Posts tonen met het label scientists. Alle posts tonen
Posts tonen met het label scientists. Alle posts tonen
zaterdag 10 oktober 2015
Today's Review: The Visit: An Alien Encounter
Some reviewing has been done again:
The Visit: An Alien Encounter - recensie
Aliens visiting our Earth: it can happen, you know?
This is without a doubt a very intriguing premise, but the end result leaves something to be desired. Blame it on the approach, stemming from the lack of archive material to cover, since The Visit: An Alien Encounter revolves around an event that hasn't happened yet and might not ever happen at all. Of course, some dramatization is required when there's little else to show but talking heads. Director Michael Madsen (not the American actor of the same name) opts for an enactment of a possible visit by extraterrestrials, but one that does not show said visitors so as to keep it a complete mystery what they look might like, since we are not likely to find out any time soon. The result is only one side of the visit in question is shown, and it's our own. Which fits the conclusion that whatever else, aliens arriving on our planet will first and foremost be a human affair.
First contact will change the way we look at ourselves. Whatever the visitors may look like - similar to humans or something far from it, something so devoid of human characteristics or even traits of other life forms that share our planet - they will place a mirror in front of us as to the questions of our expectations of the unknown, our control or lack thereof over the unknown, and the resulting dealing with the unknown in ways that are all too human. Fear, a very likely scenario, is a prime human condition Madsen addresses, which is why the governments that prepare for 'The Visit' would hope to keep it a quite affair, rather than a public one, considering the ways the public responds are more than likely to be far from calm and orderly. But however controlled those governments plan to keep things, there's so many possibilities provided by our complete lack of knowing what's coming (or what is not coming at all) that control itself is ever an illusion.
What's left out of the equation is wonder. Most of the scientists interviewed for this film are so busy delving into the ramifications of the visitors' arrival for humankind that they don't tend to pause and wonder over the eventual happening itself. The very fact that this may actually come to pass, in the distant or even close future. You can't really blame them, as they're sitting opposite a camera, addressing the audience as if they were the visitor and are asked to state the first questions regarding their field expertise that enter their minds considering the subject. And then they turn out the dutiful experts indeed. Though it makes for a scientifically intriguing and philosophically appropriate film, it's not the most inspiring one. Madsen hopes to hold off any stale science talk and lack of pace by adding a bit of action in a recreation of The Visit, complete with frightened mobs and charging soldiers, but his stylistic choices of extreme slow motion give it all an overly sensational and exaggerated feeling. Once again, blame it on the absence of actual extraterrestrials to point the camera at.
The Visit: An Alien Encounter is an ambitious and fascinating documentary on paper, but in actuality can't hold off moments of feeling tedious. Nevertheless, the point is well made: if there's aliens coming, be prepared for everything. Some of our governments and scientists certainly are.
Labels:
aliens,
an alien encounter,
documentary,
first contact,
michael madsen,
moviescene,
philosophy,
science,
science fact,
science fiction,
scientists,
the visit,
the visit: an alien encounter
zaterdag 25 oktober 2014
Today's Article: 'It's a mad house!': de dystopische sciencefictionfilm 1968-1977, Part 9
Conclusie
In
de inleiding van Science
Fiction Films of the Seventies
stelt Craig Anderson dat
de jaren zeventig het 'coming
of age' van het
sciencefictiongenre inluidden.1
Hoewel Anderson de implicatie van deze opmerking niet bespreekt –
hij laat haar verder links liggen – is deze aanduiding heel
toepasselijk. Waar sciencefiction in de vijftiger jaren hoofdzakelijk
entertainment was met bij vlagen maatschappijkritische trekjes, waren
het de sciencefictionfilms van de Tweede Golf die maatschappijkritiek
tot een belangrijke doelstelling van het genre maakten, zonder
daarbij de factor vermaak uit het oog te verliezen. De meeste
sciencefictionfilms uit de vijftiger jaren gaven eigentijdse thema's
als nucleaire angsten en 'red
scare' hoofdzakelijk in
metaforen weer. Deze luchtige, soms kinderlijk speelse,
sciencefiction, waarin ondanks de omvang van de weergegeven
catastrofale problemen uiteindelijk alles goed kwam, werd in de
periode 1968-1977 vervangen door een kritischer variant. Deze nieuwe
sciencefictionfilms approprieerden specifieke thema's en angsten die
in de samenleving heersten en maakten hen bespreekbaar, zonder de
ernst van de problemen te reduceren tot een makkelijk oplosbaar,
zwart-wit conflict.
Herboren
in de ernst van 2001: A
Space Odyssey en
Planet of the Apes,
die aantoonden dat serieuze sciencefiction niet alleen geschikt was
voor ingewijden, werd de representatie van de pessimistische
tijdsgeest in het nieuwe type sciencefiction niet geschuwd. De
Westerse samenleving, hoofdzakelijk de Verenigde Staten, verkeerde in
een toestand van crisis. In de drang een serieuze boodschap te
hebben, zoals 2001
en Planet of the Apes
dat hadden, zag het genre geen reden om de verschillende factoren die
deze crisis vormden onbesproken te laten; de tijdsgeest was duister,
en het sciencefictiongenre daardoor niet minder. Door in te springen
op de actualiteit gaf het genre een hoeveelheid aan sociale thema's
weer, waarvan ik er hier “slechts” twee (inclusief 'subthema's')
in detail heb besproken. Sciencefiction had een missie: 'critical
dystopia' was het devies.
Het publiek werd geconfronteerd met toekomstige extrapolaties van
heersende negatieve thema's als milieuproblematiek, technofobie,
racisme en geweld, met als doel om te waarschuwen voor de mogelijke
dystopische effecten hiervan op de langere termijn als er niet tegen
opgetreden zou worden. Hoewel het “if
this goes on” type
sciencefiction hierbij de neiging had te overdrijven, maakte het de
aanwezigheid en intentie van de boodschap niet minder treffend: het
publiek moest ervoor waken dat de in deze films geschetste wereld
realiteit zou worden.2
'Het gaat misschien slecht met de wereld', stelde het genre, 'maar
als we het zo door laten gaan, gaat het alleen maar slechter, dus dat
moet voorkomen worden'. De toekomstbeelden in de sciencefictionfilms
van de jaren zeventig waren uitsluitend uitvergrotingen van het
pessimisme in de eigen tijd, en waarschuwden dat de oorzaken hiervan
nu bestreden moesten
worden. 'Fantasies of the future may [...] be ways of putting
quotation marks around the present', schrijven Ryan en Kellner, en
hoewel hun bespreking van dystopische samenlevingen te wensen
overliet, geef ik hen hierin gelijk.3
De
dystopische systemen in het sciencefictiongenre zijn de resultaten
van de imperfecties van het verleden, waardoor de mens van de
toekomst lijdt onder de fouten van het verleden. Desondanks, de mate
van lijden is relatief gebleken, afhankelijk van het thema dat
besproken werd. De dystopische systemen in technofobische films zijn
zowel afschrikwekkend in hun totale onderdrukking van het individu,
als verleidelijk dankzij hun geborgenheid en veiligheid (wat men node
miste in de zeventiger jaren). Deze dualiteit wijst op de aloude
dubbelzinnige rol van technologie; enerzijds is zij een brenger van
vrede en voorspoed, anderzijds de motor achter verwoesting. Het is
aan de mens te bepalen naar welke kant de weegschaal zal overhellen:
hijzelf, als schepper van technologie, bepaalt hoe zijn creatie
gebruikt zal worden, ten goede of ten kwade. In 'environmental
sciencefiction' is er daarentegen niets positiefs aan het
geportretteerde dystopia: het is een nare wereld die voor iedereen
met moeite uit te houden is en alleen maar minder leefbaar zal
worden, want de natuurlijk wereld heeft het onderspit gedolven. Ook
hier ligt de schuld bij de mens zelf, met als verschil dat het te
laat is om keuzes te maken: wat gedaan moet worden om het tij te
keren, had veel eerder moeten gebeuren. De mensheid kan nu slechts
afwachten.
Het
gaat te ver om te zeggen dat de filmstudio's die sciencefictionfilms
produceerden uitsluitend thematische diepgang in hun films
aanbrachten omwille van de boodschap voor het publiek. Financiële
belangen speelden, zoals altijd in de filmindustrie, een belangrijke
rol. Films die inhaakten op de actualiteit vielen immers op en
brachten winst in het laatje. Het is niet verrassend dat de markt
voor actuele pessimistische sciencefiction op den duur verzadigd
raakte, wat het succes van Star Wars en Close Encounters of
the Third Kind verklaart. Immers, deze films hadden geen
specifieke boodschap, maar keerden terug naar de sfeer van simpel,
optimistisch vermaak zonder de noodzaak zwaarmoedige thematiek te
bespreken.
Het
ongelijk van Joan Dean (p. 16) is praktisch bewezen: de
sciencefictionfilms uit de periode 1968-1977 zijn niet vergeten. De
Tweede Golf heeft haar sporen op de ontwikkeling van het genre
nagelaten. Meer dan tijdens de Eerste Golf heeft zij aangetoond hoe
het sciencefictiongenre de angsten en wensen van de tijdsgeest kan
reflecteren, hoe zij thema's bespreekbaar maakt en hoe zij
entertainment en boodschap kan combineren. Waar de films van de
Eerste Golf slechts een introductie gaven tot deze werkwijze maar
niet haar volle potentieel benutten, waren de films van de Tweede
Golf de pioniers die zich deze aanpak eigen hebben gemaakt. Sindsdien
is het goeddeels de standaard in het genre geworden: de boodschap en
de representatie van actuele thema's geeft sciencefictionfilms een
meerwaarde, die nu als gangbaar kan worden beschouwd. De werelden die
sciencefiction ons voorschotelt worden geacht een 'mad
house' te zijn.4
Bibliografie
Anderson,
Craig W. Science Fiction Films of the
Seventies. Jefferson: McFarland &
Company Inc., 1985: p. 1-164
Company Inc., 1985: p. 1-164
Appelbaum,
Sam, Gerald Mead. ‘Westworld:
fantasy and exploitation’, Jump Cut,
nr. 7
(1975): p. 12-13
(1975): p. 12-13
Augarten,
Stan. Bit
by Bit: An Illustrated History of Computers.
Londen: George Allen &
Unwin, 1985: p. 253-285
Unwin, 1985: p. 253-285
Baxter,
John. Science fiction in the cinema.
New York: A.S. Barnes & Co., 1970: p. 170-185
Brereton,
Pat. Hollywood Utopia: Ecology in
Contemporary American Cinema. Bristol:
Intellect Books, 2005: p. 12-34, 139-173
Intellect Books, 2005: p. 12-34, 139-173
Brosnan,
John. Future tense: the cinema of
science fiction. New York: St. Martin’s
Press
Inc., 1978: p. 164-244
Inc., 1978: p. 164-244
Brosnan,
John. Movie Magic: the Story of Special
Effects in the Cinema. Londen:
MacDonald, 1974: p. 176
MacDonald, 1974: p. 176
Chion,
Michel. Audio-vision: sound on screen. New York: Columbia
University Press, 1994:
p. 129-131
p. 129-131
Dean,
Joan F. 'Between 2001 and
Star Wars.'
Journal
of Popular Film and Television,
nr. 1
(1978): p. 32-41
(1978): p. 32-41
Desser,
David. ‘Race, space and class: the politics of cityscapes in
science-fiction films’, in:
Kuhn, Annette. Alien Zone II: the spaces of science fiction cinema. Londen: Verso, 1999: p.
75-95
Kuhn, Annette. Alien Zone II: the spaces of science fiction cinema. Londen: Verso, 1999: p.
75-95
De
Steiguer, J. E. The
Age of Environmentalism.
New York: McGraw-Hill, 1997: p. 1-41,
80-90, 128-138, 153-165
80-90, 128-138, 153-165
Ingram,
David. Green Screen: environmentalism and Hollywood cinema.
Exeter: University
of Exeter Press, 2000: p. 154-155, 179-182
of Exeter Press, 2000: p. 154-155, 179-182
Kozlovic,
Anton Karl. 'Technophobic themes in pre-1990 computer films.' Science
as
Culture, vol. 12, nr. 3 (September 2003): p. 341-373
Culture, vol. 12, nr. 3 (September 2003): p. 341-373
Matheson,
T.J. 'Marcuse,
Ellul, and the Science-Fiction Film: Negative Responses to
Technology', in: Science Fiction Studies, vol. 19, nr. 3 (november 1992), p. 326-339
Technology', in: Science Fiction Studies, vol. 19, nr. 3 (november 1992), p. 326-339
Nagl,
Manfred, David Clayton. ‘The Science Fiction Film in Historical
Perspective’, Science-
Fiction Studies, vol. 10, nr. 3 (1983): p. 262-277
Fiction Studies, vol. 10, nr. 3 (1983): p. 262-277
Pepper,
David. The
roots of modern environmentalism.
Worcester: Croom Helm Ltd., 1984:
p. 13-39
p. 13-39
Pohl,
Frederik, Frederik Pohl IV. Science fiction
studies in film. New York: Ace Books,
1981:
p. 155-24
p. 155-24
Rovin,
Jeff. From Jules Verne to Star Trek.
New York en Londen: Drake Publishers Inc.,
1977: p. 2-4, 8, 14-17, 53, 74, 84, 88-90, 96, 102, 112, 122-123, 130, 136
1977: p. 2-4, 8, 14-17, 53, 74, 84, 88-90, 96, 102, 112, 122-123, 130, 136
Ryan,
Michael, Douglas Kellner. Camera
Politica: the Politics and Ideology of
Contemporary Hollywood Film. Bloomington en Indianapolis: Indiana University Press,
1988: p. 244-265
Contemporary Hollywood Film. Bloomington en Indianapolis: Indiana University Press,
1988: p. 244-265
Ryan,
Michael, Douglas Kellner. ‘Technophobia’,
in: Kuhn, Annette. Alien Zone: Cultural
Theory and Contemporary Science Fiction Cinema. Londen: Verso, 1990: p. 58-65
Theory and Contemporary Science Fiction Cinema. Londen: Verso, 1990: p. 58-65
Sellors,
C. Paul. 'On the Impossibility of 'Once Upon a Time...' in
Rollerball.', in: Mendik,
Xavier, Graeme Harper (eds.) Unruly Pleasures: the Cult Film and its Critics. Guildford: FAB
Press, 2000: p. 45-59
Xavier, Graeme Harper (eds.) Unruly Pleasures: the Cult Film and its Critics. Guildford: FAB
Press, 2000: p. 45-59
Sobchack,
Vivian. ‘Cities of the edge of time: the urban science-fiction
film’, in: Kuhn,
Annette. Alien Zone II: the spaces of science fiction cinema. Londen: Verso, 1999: p.
123-143
Annette. Alien Zone II: the spaces of science fiction cinema. Londen: Verso, 1999: p.
123-143
Telotte,
J.P. Science
Fiction Film.
Cambridge: Cambridge University Press, 2001: p. 40-44,
100-104, 123-141
100-104, 123-141
Verheul,
Jaap. Dreams
of Paradise, Visions of Apocalypse: Utopia and Dystopia in
American Culture. Amsterdam: VU University Press, 2004: p. 1-9
American Culture. Amsterdam: VU University Press, 2004: p. 1-9
Corpus
Andromeda
Strain, The.
Reg. Robert Wise. Universal Pictures, 1971.
Barbarella.
Reg. Roger Vadim. Dino de Laurentiis Cinematografica, 1968.
Battle
for the Planet of the Apes. Reg. J. Lee Thompson.
Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1973.
Beneath
the Planet of the Apes. Reg. Ted Post. Twentieth
Century-Fox Film Corporation, 1970.
Boy
and His Dog, A. Reg. L. Q. Jones. LQ/JAF, 1975.
Clockwork
Orange, A. Reg. Stanley Kubrick. Warner Bros.
Pictures, 1971.
Colossus:
The Forbin Project. Reg. Joseph Sargent.
Universal Pictures, 1970.
Conquest
of the Planet of the Apes. Reg. J. Lee Thompson.
Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1972.
Dark
Star. Reg. John Carpenter. Jack H. Harris
Enterprises, 1974.
Death
Race 2000. Reg. Paul Bartel. New World Pictures,
1975.
Demon
Seed. Reg. Donald Cammell. Metro-Goldwyn-Mayer,
1977.
Escape
from the Planet of the Apes. Reg. Don Taylor.
Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1971.
Futureworld.
Reg. Richard T. Heffron. American International Pictures, 1976.
Journey
to the Far Side of the Sun. Reg. Robert
Parrish. Century 21 Television, 1969.
Logan’s
Run. Reg. Michael Anderson. Metro-Goldwyn-Mayer,
1976.
Man
Who Fell to Earth, The. Reg. Nicolas Roeg.
British Lion Film Corporation, 1976.
Moon
Zero Two. Reg. Roy Ward Baker. Hammer Film
Productions, 1969.
No
Blade of Grass. Reg. Cornel Wilde. Theodora
Productions, 1970.
Omega
Man, The. Reg. Boris Sagal. Warner Bros.
Pictures, 1971.
Planet
of the Apes. Reg. Franklin J. Schaffner.
Twentieth Century-Fox Film Corporation, 1968.
Rollerball.
Reg. Norman Jewison. Algonquin, 1975.
Silent
Running. Reg. Douglas Trumbull. Universal
Pictures, 1972.
Soylent
Green. Reg. Richard Fleischer.
Metro-Goldwyn-Mayer, 1973.
Stepford
Wives, The. Reg. Bryan Forbes. Palomar Pictures,
1975.
THX
1138. Reg. George Lucas. American Zoetrope, 1971.
2001:
A Space Odyssey. Reg. Stanley Kubrick.
Metro-Goldwyn-Mayer, 1968.
Westworld.
Reg. Michael Crichton. Metro-Goldwyn-Mayer, 1973.
Zardoz.
Reg. John Boorman. John Boorman Productions, 1974.
Z.P.G.
Reg. Michael Campus. Sagittarius Productions Inc., 1972.
1Anderson
1985: p. 11
2Anderson
1985: p. 28
3Ryan
en Kellner 1988: p. 254
4Voor
de goede orde, de titel van mijn scriptie, 'It's a mad house!'
is een quote afkomstig uit Planet of the Apes.
Labels:
article,
college,
conclusion,
dystopia,
dystopian,
environmentalism,
history,
it's a mad house!,
science,
science fiction,
scientists,
seventies,
technology,
technophobia
woensdag 3 september 2014
Today's Article: 'It's a mad house!': de dystopische sciencefictionfilm 1968-1977, Part 8
Paragraaf 3.3:
Casestudy Soylent Green
It
was a bit of a commercial risk to show the future as being grim and
depressing, but I don't think you can honestly show how wonderful
the future is going to be when you know how terrible it will be. You
hope that somebody will learn something when they see the film and
that they will say to themselves: 'My God, we can't let this
happen', and then do something about it. I think what we showed was
a very accurate extrapolation of our time because if we go on as
we're going that picture will come true.1
Richard
Fleischer overdrijft niet als hij het toekomstbeeld in Soylent
Green als 'grim and
depressing' omschrijft. Van alle 'environmental
science fiction films'
uit de jaren zeventig is Soylent
Green zonder meer het
meest pessimistisch. De film toont een geruïneerde wereld, waar de
natuur vrijwel verdwenen is, alle diersoorten uitgestorven, het
klimaat verpest, een groot gebrek aan basisbehoeften heerst en het
dieet van de mens bestaat uit gekleurde wafels gemaakt van sojabonen
en linzen ('Soy' voor 'soybeans', 'lent' voor 'lentils'), behalve
voor de rijken die via de zwarte markt de laatste voorraden “echt
voedsel” kunnen consumeren. In deze wereld, geportretteerd als een
eindeloze stad waar permanent een gele damp (smog) de straten
verziekt en een onafgebroken hittegolf regeert, zoekt detective Thorn
(Charlton Heston) naar de moordenaar van een rijke man genaamd
Simonson, waarbij hij op een complot stuit dat toont hoe diep de
mensheid gezonken is als resultaat van de exploitatie van het milieu.
De
film laat er geen twijfels over bestaan wat deze wereld gemaakt heeft
tot de hel die het geworden is. Soylent
Green opent met een
montage sequence
waarin in vogelvlucht de technologische ontwikkeling vanaf de
Industriële Revolutie in de negentiende eeuw tot aan het jaar 2022,
waarin het verhaal zich afspeelt, getoond wordt. Aanvankelijk toont
de montage hoopvolle beelden van vooruitgang en voorspoed die
technologie de mens heeft gegeven, zoals bruggen, de eerste treinen
en verhoogde productie in agricultuur (meer voedsel). Ondersteund
door aangename muziek verloopt de voortgang van deze positieve
beelden aanvankelijk in een kalm tempo, maar geleidelijk aan maakt de
hoop plaats voor wanhoop, als het beeldmateriaal zich richt op de
negatieve effecten van technologie, zoals voortdurende
verstedelijking, ontbossing en vervuiling door de afvalstoffen van de
industrie. Het tempo van zowel de muziek als de beelden wordt steeds
sneller en agressiever, als beeld na beeld ons de progressie in de
verwoesting van het milieu laat zien, wanneer de natuur door
overconsumptie moet wijken voor de groeiende mensenmassa. Waar het
beeldmateriaal eerst in ordelijk verloop beeld voor beeld wordt
getoond, wordt naarmate de montage
sequence vordert meer
gebruik gemaakt van splitscreen
en overlappende beelden, in een steeds sneller tempo zodat de
toeschouwer gebombardeerd wordt door een onoverzichtelijke wirwar van
negatieve beelden, gekoppeld aan één
gedachte: ongecontroleerde overbevolking dankzij technologische
ontwikkeling zal onze wereld verwoesten. Dit proces is al in
vergevorderde staat maar niet ten einde: het eindigt in de vorm van
de wereld die Soylent
Green ons voorschotelt,
vertelt de montage. Langzaamaan wordt de toon van beeld en muziek
weer rustiger, maar de beelden blijven negatief, wat duidt op de
impasse die de wereld in deze film bereikt heeft. Dode velden, enorme
rokende schoorstenen, uitgestrekte vuilnisbelten, mensen met
mondkapjes, en als laatste beeld een foto van de skyline
van New York onder dikke wolken rook en smog, met daarover de titel
van de film. De boodschap is duidelijk: de voordelen van technologie
leidden tot overbevolking, die op zichzelf de verwoesting van de
natuur en daarmee ons eigen leefmilieu tot gevolg had, resulterend in
een stervende wereld die niet veel verschilt van Paul Ehrlichs
deprimerende visie op de menselijke toekomst in The
Population Bomb. 'Kan de
mens hierin overleven?', vraagt deze opening aan het publiek. De film
die volgt zal deze vraag beantwoorden.
Soylent
Green
speelt
zich af in New York, waar in 2022 veertig miljoen mensen wonen.
Echter, dit is niet het New York dat wij kennen. De stad lijkt
oneindig, en de film speelt zich nooit buiten deze stedelijke
omgeving af. In zijn korte bespreking van Soylent
Green
gebruikt
David Ingram de term 'the
total city',
die hij verder helaas links laat liggen.2
Echter, deze term dekt de lading uitstekend. De stad in deze film is
'total':
hij lijkt oneindig, alsof na de vernietiging van de natuur de wereld
één
grote stad is geworden. Het is echter niet een kleurrijke metropool
zoals het New York van onze tijd met haar neonreclame en gele taxi's:
deze stad is grijs en grauw, bevolkt door mensen die alle levenslust
verloren hebben. De straten worden bevolkt door de arme massa,
dakloze mensen – zelfs in een stad zo groot als deze heeft niet
iedereen een dak boven zijn hoofd – die doelloos rondzwerven,
wachtend op de volgende publieke uitdeling van voedsel, in de hoop
dat zij een deel krijgen van de rantsoenen, die onvoldoende zijn om
deze massa te voeden.
Is er überhaupt nog een platteland,
een rurale omgeving buiten de stad? Er wordt wel melding gemaakt van
zulk land, velden waar het voedsel voor het overgrote deel van de
populatie, sojabonen en linzen, gekweekt worden. Voor stedelingen
(het grootste gedeelte van de mensheid) is dit land verboden terrein,
want 'good land has gotta be guarded'. De afwezigheid van dit land in
de film, en de inhoud van het complot dat Thorn ontdekt, impliceert
dat er niets 'goeds' is aan dit land, maar dat het een onvruchtbare
vlakte is geworden (een feit dat de overheid de bevolking onthoudt).
Het platteland is geenszins beter af dan de stad.
Toch
is er nog een klein beetje natuur overgebleven. Er is een 'tree
sanctuary' in New York.
Echter, zowel 'tree'
als 'sanctuary'
is hier een relatief begrip. 'Tree
sanctuary' is niet meer
dan een schamele hut met enkele dorre boompjes en struiken, een
magere reflectie van wat de natuur eens was: het gaat eigenlijk te
ver om van daadwerkelijke 'bomen' te spreken. Bovendien bevindt de
natuur zich 'indoor' en wordt zij bewaakt: het is niet meer
natuurlijk, maar is gereduceerd tot een 'commodity',
een 'sanctuary'
voor de rijken om zich aan dit zeldzame spektakel te vergapen, niet
gehinderd door de arme massa buiten. 'Tree
sanctuary' is slechts in
één
scène
te zien, waarin het complot tegen de protagonist door twee leden van
de corrupte rijke elite besproken wordt. Zo wordt 'tree
sanctuary' in een
context met de 'bad guys'
gebracht: de overgebleven natuur is gereduceerd tot een schouwspel,
een verzamelpunt voor diegenen die de waarheid over de oorsprong van
Soylent Green aan de bevolking willen onthouden, een verder misbruik
van de kleur groen die ooit symbool stond voor een pure natuurlijke
wereld, maar hier de leugen achter voedsel representeert.
Waar
draait het complot precies om? De film presenteert het antwoord op
deze vraag als een schokkende ontdekking, maar naarmate de film
vordert is het antwoord voor de oplettende kijker al gauw duidelijk:
Soylent Green, het voedsel waarvan geclaimd wordt dat het van
plankton is gemaakt, wordt vervaardigd uit mensen! In een wereld die
zo overbevolkt is dat bijna alle voedselbronnen opgemaakt zijn, is
het eten van andere mensen een logische conclusie, het
afschrikwekkende resultaat van de technologische ontwikkeling die de
mensheid aanvankelijk een hoopvolle wereld beloofde. Echter, het
ongecontroleerde gebruik van technologie, in de handen van
kapitalistische multinationals, heeft tot het tegenovergestelde
geleid. De voedselproductie is in handen van één
enkel bedrijf, de Soylent Company, waarvan de halve wereld
afhankelijk is voor voedsel. Door deze afhankelijkheid, en de
corruptie die het systeem domineert, heeft de Soylent Company in
feite totale macht. En nadat het bedrijf alle andere bronnen
opgemaakt heeft verkoopt het nu dode mensen als voedsel. Zoals David
Ingram stelt: 'monopoly capitalism has literally consumed the human
race itself'.3
In
dit dystopia, waar mensen tot voedsel verwerkt worden, heerst
grootschalige commodificatie van mensen. Thorn wordt bijgestaan in
zijn speurtocht naar de moordenaar van Simonson door Sol Roth, zijn
'book'.
'Books'
zijn onderzoekers die detectives assisteren met hun kennis.
Literatuur is een luxe: 'books'
hebben de plaats van echte boeken overgenomen in het politieapparaat
(zo niet daarbuiten). De term 'book'
benadrukt hoe mensen in de wereld van Soylent
Green
tot objecten gereduceerd worden: boeken zijn vervangen door mensen
wiens enige nut hun kennis is, zoals de oude Sol. Een ander geval van
'objectificatie' van mensen is nog treffender: 'furniture',
letterlijk vertaald 'meubilair'. In deze dystopische toekomst kunnen
aantrekkelijke vrouwen bij rijke mensen inwonen: in ruil voor een dak
boven hun hoofd en goed eten worden zij wettelijk gereduceerd tot
objecten of handelswaar. Dit is het geval met Shirl, Simonsons
maîtresse en de uiteindelijke 'love
interest'
van Thorn. Deze slavernij eindigt echter niet bij de dood van hun
gastheer: na Simonsons dood blijft Shirl in zijn appartement wonen,
als de volgende huurder haar wil hebben. Zo niet, dan staat ze op
straat. 'Furniture'
kan door rijke mensen vervangen worden als elk ander meubilair.
Zodoende is de 'objectificatie' van de mens totaal. Toch geeft het
contrast tussen het luxe leven van Shirl en het uitzichtloze leven op
straat aan dat het leven van 'furniture'
niet zo onaantrekkelijk is. Zelfs Thorn, de protagonist die als
moreel kompas voor het publiek dient, geeft geen oordeel over deze
slavernij, die normaal en geaccepteerd is in zijn wereld.4
Vergeleken
met de dakloze massa heeft ook Thorn het vrij goed. Hij deelt zijn
woning alleen met Sol terwijl in zijn flat grote groepen mensen in
het trappenhuis wonen. 'Wonen' is echter een overdreven term: het
enige wat deze mensen nog doen is 'leven'. De massa heeft geen huis,
geen inkomen, en is in het voortbestaan afhankelijk van de
voedselrantsoenen die de overheid op straat uitdeelt. De massa heeft
geen doel, behalve te wachten op wat komen gaat. Vivian Sobchack
noemt het New York in deze stad niet voor niets een concentratiekamp:
een plaats waar veel mensen dicht op elkaar wonen, zonder eigen
toekomst, behalve het lot dat de overheid voor ze bepaalt.5
Gesteld kan worden dat de bevolking alleen gevoerd wordt om gekweekt
te worden: hoe meer mensen op straat, hoe meer mensen er later tot
Soylent Green verwerkt kunnen worden. Soylent Green wordt vervolgens
weer aan deze massa uitgedeeld. Aan het eind van de film merkt Thorn
op 'They're making our food out of people. Next thing they'll be
breeding us like cattle for food!'. In feite is dit proces al gaande:
de doden worden verwerkt tot vleeswaar voor de levenden. Het is een
vicieuze cirkel, waarin de massa zichzelf verorbert om zichzelf in
leven te houden. De mens is een product geworden.
De
film voorspelt deze notie van de mens als vleeswaar al vroeg in de
film. Terwijl Simonson wordt vermoord doet Shirl boodschappen, en
koopt ze biefstuk op de zwarte markt. Dat ze dit illegaal doet
suggereert de schaduwkant van de situatie: er vindt crosscutting
plaats tussen deze scène
en de moord (ook een illegale activiteit), waardoor de film hint naar
het 'foute gevoel' achter deze vleeswaar. Het vlees is, zogezegd,
niet koosjer. Als Thorn vervolgens onderzoek verricht wordt de moord
omschreven in termen als 'butchered' en 'slaughtered', wat een
connectie oproept tussen vleeswaar en moord (op mensen). Dit verband
wordt bevestigd als blijkt dat menselijk voedsel van mensenresten is
gemaakt. Dit wordt echter geheim gehouden, waardoor de smaak van
illegaliteit aanwezig blijft. Het kannibalistische element wordt
zodoende voorspeld: de mens is gereduceerd tot vleeswaar en weet het
zelf niet. Het is een smerig geheim dat verborgen gehouden moet
worden voor het talloze “vee” dat op straat rondloopt, en niet
weet wat het boven het hoofd hangt. J.P. Telotte ziet in deze
situatie een metaforische representatie van de westerse samenleving
destijds (maar nu nog):
The
narrative's revelation that our disregard for the planet's fragile
ecological balance might produce a kind of secret cannibalism serves
as a metaphor for our current condition, one in which we are already
unwittingly in the process of destroying ourselves, consuming our
fellow humans to maintain some semblance of a status quo.6
Telotte
refereert hier waarschijnlijk (hij gaat verder niet in op deze
'metaphor for our current condition' dus hij zegt het niet als
zodanig) naar de relatie tussen de Eerste Wereld, waar voedsel in
overvloed is, en de Derde Wereld, waar hongersnood en ziekte heerst.
De Derde Wereld wordt door de Eerste Wereld uitgeknepen voor bronnen
en voedsel, terwijl het Westen vaak een oogje dichtknijpt om haar
positie en levensstandaard te behouden, ten koste van veel inwoners
van de ontwikkelingslanden. Zodanig is er sprake van 'consuming our
fellow humans'. Desondanks kan het verwoesten van de natuur in de
Derde Wereld op den duur ook nadelige consequenties voor de Eerste
Wereld hebben, iets wat niet voldoende erkend wordt om actie
hiertegen te ondernemen: dus, 'the process of destroying ourselves'.
Het verborgen kannibalisme in Soylent
Green is hiervoor een
metafoor, terwijl het dystopia in deze film bovendien het
eindresultaat van dit proces kan zijn.
De
mise-en-scène
ondersteunt de beklemmende atmosfeer van dit overbevolkte dystopia.
Zowel in de buitenscènes
als in de 'indoor' scènes wordt een claustrofobisch gevoel opgewekt
door de focus op drukte en het gebrek aan ruimte. Overdag zijn de
straten, en ook het shot, gevuld met mensenmassa's waarin het
individu, zelfs de protagonist, niet opvalt en verdwijnt. De
atmosfeer van New York, ooit een stad waar de architectonische pracht
der wolkenkrabbers aangaf dat het menselijk streven grenzeloos was,
wordt nu geregeerd door verstikking en verderf, wat symboliseert dat
de onbeperkte groei de natuurlijke grenzen overschreden heeft.7
's Nachts, ondanks de afwezigheid van mensen dankzij de avondklok, is
het benauwde gevoel niet minder door het gebrek aan licht in
combinatie met de enorme gebouwen die het shot vullen. De lucht
ontbreekt, het licht is schamel en de gebouwen lijken eindeloos: lege
ruimte is in de stad niet te vinden. Dit geldt ook voor de binnenkant
van de huizen: zowel 's nachts als overdag hangen hier grote groepen
mensen rond, en ontbreekt privacy. Thorn moet over de mensen heen
lopen om bij zijn kamer te komen. Ook Thorns woning is krap en
benauwd, door de slechte verlichting en de hoeveelheid spullen die
erin staat. Hij deelt zijn kamer met Sol, en als zij het shot delen
staan zij centerframe
omringd door kleine muren, veel meubilair en weinig licht. Een
benauwd gevoel domineert hun leefomgeving, maar toch zijn zij beter
af dan de massa buiten.
Een uitzondering op de regel vormt
Simonsons appartement, als representatie van het domein van de rijke
elite. Deze woning is ruim, luxueus en goed verlicht: het beklemmende
gevoel dat Thorns appartement typeert ontbreekt hier, hoofdzakelijk
doordat de kleur wit de kamer domineert en zo het gevoel geeft van
een onafgebroken ruimte, want muren en andere afbakeningen vallen
niet op. Zelfs als Shirl haar vriendinnen in deze kamer uitnodigt
blijft het contrast bestaan: het appartement heeft nog steeds een
ruim gevoel ook al is de kamer gevuld met mensen, in contrast met
Thorns woning, die bewoond door twee mensen al een krap gevoel
opwekt. Simonsons woning is gedecoreerd met kunstvoorwerpen in
allerlei verschillende kleuren, die op een afstand van elkaar staan
waardoor het gevoel van ruimte versterkt wordt, in tegenstelling tot
Thorns huis waar diens spullen dicht op elkaar gepakt staan en kleur
goeddeels ontbreekt door gebrek aan licht. De nadruk op de kleuren in
Simonsons woning vormt een contrast met de rest van deze wereld,
waarin kleur grotendeels afwezig is.
Afgezien van de scènes in Simonsons
woning is het kleurenpalet van de film haast kleurloos: deze wereld
is grijs en grauw door de eindeloze verstedelijking en het gebrek aan
natuur. Kleur is echter niet afwezig. Overdag overheerst gele smog de
straten: het is echter geen puur geel, maar een troebele, ziekelijke
variant die de mensenmassa overdekt en het gevoel geeft van een
stervende wereld. De rijke elite heeft wel toegang tot een breed
spectrum aan kleur, zoals Simonsons woning aantoont, ook al is dit
elitaire palet niet overdadig, want wit domineert in Simonsons kamer.
Als detective is Thorn in staat te “plunderen”: na Simonsons dood
ontfermt Thorn zich over diens luxe goederen (zolang hij dit met zijn
commissaris deelt is het volstrekt legaal, want de maatschappij is
volslagen corrupt). Thorn neemt zijn geroofde waar mee naar huis:
zeep, biefstuk, een appel. Zelfs deze schamele resten van de rijke
elite zorgen voor kleur in Thorns povere huis. De inbreuk van deze
nieuwe kleuren op zijn benauwde donkere woning duidt hier Thorns
parasitaire verhouding tot de rijke elite aan: door de dood van een
rijke man kan Thorn wat kleur in zijn huis introduceren.
Het
is ironisch dat in deze grauwe stedelijke wereld de felgroene wafels
Soylent Green voor kleur zorgen. De kleur groen is bijna volledig
afwezig in de film (afgezien van 'tree
sanctuary', waar groen
echter niet zo overheerst als in de natuur vandaag de dag): hoe kan
het ook anders in een wereld waarin de natuur voor verregaande
verstedelijking heeft moeten wijken? Echter, in de context van
voedsel houdt groen in de vorm van Soylent Green een associatie met
het natuurlijke, als ecologische kleur. De overheid beweert dat het
een natuurlijke bron heeft, plankton. Het is echter gemaakt van
mensen, maar desondanks een natuurlijk product. In een wereld waarin
alle andere levensvormen het veld hebben moeten ruimen zijn mensen de
enige overgebleven natuur. Tegelijkertijd is Soylent Green ook
cultuur: gemaakt door mensen van mensen voor mensen. Nu de hele
natuur opgeofferd is aan de expansie van de menselijke cultuur, moet
ook de mens zelf eraan geloven, omdat er geen andere voedingsbron
meer bestaat. De mens vervalt tot kannibalisme, een barbaarse maar
noodzakelijke overlevingsstrategie. Het is het begin van het einde
voor het menselijk systeem, als mensen alleen nog zullen dienen om
door andere mensen gegeten te worden. Het verlies van de natuur zal
zo het failliet van de menselijke samenleving betekenen.
Sol is het enige personage in de film
dat zich herinnert hoe de wereld eruit zag voordat overbevolking de
overhand over de natuur kreeg. Zodoende representeert Sol de
toeschouwer, die de wereld van voor dit dystopia kent en met lede
ogen aanziet hoe slecht de mens er aan toe is. Zowel Sol als de
kijker weten wat de mensheid heeft verloren, in tegenstelling tot
Thorn die niets anders gewend is dan deze deprimerende levensstijl.
Sol probeert hem meerdere malen op de hoogte te brengen van dit
verlies, maar Thorn doet zijn verhalen af als het nostalgisch gebazel
van een oude man. Wanneer Thorn en Sol bijvoorbeeld genieten van het
voedsel dat Thorn in Simonsons appartement heeft gevonden,
converseren zij:
Sol:
I haven't eaten like this in years.
Thorn:
I never ate like this.
Sol:
And now you know what you've been missing. There was a world once,
you punk.
Thorn:
Yes, so you keep telling me.
Sol:
I was there, I can prove it.
Thorn:
I know, I know. When you were young, people were better.
Sol:
Oh, nuts! People were always rotten. But the world was beautiful.
Thorn negeert Sols opmerkingen. De
toeschouwer weet echter dat Sol gelijk heeft. In feite wijst Sol met
de vinger naar het publiek: de schuld voor de staat van de wereld
ligt volgens Sol volledig bij de mens die leefde in een leefbare
wereld die bood wat de mens nodig had, zoals in de jaren zeventig.
Eerder merkte Sol al op 'You know, when I was a kid, food was food.
Before our scientific magicians poisoned the water, polluted the
soil, decimated plant and animal life. Why, in my day, you could buy
meat anywhere!' Een natuurlijk bestaan was niet genoeg, de mens
creëerde voor comfort en gemakzucht een technologische omgeving en
offerde hiervoor de natuur op, waarbij hij tegelijkertijd zijn eigen
milieu verziekte. De mens was niet tevreden met de gezonde, mooie
wereld die hij had; in 2022 is het menselijk leven daarom niet
comfortabel zoals technologie beloofde, maar een hard en voor velen
zinloos bestaan. Bovendien is dit de norm geworden: overleven is voor
niemand makkelijk, behalve voor de rijke elite. In deze toekomst is
de afwezigheid van de natuur zo geaccepteerd geworden dat de mens
zijn huidige miserabele conditie als natuurlijk is gaan beschouwen.
Dit is een schrijnend punt dat de film aankaart en waar de kijker
vergelijkingen met zijn eigen leven moet trekken, als waarschuwing.
Wat ooit alledaags was, zoals normaal eten en een gezond milieu, is
bijzonder geworden, terwijl euthanasie en slavernij nu alledaags en
geaccepteerd zijn. Alleen de oudere generatie realiseert zich ten
volle hoe diep de mensheid gezonken is, maar deze generatie zal
spoedig verdwijnen.
Zo
verdwijnt ook Sol, die deze eerdere generatie representeert. Als hij
de waarheid over Soylent Green bevat, is hij zo geschokt dat hij naar
een euthanasie-kliniek gaat, want, stelt hij, 'he has lived too
long'. Euthanasie is in deze pessimistische toekomst normaal: mensen
die niet meer willen lijden laten hun leven beëindigen (om
vervolgens gerecycled te worden door de Soylent Company). Paradoxaal
genoeg is hun leven in hun laatste momenten het meest de moeite
waard. Terwijl ze sterven krijgen ze hun favoriete muziek te horen en
kamerbreed beeldmateriaal naar eigen keuze te zien. Sol kiest voor
beelden van de vergane natuur: eindeloze bloemenvelden, vissen in een
koraalrif, een zonsondergang. Deze beelden worden vergezeld door
Beethovens Zesde Symfonie, de 'Pastorale'. De keuze voor een
muziekstuk met deze titel is uiteraard niet toevallig: het
ondersteunt de notie van een wereld zonder natuur waarin schoonheid
is verdwenen. Sols sterfscène
is een kleurrijk schouwspel, schitterend qua zowel beeld als geluid.
Het vormt een scherp contrast met de rest van de film die verstokt
blijft van dergelijke pracht, zodat deze scène
emotionele meerwaarde krijgt: hij geeft aan hoe hard de wereld erop
achteruit is gegaan dankzij het verlies van de natuur.
Voor
de hedendaagse toeschouwer is dit beeld niet zo opmerkelijk: het is
herkenbaar beeldmateriaal, want in onze tijd is deze schoonheid nog
voor handen. Dit is precies de boodschap: de hebzucht van de mens in
de huidige tijd kan ervoor zorgen dat deze pracht verloren zal gaan.
Het publiek dient zich te realiseren dat deze natuurlijke wonderen
voor volgende generaties behouden moeten worden. Anders worden de
mensen zoals Thorn, onwetend van en onbekommerd over het verlies van
de natuur. Thorn dringt het euthanasiecentrum binnen en ziet de
beelden die Sol uitgekozen heeft. In volslagen verbazing over de
vroegere schoonheid van de wereld barst hij in tranen uit en stamelt
'How could I know? How could I ever imagine?!'.8
De kennis van de verloren schoonheid van de wereld wordt in deze
scène
overgedragen op een nieuwe generatie, als Sol sterft en zijn
doodsritueel de ogen van Thorn opent.9
Desondanks laat film er geen twijfel over bestaan: volgende
generaties moeten niet zo worden als Thorn, zij moeten opgroeien met
kennis van en respect voor de natuurlijke wereld. Zoals Richard
Fleischer in zijn citaat hierboven aangaf wordt de kijker aangespoord
om deze duistere toekomst te voorkomen, en het behoud van de natuur
voor volgende generaties is een methode om dit doel te bereiken.
Biedt
Soylent Green
zodoende hoop voor de toekomst? Zoals in de vorige paragraaf
besproken werd is hoop in 'environmental
science fiction' zeer
betrekkelijk, en deze film is hierop geen uitzondering. Thorn ontdekt
weliswaar de waarheid over Soylent Green maar raakt vervolgens gewond
in een gevecht met bewakers van de Soylent Company. Als hij wordt
afgevoerd door agenten van zijn corrupte overste, commissaris
Hatcher, vertelt hij hem de waarheid. Hatcher is echter in dienst van
de overheid en bezwoer Thorn eerder Simonsons zaak te laten vallen
wegens orders van hogerhand. Hatcher is geen betrouwbaar personage en
het lijkt onwaarschijnlijk dat hij de waarheid over Soylent Green zal
doorvertellen, want de Soylent Company en de overheid werken samen om
de bevolking het schokkende geheim te onthouden. Als hij wordt
weggedragen schreeuwt Thorn de waarheid naar omstanders: 'Soylent
Green is people!'. Thorn kom echter over als een bezetene, iemand die
ijlt onder zijn verwondingen. Het lijkt onwaarschijnlijk dat hij
geloofd zal worden.
Soylent
Green
wekt de indruk dat ondanks het leerproces en de inspanningen van de
protagonist de situatie alleen nog maar verder achteruit zal gaan en
de wereld op zijn einde loopt, met de ondergang van de mensheid
slechts om de hoek, letterlijk maar ook moreel. De montage
sequence
waarmee de film opende impliceerde al dat het proces van
achteruitgang niet gestopt werd, en dat overbevolking en vervuiling
ongestoord voort konden duren, wat leidde tot het dystopia in de
film. Diegenen met kennis van de wereld zoals zij ooit was, in de
persoon van Sol, verdwijnen. Diegenen die beseffen hoe dramatisch de
situatie is en er tegen optreden worden tegengewerkt en gedood door
de overheid, zoals Simonson en uiteindelijk Thorn zelf. Bovendien,
aangezien al het andere voedsel opraakt, is Soylent Green de enige
voedselbron. De film impliceert dat er verder niets is dan de
oneindige overbevolkte stad waarin de film plaats vindt. Hoe kan
Thorn deze wereld überhaupt nog verbeteren?10
Sterker nog, als de bittere waarheid bekend zou worden, zouden mensen
weigeren Soylent Green te eten als er geen ander voedsel meer
beschikbaar is?
De
situatie die Soylent
Green ons
voorschotelt is uitzichtloos. Evenals andere 'environmental
science fiction' toont
Soylent Green een
'critical dystopia'
waarin de hoop van de mens lang vervlogen is. De mens heeft in het
verleden niet hard genoeg opgetreden tegen overbevolking, waardoor de
levensstandaard in de toekomst steeds lager is geworden en de
menselijke beschaving op haar laatste benen staat. Deze toekomst
móeten we proberen te ontwijken, zeggen Soylent
Green en
soortgelijke films, en daarvoor moeten we in het heden actie
ondernemen. Hoewel zulke films zich niet puur en alleen richten op de
boodschap maar ook ter vermaak dienen, bieden zij het publiek van de
jaren zeventig, dat in de media meer en meer geconfronteerd werd met
de staat van het milieu en de roep om actie, op zijn minst stof tot
nadenken.
1Richard
Fleischer, regisseur van Soylent Green, geciteerd in Brosnan 1978:
p. 209
2Ingram
2000: p. 154
3Ingram
2000: p. 154. Vergelijkbaar noemen Ryan en Kellner Soylent Green
als voorbeeld in hun bespreking van 'populist
fears […] of large corporations', Ryan en Kellner 1988: p. 255
4Brereton
2005: p. 168
5Sobchack, Vivian.
‘Cities of the edge of time: the urban science-fiction film’, in:
Kuhn, Annette. Alien Zone II: the spaces
of science fiction cinema. Londen:
Verso, 1999: p. 134
6Telotte
2001: p. 104
7Sobchack
1999: p. 133
8Een
punt van kritiek op deze film is dat, dankzij Charlton Hestons
leeftijd, het eigenlijk ongeloofwaardig is dat Thorn niet bekend is
met de beelden die hij ziet in Sols sterfscène.
Heston was 49 jaar oud toen Soylent
Green uitkwam,
en de film speelt zich af in 2022: volgens dit schema zou Thorn dus
rond 1973 geboren moeten zijn, wat (niet toevallig) het jaar is dat
de film uitkwam. Ondanks de vele milieuproblemen die in de jaren
zeventig aanwezig waren is het onwaarschijnlijk dat deze problemen
en de overbevolking de wereld in zo'n korte tijd zouden verpesten
dat Thorn geen benul heeft van de vroegere wereld waar Sol over
spreekt. Het zou geloofwaardiger zijn als het doemscenario verder in
de toekomst was geplaatst. Desondanks wordt de impact van de
boodschap van Soylent
Green niet
ondermijnd. Immers, de film is (zoals de meeste sciencefictionfilms)
een uitvergroting van destijds heersende maatschappelijke angsten
over het milieu, en niet per se een accurate weergave van de
toekomst.
9Brereton
2005: p. 170
10Ingram
2000: p. 155
maandag 18 augustus 2014
Today's Article: 'It's a mad house!': de dystopische sciencefictionfilm 1968-1977, Part 7
Paragraaf 3.2: Milieuproblematiek
in het sciencefictiongenre
In
tegenstelling tot in het geval van technofobie was er voor de jaren
zeventig nooit sprake geweest van expliciete weergave van
milieuproblematiek in het sciencefictiongenre. Immers, zoals de
vorige paragraaf aangaf werd de staat van en het menselijk effect op
het milieu pas in de jaren zestig een concreet maatschappelijk issue.
Uiteraard werd in sciencefictionfilms van voor deze periode wel
conflict tussen mens en natuur getoond, waarbij het 'terrestrial
creature'
subgenre als beste voorbeeld kan dienen (zie p. 25): in dit genre
wreekt de natuur zich op de mens die met zijn verwoestende
uitvindingen (de atoombom) de natuur vernietigt en daardoor ook
zichzelf schade berokkent. Echter, de mens overwint de natuur
vervolgens, vaak dankzij verwante atoomenergie, waarmee de films
aangeven dat de mens een duale verhouding heeft met zijn technologie:
enerzijds kan technologische ontwikkeling de mens schaden, maar
tegelijkertijd dient het de menselijke vooruitgang. Technologie helpt
de mens de natuur te ontstijgen, zodat de mens in zijn voortbestaan
niet meer van de natuur afhankelijk hoeft te zijn. 'Terrestrial
creature'
films zijn zowel een waarschuwing voor als een positieve bevestiging
van technologische ontwikkeling.1
De wrok van de natuur vormt voor de mens een antagonist die met
technologie overwonnen kan worden.
Deze
houding tegenover de natuur verdween grotendeels in het
sciencefictiongenre in de jaren zestig. Zoals eerder vermeldt, in de
periode 1968-1977 is het 'terrestrial
creature'
subgenre slechts in de marge van het genre aanwezig, terwijl het in
de jaren vijftig een prominent subgenre was. Met deze verschuiving in
het genre verandert ook de boodschap die sciencefictionfilms ten
opzichte van de natuur verkondigen: niet langer is de natuur een
antagonist. De boodschap draait niet meer om de strijd van de mens
tegen
de natuur, maar om de plaats die de mens in
de natuur inneemt.2
Als er al een strijd gestreden wordt in het genre, is het de strijd
van de mens met zichzelf om wat hij de natuur, en daarmee zijn eigen
bestaan, zijn leefmilieu, heeft aangedaan.
Want
voor dit thema geldt, evenals voor het thema technofobie, dat de mens
zelf de werkelijke boosdoener is. In verband met technofobie heeft de
mens zijn eigen noodlot over zich afgeroepen door machines te
ontwikkelen die zich tegen de mens keren. Ten opzichte van
milieuproblematiek is de mens de schuldige omdat zijn kortzichtigheid
een onleefbare wereld heeft geschapen die hem dreigt de das om te
doen. De term 'schuldig' is in deze context extra van toepassing
omdat de mens direct, zonder tussenkomst van andere (buitenaardse)
intelligentie, de penibele situatie heeft veroorzaakt. Waar in het
vorige thema de mens op zijn minst onwetendheid (hoewel niet per se
onschuld) kan worden verweten, omdat de intelligente machines die hij
vervaardigd heeft tegen zijn wens in het kwaad verrichtten, is dat
voor dit thema niet het geval. Van de verschillende thema's die in
deze scriptie behandeld worden is de term 'critical
dystopia'
hier het meest relevant: het dystopia dat 'environmental
science fiction'
toont geeft een kritische reflectie op de tijdsgeest van de
zeventiger jaren, waarin de milieuproblematiek bijna dagelijks in het
nieuws was, en geroepen werd om actie teneinde het milieu te
ontlasten. Door een beeld te schetsen van een toekomst waarin
destijds (lees: de jaren zeventig) geen of onvoldoende actie
ondernomen is, sporen de films de toeschouwer indirect aan om nu
actie te ondernemen om het tij op tijd te keren. Het op het milieu
gerichte deel van het sciencefictiongenre speelt zich in deze periode
uitsluitend af in de toekomst, variërend van de nabije toekomst (te
rekenen in decennia) tot de verre toekomst (te rekenen in eeuwen).
Hoe ver in de toekomst ook, het is te laat om de milieuproblematiek
nog effectief te bestrijden. Want de mens heeft zijn
verantwoordelijkheid ten opzichte van de wereld waarin hij leeft
vroeger (dus: in het heden) ondanks alle waarschuwingen verzuimt,
waardoor zijn leefomgeving, het milieu om hem heen, in deplorabele
staat kwam te verkeren, met als gevolg dat ook zijn eigen bestaan, in
de vorm van zijn afstammelingen, gevaar loopt. Dit is niet de
toekomst die we tegemoet willen gaan, dus laten we er nu wat aan
doen, stellen deze films.
Hoe
aanwezig was milieuproblematiek in het sciencefictiongenre in de
periode 1968-1977? In mijn corpus van 29 films houden elf films zich
bezig met milieuproblematiek, waarvan het voor vier films expliciet
het hoofdonderwerp is. Deze 'milieubewuste' films spelen zich af in
een maatschappij die stervende is dankzij het mismanagement van de
mens. De natuurlijke wereld verdwijnt of is al verdwenen (Silent
Running),
terwijl de menselijke samenleving instort door voedselschaarste en
anarchie (Soylent
Green,
No Blade of Grass
(USA: Cornel Wilde, 1970)). Zeven van de tien tonen een
post-apocalyptische wereld, waarin de mens zich staande probeert te
houden (Planet of
the Apes,
The Omega Man).
In deze films is het niet zozeer de natuur zelf die het moet
ontgelden, maar het menselijke leefmilieu: de mensheid is
overgeleverd aan de meest onverbiddelijke soort natuur die niet in
staat is een grootschalige populatie mensen in leven te houden.
Hierdoor zwerft de mens eenzaam rond in een verwoest landschap (A
Boy and His Dog),
of heeft hij zich verschanst in een kleinschalige maatschappij,
afgesloten van de (natuurlijke) buitenwereld (zoals de in Hoofdstuk 1
besproken technocratie, onder andere in Logan's
Run).
Hoewel de natuur in deze post-apocalyptische films vervormd is, is
milieuproblematiek slechts impliciet van belang: een verpest milieu
is een oorzaak van de status quo in deze films, alsmede een decor
waarin het verhaal zich afspeelt. In alle elf films is de miserabele
staat van de wereld echter de schuld van de mens. De natuurlijke
wereld treft geen blaam, maar is het slachtoffer van menselijke
verkrachting.
Hoe
heeft de mens het zover laten komen? In de vorige paragraaf stelde ik
dat drie belangrijke factoren een rol speelden in het gepubliceerde
werk over milieuproblematiek dat 'environmental
awareness'
verspreidde: overbevolking, schaarste en vervuiling. Deze drie
thema's spelen ook een rol in het sciencefictiongenre, waarbij de
nadruk ligt op overbevolking, die de andere twee factoren
veroorzaakt.3
Een vierde thema dat de sciencefictionfilms opvoeren in deze context
is oorlog, nucleair of biologisch/bacteriologisch. Het concept van
dit laatste type oorlogsvoering was nieuw voor het
sciencefictiongenre destijds, maar werd al snel even frequent ingezet
als nucleaire oorlogsvoering (bijvoorbeeld in The
Omega Man,
The
Andromeda Strain
en
No
Blade of Grass).4
Ook dit thema is ondergeschikt aan overbevolking: overbevolking leidt
tot schaarste, wat vervolgens weer leidt tot oorlog en de vervuiling
die dit met zich meebrengt.
In
alle gevallen kan eens te meer de vinger gewezen worden naar
technologie als oorzaak. Overbevolking is het resultaat van
technologische ontwikkeling die het leven van de mens er te
gemakkelijk op heeft gemaakt: de technologie heeft de mens zoveel
voordelen gebracht dat er een 'menselijk overschot' is ontstaan dat
de natuurlijke wereld niet meer kan handhaven.5
Natuurlijke bronnen worden onbezonnen opgemaakt waardoor er schaarste
ontstaat. Tegelijk slaagt technologie er niet in om de afvalstoffen
van de menselijke populatie (zwerfafval, chemisch afval, smog)
adequaat weg te werken, waardoor deze zowel de natuur als de mens
langzaam verstikken. Ook heeft de mens levensruimte nodig, en offert
zij de natuurlijke wereld hiervoor op (in de vorm van grootschalige
of complete ontbossing). Tot hier loopt de “historische
achtergrond” van de dystopia's in Soylent
Green,
Silent
Running
en Z.P.G.
In het post-apocalyptische gedeelte van de 'environmental
science fiction'
escaleert de situatie echter verder. Tussen naties ontstaan oorlogen
over levensruimte en bronnen waarbij nucleaire en bacteriologische
wapens (opnieuw technologie) niet geschuwd worden. Dit leidt tot het
einde van de menselijke beschaving, waarna de mens moet overleven in
een post-apocalyptische wereld, hetzij in een van de verwoeste
buitenwereld afgezonderde gemeenschap (zoals de technocratie in
Logan's
Run
en THX
1138),
hetzij in een dor, primitief landschap (Planet
of the Apes),
of in enkele gevallen allebei, waarna een conflict ontstaat tussen de
verschillende “typen overlevenden”, diegenen die zonder en
diegenen die met technologische hulp overleven (A
Boy and His Dog,
Zardoz).
De milieuproblematiek in het sciencefictiongenre kent een duidelijk
technofobisch aspect, maar de nadruk ligt op het probleem zelf, niet
op de technische mogelijkheden dit het probleem hebben doen ontstaan.
Bovendien geldt voor zowel milieuproblematiek als technofobie dat de
mens de oorzaak van beide is.
Evenals het geval was in de
besprekingen van de milieuproblematiek in de jaren zestig en zeventig
kent de sciencefictionfilm uit deze periode een dubbele moraal wat
betreft technologie. Enerzijds is het een feit dat technologische
ontwikkeling een oorzaak van milieuproblematiek is. Anderzijds kan
technologie helpen de situatie op te lossen. Wat deze laatste
opvatting betreft, het sciencefictiongenre gaat verder en suggereert
soms dat technologie beter voor de natuurlijke wereld kan zorgen dan
de mens zelf, en er meer respect voor heeft (voor zover machines het
begrip 'respect' doorgronden). Dit geldt voornamelijk voor
artificiële intelligentie, computers en robots.
Zo
weigert Proteus, de computer in Demon
Seed,
mee te werken aan een mijnbouwproject dat het ecosysteem in de zee
kan verwoesten, ook al is het de mens van dienst. Hij stelt:
I
refuse this program for the mining of the Earth's oceans. The
destruction of a 1000 billion sea creatures to satisfy man's
appetite for metal is insane. [...] I refuse to assist you in the
rape of the Earth.
Proteus
stelt menselijke welvaart niet boven het behoud van ecosysteem, in
tegenstelling tot zijn scheppers. Voor hem is zelfs plankton van
waarde, waarmee hij aangeeft een dieper respect voor het ecosysteem
te hebben dan de mens zelf. Vergelijkbaar dicteert Colossus, in zijn
monoloog aan de mensheid (zie paragraaf 2.4, p. 52-53): 'Under
my absolute authority, problems insoluble to you will be solved:
famine, overpopulation, disease'.
Om
deze problemen tegen te gaan is een gezond milieu nodig. Dit citaat
geeft aan dat Colossus de waarde van het milieu voor het welzijn van
de mens inziet en stappen zal ondernemen om de natuurlijke wereld te
onderhouden, onder andere door bevolkingsgroei te beheersen.
Computers, ondanks hun controle over het lot van de mens, hebben het
beste met het milieu voor.
Een
ander voorbeeld: het conflict tussen mensen over het lot van de
laatste vegetatie in Silent
Running
– beschermen, of vernietigen wegens kostenbesparing? – mondt uit
in de zelfopoffering van de protagonist die strijdt voor het behoud
van de laatste natuur, die aan boord van een ruimteschip is geplaatst
omdat er op Aarde geen ruimte meer voor was. Hij laat de tegenpartij
denken dat zijn schip, met hem en alle planten aan boord, vernietigd
is, maar in werkelijkheid stuurt hij de natuur de ruimte in, in
handen van 'drones',
kleine onderhoudsrobots. Deze krijgen van hem de opdracht om voor de
overgebleven Aardse planten te zorgen in de hoop dat de mensheid ze
ooit zal terugvinden wanneer zij inziet dat natuur wel degelijk van
belang is. Hoewel technologische ontwikkeling het milieu op Aarde de
das omdeed en de mens haar interesse in de natuur verloor, kan
technologie voor de natuur zorgen als de mens zelf het niet meer
doet, stelt Silent
Running.6
Wanneer
de mens heeft gefaald en de hulp van de machine inroept, neemt de
machine de verantwoordelijkheid voor het milieu over. Technologie an
sich
is niet het probleem en kan het milieu zelfs van dienst zijn, stelt
het genre. Overeenkomstig menen Ryan en Kellner dat 'technology […]
in itself is not, by nature, or ontologically evil, but is being
subject to changes in meaning according to context and use'.7
Een film als Silent
Running
die stelt dat technologische ontwikkeling de ondergang van de natuur
betekende maar benadrukt dat technologie ook positief gebruikt kan
worden voor milieubehoud is niet technofobisch, maar legt de schuld
puur bij de mens. Het is het menselijk misbruik van technologie dat
leidt tot de ondergang van het milieu en van de mens zelf. Geleid
door waarden als respect voor de natuur en milieubesef kunnen mensen
hiertegen optreden en vinden zij in technologie een bruikbare
bondgenoot.
Milieuproblematiek
is internationaal, zo stelde ik in de vorige paragraaf. Het milieu
houdt zich niet aan menselijke grenzen en moet mondiaal bestreden
worden. Het sciencefictiongenre reflecteert de 'internationaliteit'
van deze boodschap: de consequenties van de onmacht in het verleden
om milieuproblemen op te lossen, hebben de menselijke toekomst in
deze films als geheel getroffen. De meeste films (afgezonderd die
paar films wiens verhaal zich in de ruimte afspeelt) spelen zich
uiteraard wel af op nationaal niveau, het zijn immers nationale
(Amerikaanse of Britse) producties.8
Maar de problemen die de films in hun plot aankaarten zijn voor het
overgrote deel wereldwijd. De overgebleven natuurschoon in Silent
Running
is de laatste bestaande natuur: er is op de hele wereld geen natuur
meer over. Het virus dat gras doodt in No
Blade of Grass
is een pandemie: slechts in enkele regio's op Aarde is het nog niet
doorgedrongen, waardoor deze gebieden door hun overheid streng
bewaakt worden om hongerige immigranten uit de rest van de wereld
buiten te houden. De overbevolking en vervuiling in Soylent
Green
en Z.P.G.
zijn wereldwijd, evenals het post-apocalyptisch landschap in A
Boy and His Dog,
Zardoz
en
Logan's
Run
(afgezien van de afgesloten enclaves in deze films). De mens, stellen
deze films, weigert milieuproblematiek op de juiste schaal te
bestrijden, waarop het hele ecosysteem en vervolgens de hele mensheid
wereldwijd de prijs moet betalen. Dit 'internationale gevoel' van
milieuproblemen die wereldwijd zijn en ook zo bestreden moeten
worden, was nieuw voor het sciencefictiongenre.9
In de vijftiger jaren was het vooral Amerika dat bedreigd werd door
de natuur ('terrestrial
creatures'),
waarop zij vervolgens haar eigen boontjes dopte. Een dergelijke
tactiek was ontoereikend voor de problemen in de zeventiger jaren:
samenwerken of samen ten onder gaan luidt het devies.
Echter,
internationale samenwerking leidt niet noodzakelijkerwijs tot
oplossingen in de sciencefictionfilm van de jaren zeventig. Vergelijk
Colossus: The
Forbin Project:
in deze film wordt de wereld bedreigd door een gemeenschappelijke
vijand, waarna de VS en de Sovjet-Unie de handen ineen slaan om het
probleem op te lossen, en toch falen zij. Het is echter
bewonderenswaardig dat ze probeerden samen te werken: dit gebeurt
helaas niet bij milieuproblematiek, eveneens een gemeenschappelijke
vijand, maar dan een reële. Zonder internationale samenwerking is er
geen hoop: dit is een belangrijke boodschap voor milieuproblematiek
in de werkelijkheid, die in de 'critical
dystopias'
in het sciencefictiongenre juist door de afwezigheid van zulke
samenwerking en de nadruk op de 'internationaliteit' van de crises in
deze films onderstreept wordt. Deze films tonen ons een voorbeeld van
hoe het niet
moet, willen we ervoor waken dat zulke dystopia's bewaarheid zullen
worden.
Het
onvermogen om internationaal samen te werken wordt gespiegeld in de
post-apocalyptische 'environmental
science fiction',
waarin losse groepen mensen afzonderlijk overleven, als het ware in
aparte “naties”. In dergelijke films is er doorgaans een “natie”
die geavanceerder is dan de andere, een technologische enclave: deze
probeert de status quo voor het eigen voordeel zoveel mogelijk te
handhaven, ten koste van de minder ontwikkelde groepen. In Planet
of the Apes regeert
de primaat over de mens, die vervallen is tot dierlijke barbarij. In
de vruchtbare streken die niet verwoest zijn door oorlogen is
onvoldoende ruimte voor zowel apen als mensen, waardoor de laatsten
hardhandig opgejaagd worden (wat in Beneath
the Planet of the Apes
resulteert in onvervalste genocide).
In
Zardoz
zijn
de overlevende mensen onderverdeeld in drie groepen. De eerste groep
is de Brutals, verwilderde mensen die zo goed en zo kwaad proberen te
overleven. Ten tweede zijn er de Eternals, een afgesloten gemeenschap
van onsterfelijke maar steriele wetenschappers, die langzaamaan
bezwijkt onder de druk van de zinloosheid en verveling die
onsterfelijkheid met zich meebrengt. De derde groep is de
Exterminators, een groep wildemannen die door de Eternals gebruikt
wordt om Brutals te doden of in te zetten voor gedwongen landarbeid
(om voedsel voor de Eternals te verbouwen) zodat deze geen bedreiging
vormen voor hun eigen gemeenschap. De Eternals heersen over de
wereld, maar ondanks hun problemen weigeren ze oplossingen buiten de
eigen gemeenschap te zoeken, terwijl hun kennis gebruikt kan worden
om een betere wereld voor alle partijen te scheppen.
In
A Boy and His Dog
is de hele wereld een post-apocalyptische woestijn waar schamele
overlevenden zoeken naar brandstof, voedsel en vrouwen (de
overlevenden zijn hoofdzakelijk mannen, terwijl vrouwen tot minder
dan menselijk, producten als brandstof en voedsel, zijn gereduceerd).
Onder de grond ligt een stad genaamd 'Topeka', waar een meer
ontwikkelde beschaving heerst, gemodelleerd naar het Amerikaanse
'suburbia' van de vijftiger jaren. Ook deze enclave, althans haar
mannelijke inwoners, is steriel, waardoor af en toe mannen uit de
bovenwereld door vrouwen naar beneden gelokt worden om als zaaddonor
te dienen en vervolgens gedood worden. Een integratie van de boven-
en onderwereld is geen optie, aangezien beide partijen gemotiveerd
worden door eigenbelang en niet inzien dat samenwerking alle belangen
dient.
In alle gevallen kunnen de
verschillende groepen overlevenden niet samenwerken ondanks hun
gemeenschappelijke problemen, hoofdzakelijk omdat de geavanceerde
enclaves neerkijken op de andere groepen, als een punt van kritiek op
de Westerse houding (destijds, maar nu nog) op de Derde Wereld. De
onderontwikkelde “naties” zijn alleen goed voor exploitatie ten
bate van de heersende beschaving (die meestal met geweld afgedwongen
wordt): hun problemen, zelfs het recht op voedsel en overleven, is
geen punt van zorg van de ontwikkelde “naties”. Het feit dat
allen feitelijk hetzelfde doel nastreven, namelijk overleven in een
aangetaste wereld, wordt niet erkend: het is ieder voor zich met de
middelen die men tot beschikking heeft, en de geavanceerde enclaves
hebben nu eenmaal meer middelen. Samenwerking tussen deze “naties”
wordt niet als optie beschouwd, terwijl de problemen eigenlijk
gemeenschappelijk zijn. Bovendien ligt de sleutel tot overleven juist
in de vreedzame samenwerking tussen alle partijen, maar de ontkenning
hiervan leidt tot het handhaven van de problemen, of zelfs een
verslechtering van de situatie.
In
Beneath the Planet
of the Apes eindigt
het onvermogen van de apen om vreedzaam samen te leven met mensen in
de totale vernietiging van de Aarde. De Exterminators in Zardoz
kunnen de steriliteit van de Eternals opheffen, maar voor het zover
kan komen keren zij zich tegen hun meesters met als resultaat
massamoord op de Eternals. De hogere beschaving in A
Boy and His Dog
gebruikt de bovenwereldse mensen puur voor eigen doeleinden en doodt
ze als ze niet meer nodig zijn. Het echte probleem, de steriliteit,
wordt genegeerd: om het voorgoed op te lossen zouden de onder- en
bovenwereld geïntegreerd moeten worden, zodat de onderwereld niet
meer in haar voortbestaan bedreigd zal worden en de mensen uit de
bovenwereld toegang krijgen tot voedsel en bronnen. De
'internationaliteit' van alle problemen wordt in deze films niet
erkend, net zoals de internationale samenwerking om
milieuproblematiek tegen te gaan achterwege blijft. Deze films
stellen dat de geavanceerde Eerste Wereld weigert samen te werken met
de onderontwikkelde Derde Wereld waardoor de problemen blijven, of
allen uiteindelijk ten onder gaan.
Biedt
'environmental
science fiction'
überhaupt hoop, of schetst zij slechts een mogelijke miserabele
toekomst waarin alle hoop al vervlogen is en het enige wat gedaan kan
worden veel eerder – in de jaren zeventig – had moeten gebeuren?
In vrijwel alle gevallen is er tenminste enige hoop, hoewel het vaak
slechts om een schrale troost gaat. In alle sciencefictionfilms is
het onmogelijk voor het ecosysteem om volledig te herstellen, maar
een mogelijkheid wordt gevonden om de status quo iets minder
dystopisch te maken. Doorgaans weten de protagonisten anderen de
mogelijkheid te bieden om te ontsnappen aan hun leed, soms ten koste
van zichzelf.10
Desondanks is een hoopvol einde hier doorgaans een open einde: of het
de mens dankzij de nieuwe hoop goed zal verlopen wordt niet getoond,
het publiek kan er slechts naar gissen. Zo lukt het Logan om de
mensheid van de technocratie te bevrijden in Logan's
Run,
maar kan de mensheid zichzelf wel redden in de barre
post-apocalyptische wereld buiten de technocratie? In The
Omega Man
creëert de protagonist een geneesmiddel voor het virus dat bijna de
gehele mensheid heeft uitgeroeid en geeft hij het aan de laatste
overlevenden in de hoop dat zij een nieuwe samenleving kunnen
opbouwen, waarna hij gedood wordt door de mutanten die door dit virus
zijn geschapen. Of dit handjevol overlevenden zich inderdaad zal
handhaven in een wereld vol mutanten lijkt echter onwaarschijnlijk.
In Z.P.G.
slagen
de protagonisten erin te ontsnappen aan de overbevolkte maatschappij
waarin het krijgen van kinderen strafbaar is met de dood. Maar zij
kunnen de wereldwijde vervuiling niet ontvluchten, en gezien de
omvang van de overbevolking zullen zij zeker opnieuw met het
repressieve systeem in aanraking komen.11
Er is hoop, zegt het sciencefictiongenre, maar deze is altijd
betrekkelijk: de wereld zal nooit meer zo mooi en gezond worden als
zij was. Zelfs de technologie, waar de mensheid haar hoop op richt,
is niet capabel om de situatie terug te draaien, ze kan hoogstens
minieme verbetering aanbrengen. Als overbevolking en vervuiling al
bestreden kunnen worden, dan had dat in een veel eerder stadium
moeten gebeuren.
1Brereton
2005: p. 139
2Dit
is een ecocentrische boodschap. In het ecocentrisme draait het om de
plaats die de mens in het ecosysteem inneemt. Pepper 1984: p. 28.
Mensen onderscheiden zich van andere organismen doordat zij hun
omgeving aan de eigen behoeften aanpassen in plaats van zich aan te
passen aan hun omgeving. Een belangrijke vraag in de ecologie van de
zeventiger jaren was welke rol mensen met betrekking tot de natuur
moesten innemen: het bleek inmiddels duidelijk dat zij hun omgeving
niet eindeloos konden aanpassen. Ecocentrisme was zodoende een
prominent begrip in deze periode.
3Dean
duidt overbevolking aan als het meest dominante thema in het
sciencefictiongenre tussen 1970 en 1977, wat in de films leidt tot
het ontstaan van dystopische samenlevingen. Dean 1978: p. 37-38.
Gezien de hoeveelheid thema's en problemen (en de diversiteit aan
dystopia's) die het genre in de Tweede Golf bespreekt ben ik niet
van mening dat er zoiets is als een 'meest dominant thema', maar in
'environmental science fiction' is het inderdaad een frequent
gebruikt gegeven, wat aangeeft dat Dean niet per se ongelijk heeft.
4Brosnan
1978: p. 198
6Ingram,
David. Green Screen: environmentalism and Hollywood cinema.
Exeter: University of Exeter Press, 2000: p. 180-181
7Ryan
en Kellner 1990: p. 62
8De
enige internationale co-producties in mijn corpus zijn Barbarella
(FR/ITA: Roger Vadim, 1968), 2001: A Space Odyssey (UK/USA) en A
Clockwork Orange (UK/USA). Barbarella is een vreemde eend in de
bijt, aangezien het de enige film in mijn corpus is die niet
Amerikaans of Brits is (maar wel Engelstalig).
9Nagl,
Manfred, David Clayton. ‘The Science Fiction
Film in Historical Perspective’, Science-Fiction
Studies, vol. 10, nr. 3 (1983): p. 268
10Dergelijke
zelfopoffering vindt plaats in Silent Running, Beneath the
Planet of the Apes, Soylent Green en The Omega Man.
Opvallend is de hoofdrol van Charlton Heston in de laatste drie
films, als de protagonist die zich in het belang van de mensheid
opoffert. Het bleek een terugkerend motief in Hestons oeuvre.
11Z.P.G.
is direct geïnspireerd door het werk van Paul Ehrlich, The
Population Bomb (zie p. 56-57). De afkorting staat voor Zero
Population Growth, en duidt op de maatregelen die genomen moeten
worden om overbevolking tegen te gaan (in de film een verbod op
voortplanting). Zero Population Growth is ook de naam van een
organisatie waarvan Ehrlich medeoprichter was (gesticht in 1968,
bestaat tegenwoordig onder de naam Population Connection).
Het doel van deze organisatie is mensen voorlichting over de gevaren
van overbevolking te geven en te lobbyen voor een stabiele
wereldbevolking. In een geval als dit liet het sciencefictiongenre
zich direct inspireren door het actuele werk van ecologische
schrijvers.
Labels:
college,
dystopia,
environmental awareness,
environmentalism,
history,
it's a mad house!,
science,
science fiction,
scientists,
seventies,
silent running,
soylent green,
technology,
technophobia,
zardoz
Abonneren op:
Posts (Atom)











