vrijwel altijd gepaard ging met de angst voor de Bom en de mogelijkheden – zowel positief als negatief, maar toen overwegend negatief – van atoomenergie. Het doemdenken dat gepaard ging met de angst voor de Bom was hoofdzakelijk terug te vinden in twee subgenres. Het eerste omvatte films waarin de mens bedreigd werd door enorme monsters voortgebracht door radioactieve straling, wat ik in It Came from Cold War America en Destination God aanduid als het 'terrestrial creature' subgenre. 'Terrestrial creature' films werden in de periode 1968-1977 slechts mondjesmaat vervaardigd (vooral om in te springen op de populariteit van Jaws (USA: Steven Spielberg, 1975),1 en dan uitsluitend door low budget producenten die zich meer op horror-effecten dan op de science van de films richtten (de opmerking dat deze films beter tot het horrorgenre gerekend kunnen worden is niet ongepast, met voorbeelden als The Food of the Gods (USA: Bert I. Gordon, 1976) of The Giant Spider Invasion (USA: Bill Rebane, 1975)). De voorheen aanzienlijke rol van de 'terrestrial creature' film in het sciencefictiongenre werd nu gereduceerd tot de absolute marge.

Het tweede subgenre behelsde een beperkt aantal films dat handelde over een post-apocalyptische wereld waarin de gevreesde atoomoorlog bijna al het leven op Aarde uitgeroeid had en een handjevol overlevenden zich staande probeerde te houden. In de zeventiger jaren was de post-apocalyptische film nog aanwezig in de mainstream van het sciencefictiongenre, nog steeds in relatie met de atoombom. De verwoeste werelden die zij toonde waren vaak het resultaat van een uit de hand gelopen wapenwedloop die de mensheid in een staat van barbarij had doen belanden (voorbeelden: Planet of the Apes, Logan's Run). In tegenstelling tot in de jaren vijftig werd post-apocalyptiek in de zeventiger jaren niet uitsluitend veroorzaakt door nucleaire oorlog, maar dienden zich ook andere oorzaken aan, zoals verregaande vervuiling en pandemieën (wat echter geen technologische verschijnselen zijn en eerder onder het thema 'milieuproblematiek' vallen). Desondanks, de wapenwedloop tussen de VS en de Sovjet-Unie duurde voort en de dreiging van een atoomoorlog bleef bestaan. Toch werd de Bom in de filmindustrie minder vaak ingezet als technofobisch symbool: door een groeiende nadruk op andere gevaren voor de samenleving (zoals overbevolking en vervuiling) nam de angst voor een potentiële atoomoorlog tussen de supermachten af, evenals het gebruik van de Bom in het sciencefictiongenre, een ontwikkeling die zowel Dean als Brosnan opmerken.2 Overeenkomstig lag het aantal sciencefictionfilms dat expliciet gebruik maakte van de atoombom lager dan in de jaren vijftig: slechts vier films in mijn corpus tonen een apocalyptische wereld veroorzaakt door een atoomoorlog, met als uitschieter Beneath the Planet of the Apes (USA: Ted Post, 1970), die eindigt met de totale vernietiging van de wereld door een super-kernwapen. Over het algemeen bleef het slechts bij referenties, waarbij de Bom in één adem genoemd werd met andere destructieve factoren die de dystopische wereld in het genre tot stand hebben doen komen: zodoende werd de Bom gereduceerd tot slechts één mogelijke oorzaak van de Apocalyps, en niet per se de voornaamste. In de Tweede Golf werd atoomenergie naar de zijlijn geschoven: de Bom was niet langer de grote boosdoener. Deze twijfelachtige eer ging naar een ander technologisch verschijnsel, dat in de zeventiger jaren sterk in opkomst was: de computer.

De ontwikkeling van de computers raakte in de zeventiger jaren in een stroomversnelling, waarbij informatici in Utopische bewoordingen spraken van een revolutie die de samenleving ingrijpend zou veranderen.3 De computer, een apparaat dat al decennia lang in ontwikkeling was, klom eindelijk omhoog uit de anonimiteit en kwam in het publieke gezichtsveld terecht, waardoor de 'man-in-de-straat' op den duur met deze machine geconfronteerd werd. De burger was echter langzaam voorbereid op de doorbraak van de computer. Terwijl wetenschap in de jaren vijftig iets voor wetenschappers was, was het publiek van de jaren zeventig meer 'technisch bewust': de 'space race' en diens representatie op de televisie in de zestiger jaren had voor grotere interesse voor technologische ontwikkeling gezorgd. Ook de kennis van de geleidelijke ontwikkeling van computers verkreeg het publiek van de media, al zagen zij hen nog niet in de eigen leefomgeving.4 Uiteraard was het merendeel van het publiek geen expert betreffende de in de films getoonde technologie, maar men kreeg via de media basiskennis mee en ook de overheid promootte technologische kennis. Voor het publiek van de jaren vijftig was de computer grotendeels een onbekend apparaat, en was de weergave in sciencefictionfilms daadwerkelijk 'sciencefiction'. De toeschouwers van de jaren zeventig waren echter op zijn minst bekend met de term en de basisfuncties van het apparaat, ook al hadden de meesten het apparaat nog niet met eigen ogen gezien.5 Naast de media of de krant herkende men de term 'computer' hoofdzakelijk van de sciencefictionfilms van deze periode die zich bezig hielden met dit nieuwe medium (te beginnen met 2001: A Space Odyssey). Want waar de technologische aspecten van de sciencefictionfilms van de Eerste Golf ondergeschikt waren aan het entertainment, was dit voor de films van de Tweede Golf niet per se het geval. De films van de Tweede Golf toonden doorgaans realistische wetenschap (inclusief accurate computertechnologie in veel gevallen), gestimuleerd door het feit dat een wetenschappelijk verantwoord verhaal 2001 geen windeieren had gelegd, en dit dus geen intellectuele belemmering voor het publiek hoefde te zijn.6




Maar hoe dacht de gemiddelde mens in deze tijd over de computer? Voor de doorsnee mens, die licht op de hoogte was van de snelle ontwikkelingen in de computerindustrie, was het geen geruststellende gedachte dat computers steeds meer doordrongen in het alledaagse leven en veelzijdiger werden. De oude modellen, enorme apparaten die alleen door instituties gebruikt werden, werden vervangen door toegankelijke kleinere modellen waar zoveel vraag naar was dat de hoeveelheid computerfabrieken explosief groeide: Stan Augarten beschrijft hoe het succes van één enkel bedrijf medio jaren zestig leidde tot het bestaan van minstens 75 bedrijven in 1971.7 Vervolgens werd de microchip geïntroduceerd (1971), die in een hoeveelheid andere, dagelijks benutte, machines ingebouwd kon worden voor verhoogde capaciteit en gebruiksvriendelijkheid.8 Tenslotte volgde in 1975 de personal computer, waardoor computers nu (zoals al lange tijd eerder voorspeld was) daadwerkelijk toegang tot de huiskamer kregen.9 Bovendien werden computers steeds slimmer en kregen zij meer bevoegdheden: zo werd in 1977 de semi-intelligente computer publiekelijk geïntroduceerd.10 Computers namen talloze taken op zich die de mens voorheen veel tijd en moeite kostten, en maakten het leven er makkelijker op. De vraag of de mens niet teveel vertrouwen had in technologie diende zich echter aan. Was de mensheid niet op weg naar een technologische nachtmerrie waarin het bestaan van de mens volledig afhankelijk was van technologie? En als computers werkelijk 'intelligentie” bezaten, zou deze technologie zich niet tegen haar scheppers kunnen keren? 
 
Uiteraard reflecteerde het sciencefictiongenre dergelijke vragen. De rol van artificiële intelligentie (zowel de computer als haar antropomorfe equivalent, de robot) was in de Tweede Golf aanzienlijk: twaalf van de 29 films in mijn corpus voeren een geheel of gedeeltelijk technofobisch scenario op, waarvan er negen handelen over een computer of robot die “tegendraads” gedrag ontwikkelt, wat leidt tot onderdrukking van of moord op mensen. Dergelijke overwegend negatieve representatie was geen al te beste reclame voor het nieuwe medium. Zowel de overheid als de IT-industrie bestreed dit beeld om het publiek ervan te overtuigen dat de computer, ondanks het feit dat deze vaak als intelligent bestempeld werd, toch hoofdzakelijk een instrument was. Tot aan het midden van de jaren tachtig hanteerde het computerbedrijf IBM bijvoorbeeld een bedrijfsregel tegen het beweren dat een machine 'intelligentie' bezat. Deze gedachte zou klanten afschrikken en hen ervan weerhouden computers te kopen. Bovendien werd het in religieuze context getrokken: de mens kan geen intelligentie scheppen, zelfs niet kunstmatig, want een dergelijke daad is uitsluitend aan God voorbehouden.11

Desondanks, bestond het risico niet dat computers zelf 'voor God' konden gaan spelen? Als het leger de bevoegdheid over atoomwapens aan computers overliet, hoe ver reikte hun controle over het defensie-netwerk dan? Hadden zij, in deze capaciteit “intelligente wapens”, wel het beste met de mens voor? Ondanks de snelle ontwikkeling in de computerindustrie verzekerden de experts dat het begrip 'intelligentie' in deze context relatief genoeg was dat computers niet hun eigen gang konden gaan en zij uitsluitend hulpmiddelen bleven, in absolute dienst van de mensheid. Stan Augarten merkt op:

No matter how smart we manage to make it, the computer will never be a panacea. It is a tool, a fabulous tool, but nothing more, and we shouldn't invest it with all our hopes and dreams for the future.12

Ondanks zulke geruststellingen weerhield dit het sciencefictiongenre er niet van om gebruik te maken van de computer als intelligente 'bad guy', die een andere draai geeft aan het begrip 'hulpmiddel' maar toch in dienst van de mens blijft. In de volgende paragraaf zal ik illustreren hoe de computer in het genre in de periode 1968-1977 gerepresenteerd werd, en hoe het resultaat de mens zowel helpt als onderdrukt.



Paragraaf 2.2: Technofobie in het sciencefictiongenre: 'Computer Films'

Evenals het thema 'technofobie' was ook de representatie van de computer in het genre niet nieuw in de Tweede Golf. De aanwezigheid van machtige computers, evenals hun drang naar destructie en dominantie, kon al opgemerkt worden in enkele films uit de Eerste Golf, zoals Forbidden Planet (USA: Fred M. Wilcox, 1956), waarin een revolutionaire vorm van computertechnologie de innerlijke demonen van haar buitenaardse gebruikers bevrijdde en zodoende tot de ondergang van hun beschaving leidde. Nog treffender is The Invisible Boy (USA: Herman Hoffman, 1957), waarin een supercomputer van de Amerikaanse overheid een eigen wil ontwikkelt en de mensheid aan zich probeert te onderwerpen, maar tegengehouden wordt door een robot die de waarde van vriendschap heeft leren kennen. Ook na de Tweede Golf bleef kunstmatige intelligentie een terugkerend motief, zo frequent dat Anton Kozlovic spreekt van een apart subgenre binnen de sciencefictionfilm, wat hij aanduidt als de 'Computer Film'; 'the cinema of calculating devices, thinking machines and artificial people'.13 Ik zal Kozlovic' term hier blijven gebruiken in mijn bespreking van technofobie in het sciencefictiongenre, gezien het grote aandeel van 'Computer Films' in het technofobische thema. Ondanks de frequente representatie (negatief en positief) van computers en robots in het sciencefictiongenre tijdens alle golven, werd de computer in de Tweede Golf het hoofdonderwerp van technofobie. In feite wisselden de atoombom en de computer van rol als men de Eerste en Tweede Golf vergelijkt. 
 
Waar de Bom de gevreesde uitvinding was die in de Eerste Golf de hoofdoorzaak van technofobie was, nam de computer deze positie in tijdens de Tweede Golf. Bovendien werd de atoombom ondergeschikt gemaakt aan de computer, aangezien de computers in de Tweede Golf het privilege krijgen om de Bom te beheersen. De macht over een wapen dat in staat is tot het brengen van de Apocalyps mag in het sciencefictiongenre (zo niet in de realiteit) niet in handen liggen van mensen, zelfs niet van de experts die haar geschapen hebben. Bevreesd als de wetenschappers zijn voor eventuele menselijke fouten die de Bom onopzettelijk kunnen activeren, geven zij de volmacht over de Bom aan de computer, die zij niet in staat achten tot het maken van menselijke fouten, De wetenschap distantieert zich zodoende van haar verantwoordelijkheid voor het scheppen van de Bom door de controle hiervan over te dragen aan een andere uitvinding die niet kan bezwijken voor menselijke corruptie dankzij zijn superieure rationele denkprocessen. Juist in deze rationaliteit zit hem de kneep.

De belangrijkste oorzaak van technofobie als het artificiële intelligentie betreft is haar inbreuk op en vervorming van menselijke eigenschappen. De computer, een apparaat dat bedoeld is als werktuig om ons leven te vergemakkelijken of om controle te nemen over zaken die niet aan mensenhanden overgelaten kunnen worden, wordt in de sciencefictionfilms toebedeeld met een eigenschap die als overwegend menselijk beschouwd wordt: de rede, de mogelijkheid tot denken. Door zich dit menselijke kenmerk eigen te maken plegen computers inbreuk op de menselijke identiteit. Sterker nog, in een aantal sciencefictionfilms is het de intentie van de wetenschappers die zulke computers vervaardigen om hen rationele capaciteit en kennis toe te delen die het menselijke potentieel ver overstijgt. De wetenschappers zien zulke kunstmatige hersenen als een hulpmiddel voor de mensheid (of in ieder geval voor de overheid waar zij voor werken) en hebben geen kwaad in de zin, maar het resultaat pakt anders uit als blijkt dat de computers met hun superieure verstand superieure ambities blijken te ontwikkelen die hoofdzakelijk betrekking hebben op het onderwerpen van de mensheid. Dat computers hiertoe in staat zijn is doorgaans te wijten aan hun gebrek aan een ander typisch menselijke eigenschap, de emotie.

In tegenstelling tot ratio is de emotie een eigenschap die tot het menselijk instinct gerekend wordt en een nauwe band met de primitieve driften van de mens onderhoudt. En in tegenstelling tot de rede is emotie in sciencefictionfilms zelden technologisch te vervaardigen. Slechts in een paar gevallen in het genre ontwikkelen computers karaktertrekken die als emoties opgevat kunnen worden, waarbij de nadruk ligt op negatieve emoties (haat, angst, overmoed). Bovendien is dergelijk emotioneel gedrag vaak bijkomstig en onopzettelijk. De computers ontwikkelen deze karaktereigenschap uit zichzelf, wat hun makers niet voor ogen stond: immers, een computer die menselijk karakter vertoont is tot 'human error' in staat, en dat proberen de scheppers juist te voorkomen. Emotioneel gedrag in technologie is in de sciencefictionfilms van de Tweede Golf grotendeels afwezig. En juist daarom zijn computers in de technofobische films van deze periode geneigd tot abject gedrag en repressie, aangezien ratio en emotie elkaar in bedwang plegen te houden: emotie zonder rede leidt tot het slaafs volgen van primitieve driften, terwijl rede zonder emotie leidt tot koud en berekenend gedrag. De kille computers in de sciencefictionfilms van de Tweede Golf illustreren dit veelvuldig wanneer hun rationele berekeningen leiden tot onderdrukking van de mens.

De film die als beginpunt van de Tweede Golf beschouwd wordt (zie p. 5), 2001: A Space Odyssey, geeft ook de aanzet voor de nadruk op “kwaadaardige” computers die de technofobische films in de Tweede Golf typeren. Hoewel HAL 9000, de computer in deze film, vergelijkbaar is met de antagonistische artificiële intelligentie in latere films als Colossus: The Forbin Project, Demon Seed en Dark Star (USA: John Carpenter, 1974), verschilt hij van zijn opvolgers door zijn capaciteit emoties te interpreteren en tot op zekere hoogte ook te uiten. Nog opmerkelijker is dat deze mogelijkheid geprogrammeerd is: er is geen sprake van “natuurlijke” ontwikkeling. Tegelijkertijd is hij uitgerust met typisch bovenmenselijke kennis en logica, en maakt hij zijn aanwezigheid kenbaar dankzij mechanische versies van menselijke eigenschappen: zicht (HALs iconische “oog”) en de stem. 
 
Hoewel HALs “lichaam” vrijwel het hele ruimteschip omvat (hij heeft er bijna volledig controle over), is er sprake van een 'disembodied voice', een stem zonder lichaam. HALs stem lijkt los te staan van de rest van zijn lichaam: zijn stem heeft geen bron die gelokaliseerd kan worden, maar kan overal binnen het ruimteschip gehoord worden. Ondanks de afwezigheid van een bron is de stem HALs meest opmerkelijke kenmerk, want hiermee maakt hij zijn aanwezigheid kenbaar. Door communicatie met de crew via zijn stem volgen we HALs 'bestaan', zijn redenatie voor zijn verzet, en uiteindelijk ook zijn ondergang als hij uitgeschakeld wordt waardoor zijn stem langzaamaan vervormt en stopt, waarbij hijzelf ook ophoudt te bestaan. De toon van HALs stem, emotieloos en monotoon, geeft hem een extra voordeel, omdat de astronauten er niet zijn gemoedstoestand uit kunnen opmaken, hoewel ze weten dat hij is voorzien van een begrip van emoties (omgekeerd kan hij uit hun geagiteerde toon wel opmaken hoe penibel zij hun situatie achten).



HAL en zijn stem worden gestuurd door een alziend oog dat menselijke acties en dialogen over het hele schip kan volgen, hoofdzakelijk via surveillance door camera's. De astronauten zijn zich hiervan bewust, en als zij plannen tegen HAL beramen proberen zij zijn blik te ontwijken: zij voeren hun conversatie in een deel van het ruimteschip waar zij menen dat HAL hen niet kan horen, wat inhoudt dat HAL zintuiglijk niet beperkt is tot zien, maar ook kan horen. Aan zicht heeft HAL echter genoeg, omdat hij hen nog wel kan zien praten, en door middel van liplezen hun gesprek “afluistert”. Zijn oog is HALs voornaamste wapen, waardoor hij niet alleen een 'disembodied voice', maar ook een 'disembodied eye' is (en eventueel een 'disembodied ear', hoewel deze scène aangeeft dat HAL genoeg heeft aan zijn oog). Aan hun capaciteit voor omvangrijke surveillance ontlenen computers als HAL hun macht over de mens, zoals ook in de casestudy van Colossus: The Forbin Project aangetoond zal worden.

Het zou niet de laatste keer zijn dat in een 'Computer Film' een machine als 'acousmêtre' werd opgevoerd, een personage dat alleen uit een stem bestaat en geen eigen lichaam heeft.14 Demon Seed is in deze context bijzonder treffend, aangezien het doel van Proteus, de antagonistische supercomputer in deze film, luidt om via paring met de vrouw van zijn ontwerper een kind te verwekken; een hybride tussen mens en machine die, in tegenstelling tot Proteus zelf, een onafhankelijk, eigen lichaam bezit en zodoende “vrij” is om de wereld te ontdekken. Proteus zelf is deze kans op vrijheid niet geboden, omdat hij bestaat uit een verzameling elektronische onderdelen en terminals zonder concreet lichaam. Maar evenals HAL maakt hij gebruik van een 'disembodied voice' om zijn wensen kenbaar te maken en zo nodig met geweld te dreigen als hij zijn zin niet krijgt. Doordat hij de controle over de huiscomputer van de vrouw overneemt, dwingt hij de vrouw om zijn bevelen op te volgen aangezien hij haar huis verandert in een van de buitenwereld afgesloten fort met in elke kamer een camera zodat hij haar onophoudelijk kan volgen (opnieuw surveillance). Het huis wordt zodoende een spreekwoordelijk “lichaam” voor Proteus. Op vergelijkbare wijze heeft ook HAL een lichaam dat hij bestuurt, namelijk het ruimteschip. In HALs geval zitten de menselijke personages als het ware in het lichaam van de computer die hen probeert te doden. Ze moeten het “brein” van dit lichaam uitschakelen om hun veiligheid te bereiken, alsof zij parasieten zijn die op het lichaam van een gastheer teren ten koste van de gastheer zelf. Uiteraard staat hun gastheer dit niet zonder slag of stoot toe.

Hoewel het decor van de strijd tussen mens en machine kleinschaliger is dan in de meeste 'Computer Films' die volgden staat ook hier de toekomst van de mensheid op het spel, aangezien de missie van het ruimteschip (contact maken met een buitenaardse beschaving) een grote invloed op de menselijke ontwikkeling kan hebben. Bovendien vindt het conflict plaats in een volledig technologische omgeving, het ruimteschip, waarover HAL de controle heeft. Als de boordcomputer van het ruimteschip in de film wordt HAL geacht slechts ondersteuning voor de bemanning te zijn, maar hij blijkt meer macht te hebben gekregen dan goed is. Sterker nog, de bemanning weet niet wat het doel van hun missie is, want HAL is geprogrammeerd om hen hiervan op de hoogte te brengen zodra het schip Jupiter bereikt. Zodoende weet HAL meer dan de bemanning die hij dient en heeft hij van begin af aan de mensen in zijn omgeving in zijn macht, omdat hij hen overal kan zien of horen. Hierdoor vormt hij op den duur een serieuze bedreiging voor de crew. 
 
Als de communicatiesystemen van het schip defect lijken te zijn waarschuwt hij de astronauten, die echter geen mankement kunnen vinden. HAL verwijt hen 'It can only be attributable to human error', maar door te stellen dat hemzelf niets te verwijten valt toont HAL zelf ook 'human error': arrogantie. Als hij verneemt dat de astronauten hem willen deactiveren als het nodig lijkt, slaat zijn ijdelheid om in een besef van zelfbehoud, waarbij hij niet schuwt zich van de bemanning te ontdoen om zijn eigen bestaan te handhaven. Desondanks verliest hij het belang van de missie niet uit het oog, waarbij hij oordeelt dat hijzelf van grotere waarde is voor de missie dan de bemanning. Volgens deze redenatie zijn pogingen van de astronauten om HAL te deactiveren een gevaar voor de missie en is hij gerechtvaardigd om hen, hoe dan ook, te stoppen. Zoals de volgende dialoog (die halverwege de film plaatsvindt) aantoont ziet HAL zijn uitschakeling inderdaad als een gevaar voor deze belangrijke missie, die niet toevertrouwd kan worden aan de astronauten alleen (niet verbijsterend, gezien het feit dat de astronauten niet weten wat de missie is, en HAL wel):

Dave Bowman (astronaut): Open the pod bay doors, HAL.
HAL: I'm sorry Dave, I'm afraid I can't do that.
Bowman: What's the problem?
HAL: I think you know what the problem is just as well as I do.
Bowman: What are you talking about, HAL?
HAL: This mission is too important for me to allow you to jeopardize it.
Bowman: I don't know what you're talking about, HAL.
HAL: I know you and Frank were planning to disconnect me, and I'm afraid that's something I cannot allow to happen.
Bowman: Where the hell'd you get that idea, HAL?
HAL: Dave, although you took thorough precautions in the pod against my hearing you, I could see your lips move. [mijn nadruk]

Het probleem volgens HAL, zo impliceert deze dialoog, is niet hijzelf, maar de mens. De mens, geneigd tot 'human error' waar HAL zichzelf niet toe in staat acht, is een mogelijke bedreiging voor de missie. De achterdocht die de crew jegens hem blijkt te koesteren (maar die HAL oppikt dankzij zijn “oog”) en mogelijk zal omslaan in een poging hem te saboteren zorgt voor een breuk tussen de bemanning en HAL zelf. Hoewel HAL geprogrammeerd is de bemanning te ondersteunen heeft de missie voor hem prioriteit en is hij bereid de bemanning op te offeren als die een bedreiging voor hemzelf vormt, omdat hij meent dat hij voor de missie belangrijker is dan de bemanning.

Aangezien HAL vrijwel het hele schip bestuurt, kost het de overlevende astronaut de grootste moeite HAL uit te schakelen, maar hij slaagt tenminste. In dit opzicht wijkt 2001: A Space Odyssey af van latere 'Computer Films. De mens overwint de machine, terwijl dit in de opvolgers vaak niet het geval is (2001 schetst dan ook een minder pessimistisch toekomstbeeld dan de meeste andere films van de Tweede Golf). Opvallend aan HAL is dat de emotionele staten die hij doorloopt eigenlijk niet merkbaar zijn: emotioneel gedrag wordt aannemelijk door een verandering van toon, maar HAL's toon blijft gedurende de film onveranderlijk, monotoon en emotieloos. Zijn begrip van emoties blijkt uitsluitend uit het gedrag dat hij vertoont, zoals zelfbehoud bij bedreiging, angst bij zijn dood, etc. De nadruk ligt hier op negatieve emoties. Ondanks HAL's pogingen de bemanning te doden kan hem echter geen opzettelijk kwaadaardig gedrag toegeschreven worden. De combinatie van emoties en logica waarmee HAL bedeeld is leidt tot zijn arrogantie, wat op zichzelf weer leidt tot destructief gedrag.

Evenals HAL koesteren bijna alle computers in de sciencefictionfilms van de Tweede Golf geen opzettelijk kwaadaardige intenties – voor zover er überhaupt sprake is van besef van goed en kwaad – totdat zijzelf bedreigd worden door degenen die zij controleren. In tegenstelling tot HAL, die uiteindelijk zelfbehoud kiest boven het zorgen voor de bemanning (maar nog steeds met de missie in het achterhoofd), volgen deze computers boven alles hun programmering. De wetenschappers in de films menen doorgaans dat hun uitvinding een puur logische eigen wil heeft ontwikkeld wat ertoe leidt dat de computers een ander doel nastreven dan hen oorspronkelijk is opgedragen (en alleen in 2001: A Space Odyssey en Demon Seed is dit het geval). Het bezitten van een eigen wil, een persoonlijk karakter dat afwijkt van het geprogrammeerde karakter, is echter niet de staat die de meeste computers bereiken: het oorspronkelijke doel blijft gehandhaafd, maar de invulling hiervan wijkt af van de interpretatie die hun scheppers voor ogen hadden. Het doel van de computers is hoofdzakelijk het beschermen van en zorgen voor de mens (althans, de mensen die burgers zijn van de samenleving die hen gebouwd heeft) door zijn omgeving zo efficiënt mogelijk te controleren en te beschermen tegen de invloed van anderen (vijandige naties), waarop de computers het uitgangspunt ontwikkelen niet alleen de factoren om hem heen, maar ook de mensheid zelf te moeten controleren om de mens tegen diens eigen destructieve karakter te beschermen. 



 
Deze gedachtegang is zodoende de logische conclusie van de oorspronkelijke opdracht van de computers, die door hun scheppers en hun inferieure redenatie niet in zoverre was berekend. Vervolgens confronteren de nu onderworpen wetenschappers, doorgaans de protagonisten van de 'Computer Films', hun creaties met het concept van de menselijke aard, gedreven door emotie en gericht op zelfontplooiing in vrijheid. De computer, in een staat van zuivere logica, kan dit concept niet bevatten (maar wordt er vaak wel door gefascineerd), en slaat hun pleidooi af, wat leidt tot conflict – hetzij gewelddadig, hetzij geestelijk (de spreekwoordelijke 'clash of minds') – tussen mens en machine. Het verschil tussen de 'Computer Films' van de Tweede Golf met die van zowel eerdere als latere tijden is dat de computers in deze pessimistische periode vrijwel altijd overwinnen, waarop het lot van de mensheid in handen blijft van haar eigen creatie. 
 
De films die het verst gaan in het tonen van een samenleving geregeerd door computers – een technocratie in de volledige zin van het woord – is het handjevol films dat zich niet bezig houdt met het punt waarop een computer probeert de macht te grijpen, maar dat zich afspeelt in de toekomst waarin de computer al lange tijd heerst over de mensheid. Slechts twee films uit mijn corpus behoren tot deze categorie: Logan's Run en THX 1138. 15 In deze films wordt een maatschappij getoond waarin de mensheid zijn vrije identiteit verloren heeft door de totalitaire invloed van de computer die het collectief boven het individu stelt. Het individu is niet meer dan een vervangbaar radertje in het autoritaire systeem, met geen kennis van de wereld voor het bestaan van deze repressieve samenleving en daardoor amper behoefte tot ontsnappen aan deze onderdrukking. Hierdoor regeert de computer over de massa van deze willoze mensen, en overleeft de mensheid.16 Want net als in de minder radicale 'Computer Films' van de Tweede Golf zijn de computers die deze totalitaire systemen beheersen geprogrammeerd om voor de mensheid te zorgen en haar in leven te houden. In dit type films is deze opdracht des te noodzakelijker omdat de mensheid uitgedund is door de gevolgen van oorlog of overbevolking. Eveneens geven deze computers een andere interpretatie aan hun opdracht, met als gevolg dat de mens beperkt wordt in zijn vrijheid zodat de computers hun missie zo logisch en efficiënt mogelijk ten uitvoer kunnen brengen. 
 
Dit type films is zodoende het meest technofobisch en toont de mensheid als weinig meer dan hersenloze automaten die totaal afhankelijk zijn van de technologie die beslist over hun leven en dood. Michael Ryan en Douglas Kellner beschouwen zulke films daarom als conservatief en wantrouwend tegenover technologie. Het technocratische systeem wordt gezien als een bedreiging voor de natuurlijke sociale waarden in de samenleving. De films waarschuwen voor een exces aan technologische ontwikkeling dat een revolutie teweeg kan brengen die de sociale tradities in de maatschappij zal verwoesten:

'In the seventies, technology was frequently a metaphor for everything that threatened “natural” social arrangements, and the conservative values associated with nature were generally mobilized as antidotes to that threat.'17

De mens, zo beweren deze films volgens Ryan en Kellner, zal te sterk afhankelijk worden van technologie en zal niet kunnen overleven zonder. Daarom pleiten zij voor een terugkeer naar natuurlijke menselijke normen: niet voor niets voeren deze films individualistische protagonisten op die ontsnappen naar een natuurlijke omgeving die totaal verschilt van de technologische omgeving die zij gewend zijn, maar herkenbaar zijn voor het publiek.
In Logan's Run ontvlucht Logan de futuristische stad die haar inwoners doodt als zij dertig jaar worden. Hij komt terecht in een vervallen Washington DC waar hij geconfronteerd wordt met de natuurlijke, menselijke gang van zaken. Mensen horen niet door technologie gekweekt te worden, maar worden geboren en opgevoed door hun ouders, en kunnen leeftijden ver boven de dertig bereiken als zij in vrijheid leven. Ook THX ontsnapt aan zijn technocratie ver onder de grond en bereikt de bovenwereld, waar hij begroet wordt door de zon in een natuurlijke omgeving: zal hij overleven in deze, hem onbekende, wereld? De film eindigt hier en geeft zodoende geen antwoord op deze vraag, maar geeft hem duidelijk de vrijheid van keuze die hem altijd onthouden werd. Hij kan terugkeren naar de repressieve onderwereld, of hij kan in vrijheid in de bovenwereld blijven. Gezien de verschrikkingen van het ondergrondse systeem zal het publiek, voor wie de conservatieve boodschap bedoeld is, ongetwijfeld voor het laatste kiezen. 
 
Hoewel de methodes van de heersende computers te wensen laten, voldoen zij echter perfect aan de opdracht die zij volgen: behoud de mensheid. De conservatieve boodschap die deze films uitdragen propageert een systeem waarin traditionele waarden als persoonlijke vrijheid en individualiteit belangrijker zijn voor de mens dan een verzekerd bestaan in een onnatuurlijke technologische maatschappij waarin alles wat de mens nodig heeft voor hem gereed staat. THX 1138 biedt tenminste keuzevrijheid: blijf in de vertrouwde maar technocratische omgeving van de massa of probeer te overleven in een onbekende maar natuurlijke omgeving. THX ontsnapt de massa alleen, hij kan zijn eigen weg gaan, vrij van zijn medemens en vrij van technologie. Hier is sprake van individuele vrijheid. Logan's Run is radicaler en propageert vrijheid voor iedereen (dus collectieve individuele vrijheid) of helemaal geen vrijheid. Immers, Logan kan alleen vrij zijn, maar meent dat zijn vrijheid niet aan de andere mensen in de technocratie onthouden moet worden en keert terug naar de stad om zijn medemensen te bevrijden, of ze dat willen of niet. De film eindigt met de verwoesting van het dystopia dat haar inwoners alles biedt, een volstrekt hedonistisch systeem, zolang zij zich maar aan de regels houden. Deze maatschappij was conformistisch in de zin dat men zich moest schikken naar de regels, maar gaf eenieder de vrijheid tot zelfontplooiing: binnen dit systeem had men de vrijheid te kiezen voor levensstijlen die sinds de jaren zestig in opkomst waren (inclusief 'women's lib', homoseksualiteit en legalisering van drugs). De film predikt echter een terugkeer naar een samenleving waarin zulke keuzevrijheid teniet wordt gedaan ten bate van conformisme naar traditionele waarden als het gezin en het patriarchale systeem. Logan, als voorvechter van deze conservatieve boodschap, ontneemt door zijn vernietiging van de stad zijn medemensen de vrijheid tot kiezen en zorgt ervoor dat zij gedwongen worden om te moeten overleven in een natuurlijke omgeving die voor hen onbekend en mogelijk onwenselijk is. Zoals Frederick Pohl stelt:

[Logan] reaches his own termination and decides to try to escape. Unfortunately, there's nothing to escape to, except ruined and empty cities. He returns to civilization, tricks a great gaudy computer into blowing itself up and thus changes the future – to what, we are not told.18



Logan's Run stelt dat het beter is in een vrij maar onzeker bestaan te leiden in een natuurlijke omgeving dan alles te hebben wat je wilt in een hedonistische maar door technologie geregeerde collectieve maatschappij. De protagonist maakt deze beslissing voor een hele samenleving, ongeacht de wens van zijn medemensen die mogelijk een andere mening over deze maatschappij hebben. De boodschap van de film is zodoende reactionair en doet technologie af als een bedreiging van natuurlijke, traditionele waarden die afwijkende levensstijlen in de hand werkt, maar wenst tegelijk dat iedereen zich schikt naar een patriarchaal systeem waarin geen ruimte wordt gelaten voor ander gedachtegoed. Zodoende weerspreekt deze boodschap de individuele vrijheid (ten bate voor de samenleving als geheel) die zij propageert. Ook Ryan en Kellner zien dit in, en gebruiken het om de conservatieve constructies in dergelijke technofobische sciencefictionfilms te weerspreken, waarbij zij menen dat

the peculiar twist of this ideal of liberty […] is that it is a social theory that rejects the social […]. The choice of nature, as an alternative to technological collectivity, is thus appropriate, since nature is what is entirely nonsocial. What conservatives ultimately want is a ground of authority that will make inequalities that are in fact socially constructed seem natural.19

Logan's Run, als conservatieve, technofobische film spreekt van de dreiging van een technocratische samenleving waarin de natuurlijke sociale waarden verloren zijn gegaan door de excessieve technologische mogelijkheden. Echter, de waarden die gepropageerd worden waren nooit natuurlijk, het waren zelf sociale constructies. 
 
Als voorbeeld hiervoor gebruiken Ryan en Kellner de status van Jessica, Logans vrouwelijke metgezel: in de stad is zij gelijk aan Logan, want iedereen is in deze door computers geregeerde maatschappij gelijk. Ze is een vrouwelijke rebel die zich afzet tegen dit systeem en eraan probeert te ontsnappen. Met Logans hulp lukt dit en komen zij in de natuurlijke omgeving buiten de stad terecht, waar haar rebelse aard plaats maakt voor meegaand, zelfs onderdanig, gedrag ten opzichte van Logan, die een patriarchale rol op zich neemt en haar beschermt maar ook voor haar beslist.20 De film impliceert dat dit natuurlijk gedrag is, maar een dergelijk conservatieve houding ten opzichte van vrouwen is een sociale constructie, die in de jaren zeventig hevig onder vuur lag vanuit feministische hoek. Technologie kan dit soort constructies breken, en dit hoeft niet per se een negatieve ontwikkeling te zijn.

De technologische systemen in dit type 'Computer Films' lijken zuiver dystopisch, maar aangezien zij streven naar het behoud van de mensheid hebben zij positieve kanten, zoals een geborgen bestaan. Uiteraard leeft de mens een onvrij bestaan, maar het systeem zorgt voor het welzijn van haar burgers wat het deels goedaardig en gerechtvaardigd maakt.21 Hoewel de boodschap van deze films vrijheid in een natuurlijke omgeving verkiest boven geborgenheid in een technologische omgeving, is het niet onwaarschijnlijk dat de “perfecte” samenlevingen in deze films toch enige sympathie kunnen opwekken in een periode die getypeerd wordt door sociale onrust en onzekerheid.



1Jaws is een film die inhoudelijk weinig verschilt van de 'terrestrial creature' formule, met het verschil dat technologie geen rol speelde in de schepping van de haai en het conflict zich op beperkte schaal afspeelt. Hierom reken ik deze film niet tot dat subgenre. 'Terrestrial creature' films dienen hier niet verward te worden met 'creature features' in het algemeen, aangezien zij zich volgens mijn definitie bezighouden met wezens die geschapen dan wel ontwaakt zijn dankzij technologie, voornamelijk atoomenergie.
Brosnan ziet het succes van Jaws als een indicatie van de 'boom' in het sciencefictiongenre die hij opmerkt rond 1975 (Brosnan 1978: p. 239). Echter, de meeste sciencefictionfilms die rond deze tijd vervaardigd werden waren low budget producties, inclusief 'terrestrial creature' films die hun inspiratie wel uit Jaws haalden, maar verder weinig succesvol waren (zoals bovengenoemde films, of Empire of the Ants (USA: Bert I. Gordon, 1977); dergelijke films werden allen in de jaren na Jaws uitgebracht). Er is zodoende eerder sprake van een uitmelking van het genre door B-filmproducenten, vergelijkbaar met de situatie aan het eind van de Eerste Golf (zie Inleiding, p. 5), dan met een nieuwe opleving van het genre. Deze vond twee jaar later wel plaats, maar werd hoofdzakelijk veroorzaakt door Star Wars.
2Dean 1978: p. 36 / Brosnan 1978: p. 198
3Augarten, Stan. Bit by Bit: An Illustrated History of Computers. Londen: George Allen & Unwin, 1985: p. 284
4Kozlovic, Anton Karl. 'Technophobic themes in pre-1990 Computer Films.' Science as Culture, vol. 12, nr. 3 (September 2003): p. 342
5Anderson 1985: p. 13
6Desondanks was het in een enkel geval niet makkelijk om wetenschap en entertainment succesvol te combineren: als voorbeeld kan gedacht worden aan The Andromeda Strain die realistische wetenschappelijke representatie tot het uiterste dreef en daardoor niet altijd makkelijk te volgen was voor een doorsnee publiek.
7Augarten 1985: p. 267, 259
8Augarten 1985: p. 253, 261, 284
9Augarten 1985: p; 270, 273. Ondanks beschikbaarheid vanaf 1975 begon het verkoopcijfer van personal computers pas begin jaren tachtig explosief te stijgen (800.000 in 1983): Augarten 1985: p. 280
10Anderson 1985: p. 148
11Kozlovic 2003: p. 346
12Augarten 1985: p. 285
13Kozlovic 2003: p. 342
14Acousmêtre is een term van Michel Chion, die het begrip als volgt definieert: 'We may define it as neither inside nor outside of the image. It is not inside, because the image of the voice's source – the body, the mouth – is not included. Nor is it outside, since it is not clearly positioned offscreen […] and it is implicated in the action, constantly about to be part of it'. Chion, Michel. Audio-vision: sound on screen. New York: Columbia University Press, 1994: p. 129
15Door het hoge budget dat nodig was om een dergelijk futuristische technocratie te portretteren zijn er van dit type sciencefictionfilms weinig vervaardigd in deze periode.
16Het onderdrukken van de menselijke wil en vrijheid door technologie beperkt zich in het genre niet tot 'Computer Films', maar is ook terug te vinden in andere subgenres. Vergelijkbaar wordt in A Clockwork Orange menselijke wil ingedamd door techniek, waardoor de mens een automaat wordt die geen eigen keuzevrijheid kent maar wiens handelen geleid wordt door gedragsprocessen die de technologie in hem geprent heeft. Desser, David. ‘Race, space and class: the politics of cityscapes in science-fiction films’, in: Kuhn, Annette. Alien Zone II: the spaces of science fiction cinema. Londen: Verso, 1999: p. 90
17Ryan en Kellner 1988: p. 245. Ook: Ryan, Michael, Douglas Kellner. 'Technophobia', in: Kuhn, Annette. Alien Zone: Cultural Theory and Contemporary Science Fiction Cinema. Londen: Verso, 1990: p. 58.
18Pohl en Pohl IV, 1981: p. 241
19Ryan en Kellner 1990: p. 61
20Ryan en Kellner 1990: p. 60
21Anderson 1985: p. 27