Posts tonen met het label stop motion. Alle posts tonen
Posts tonen met het label stop motion. Alle posts tonen

zaterdag 7 januari 2017

5 films om naar uit te kijken in 2018

Nu dat ik mijn gebruikelijke oudejaarslijstjes voor 2016 heb gepost, krijg ik van alle kanten de vraag opgedrongen naar welke releases ik het meest uitkijk in 2017. Daar kan ik natuurlijk een antwoord op geven, wat ik ook een paar keer gedaan heb. Of ik kan de vraag vanaf nu lekker negeren en niet aan de verwachtingen voldoen, door een lijstje te maken van films in 2018 waar ik reikhalzend naar uitkijk. Hierbij doe ik het laatste. Wat ook een beetje dom is natuurlijk, want de vraag voor 2017 blijft zo bestaan. Ach, een beetje vooruit werken kan geen kwaad...



Han Solo Star Wars spin-off

Met Rogue One als mijn onbetwiste nummer één van 2016 ligt de Han Solo-solofilm (wat bekt dat toch lekker!) voor de hand. Tuurlijk heb ik hier zin in. Han Solo is de ultieme schavuit van het witte doek. Hoe vaak zagen we charme en moed enerzijds en hebzucht en hartenleed anderzijds zo treffend verenigd in één personage? En je krijgt er altijd gratis een wandelend vloerkleed getooid met een ammunitiegordel bij. What's not to like? Nou, nieuwe acteurs die die iconische rollen spelen bijvoorbeeld. Harrison Ford doe je niet zo maar dunnetjes over. Dat is ook het bezwaar dat ik heb tegen prequels/re-imaginings/spin-offs gecentreerd rond personen in plaats van gebeurtenissen. Je bent afhankelijk van personages die je al kent maar die zowel herbevestigd als heruitgevonden moeten worden, en dat is een gevaarlijke zaak. Willen we überhaupt wel meer van hun achtergrond weten, neemt dat niet weg van hun mystiek? Bad Han Begins? Han Solo's ontstaansrelaas boeit me eerlijk gezegd minder dan de geschiedenis rond de eerste missie van de Rebel Alliance, een stukje historie waarvan we de afloop al kennen, maar waarvan we verder amper iets afwisten. Bleek Rogue One toch goed voor een hoop intrigerende nieuwe personages, alsmede voor optredens van oude in kleine rollen die onze harten deden smelten van nostalgisch wederzien. Het valt te bezien of de nog titelloze avonturen van Young Han Solo even aangrijpend blijken.



 
Avengers: Infinity War

Die andere grote actie-franchise onder Disney's paraplu, het Marvel Cinematic Universe, kijkt juist vooruit, naar de toekomst. Ook hier tig oude personages (en legio nieuwe), maar in nieuwe situaties. 'Tig' behelst in dit geval volgens Marvelbons Kevin Feige maar liefst 67 personages. Ik vond de hoeveelheid figuren in Captain America: Civil War al wat veel van het goede... Desondanks, in het bronmateriaal, de Marvel Comics die ik al ruim twintig jaar verslind, werkt dit soort mega-crossovers vaak als een tierelier, dus ik gun ze het voordeel van de twijfel. Infinity War is bovendien de apotheose van het MCU, sinds in The Avengers de eerste tease naar super-superschurk Thanos plaatshad en er vervolgens in elke tweede Marvelfilm wel zo'n Infinity Stone de revue passeerde. Tijd om na tien jaar alle plotlijnen bijeen te brengen en het kookpunt dat steeds verder bereikt lijkt in het MCU eindelijk eens tot bedaren te brengen. Waarop Marvel vervolgens vast een nieuw tienjarenplan in de kast heeft liggen. Marvel Zombies of zo.




Isle of Dogs

Voor wie minder opheeft met al dat Hollywoodspektakel, ligt er in 2018 eindelijk weer een nieuwe Wes Anderson in het verschiet. Wes wie? Je weet wel, die briljante Amerikaanse indie-regisseur met zijn unieke visuele stijl, die narratief altijd zo geslaagd het midden houdt tussen tragedie en komedie en wiens films zo quintessentieel 'quirky' zijn (een treffende Nederlandse vertaling is nog niet voorhanden). Misschien wel mijn favoriete regisseur. In 2018 is het alweer vier jaar sinds zijn laatste, het briljante The Grand Budapest Hotel, dus het wordt wel weer eens tijd. (Tenzij je kunt leven met zuiver commercials van zijn hand in de tussentijd, die mij juist alleen maar naar meer doen smaken...) Stop motion bovendien, slechts zijn tweede film in dat format, na het briljante Fantastic Mr. Fox. Waar gaat het over? Iets met honden en Japan en meer weten we nog niet, maar de naam Wes Anderson is voor mij al ruim voldoende. Dat geldt ook voor de acteurs, want het lijkt tegenwoordig wel alsof er een wachtlijst is voor rollen in Wes Anderson films, zo graag wil iedereen met die man in zee gaan. Vaste partners Bill Murray, Edward Norton en Jeff Goldblum zijn opnieuw van de partij, terwijl dit keer ook Bryan Cranston, Scarlett Johansson en Tilda Swinton acte de présence geven. Als stemmetjes van stop motion honden, dat wel. Onder Anderson kan dat alleen maar tot briljante taferelen leiden.




Early Man

Over stop motion gesproken, 2018 zal een goed jaar worden voor die techniek, aangezien er ook een nieuwe Aardman op ons ligt te wachten. Je weet wel, die heerlijk Engelse animatiestudio van Wallace & Gromit en Shaun the Sheep. Dit keer geen vervolg op een prijzenwinnende short, maar een origineel concept. Over holbewoners die samenleven met dino's. Okee, zo origineel is dat concept niet - laat staan wetenschappelijk verantwoord! - maar het potentieel als de koddige versie van One Million Years B.C. is groot. De Britsheid blijft behouden met stemmenwerk van in ieder geval de heren Redmayne en Hiddleston. Hier kan simpelweg niets misgaan.




Jurassic World 2

En dan is er deze titel nog. Uiteraard de film waar ik, als Jurassic fanaat, het meest likkebaardend op zit te wachten. Nieuwe regisseur (want als je de kans geboden wordt om een Star Wars film te regisseren zeg je geen nee, zoals Colin Trevorrow) is de Spaanse J.A. Bayona, van wie ik nog niets aanschouwd heb (ligt aan mij, want hij heeft wel degelijk eerder films gemaakt). Dit keer geen park op een eiland, geen getrainde Raptors en geen mixklonen (of toch...?). In JW2 ligt de techniek voor het klonen van prehistorisch gespuis te grabbel, dus 'anything goes'. Chris Pratt (met gun) en Bryce Dallas Howard (met hoge hakken) mogen eens te meer aan de bak om het aantal verspilde mensenlevens te beperken. Aangezien iedereen het leuk vindt om te zien hoe dinosauriërs mensen opvreten, zullen ze daar niet geheel succesvol in zijn. Verder helaas nog weinig details. Rex & Raptors gegarandeerd. Hopelijk voor de afwisseling eens mét veren, zoals het hoort. Wordt uitgebracht een week vóór mijn verjaardag. Heel strategisch, Universal...


donderdag 26 maart 2015

Today's Review: Shaun the Sheep Movie



Another review up!:

Shaun het Schaap: de Film - recensie

A great stop motion film for the whole family this turned out to be. Would you have expected anything different from Aardman? I certainly didn't and I'm glad the finest stop motion studio in the world once again hit its mark. I'm ashamed to admit I've never seen any of the episodes from Shaun's own television show, so all I knew him from was his debut in the terrific original Wallace & Gromuit short A Close Shave (1995). It's amazing how little Shaun appears to have changed since we first met him 20 years ago. He looks largely the same, doesn't talk and is still the smartest sheep around. I like how Aardman sticks to its all too British roots and knows beter than to needlessly update their own characters to modern times. Both the studio's characters and its masterful level of craftsmanship and the quality that comes with it, remain a beacon of stability and tranquility in this troubled world of ours. And if that isn't enough to convince young and old alike to take the trip to theaters, the lack of dialogue which prohibits the usual exasperatingly obnoxious Dutch dubbing process is thrown in as a bonus. I just wish they could have dropped that annoying rap song that runs over the end credits. And yes, there's some bonus footage shown after those.

Now for Shaun's TV show. All 130 episodes... It's Aardman, so I don't mind at all!

zaterdag 28 december 2013

Today's Top-10: Dinosaur Movies




Wrote another Top-10 list (sort of) for MovieScene:

http://www.moviescene.nl/p/151798/historisch_tiental_dinosaurusfilms

I started this one as an intended 'companion piece' to my review for WWD 3D, before I had the actual displeasure of suffering that abysmal flick. Nevertheless, it now serves as a reminder to those who contemplate visiting that film in theaters, as well as to those that already have wasted 87 minutes of thier lives watching it, that there's plenty of good dinosaur movies in existence too. Why torture yourself with bland talking dinosaurs on the big screen if you can re-experience true tearjerking emotion in an all too similar plot at home with The Land Before Time? Why bother with talking dinosaurs at all, instead of seeing them fight cavemen and scantily clad ladies in Harryhausen's classic One Million Years B.C.? Or why not enjoy a movie that takes dinosaurs seriously while still delivering a solid suspenseful cinematic performance in that greatest of all dinosaur movies, Jurassic Park? Walking with Dinosaurs 3D may have been a true dud, but dinosaurs have survived bigger extinction events and will also recuperate from this severe blow to their image. And we still have Jurassic World to look forward to.

Incidentally, there was some editorial controversy about this particular Top-10 list of mine, as it didn't wholly fit the parameters. A true 'Top' list would rank these films from worst (10) to best (1) instead of in chronological order as I have done here, in an attempt to illustrate the evolution of the views of dinosaurs in cinema, as well as the techniques necessary to bring them to new life. It would have been jarring to read these ten expositionary pieces in another order, so I decided against that. Also, I think there's something inherently arrogant and egocentric about Top-10, since everybody is bound to have another opinion as to which one is best and which one is worst. So on MS, this article isn't called a 'Top-10', but a 'historical group of ten': who knows, it might inspire similar pieces from mine own hand or those of my fellow writers on the site and start a new category of article. Or it might prove to be soon an extinct form of arranging ten movies, because it was solely done for my personal convenience.


woensdag 8 mei 2013

In Memoriam: Ray Harryhausen (1920-2013)

Sad news reached MovieScene late last night and my blog today:

http://www.moviescene.nl/p/146913/ray_harryhausen_overleden

The greatest living legend of special effects lives no more, but the legend remains forever.



It's ironic to know that, even in this effects saturated age where audiences have been completely spoiled by an overabundance of computer generated imagery, there's very next to no effects pioneers whose names have become household terms to the realm of special effects in the same regard as 'Harryhausen' has become over the years. Truth is, Harryhausen was just one man responsible for some of the most memorable fantasy action sequences in film lore, whereas his contemporary fellow effects technicians remain a vast, faceless army of pixel pushing drones. Their work, though at times undeniably impressive, just lacks the utter charm and persona of Harryhausen's stop motion creatures that have thrilled and inspired audiences for decades, and will for many decades to follow. Though never truly realistic - which was not particularly the master's intent since he realized full well the limitations of stop motion photography and generally aimed for a dream like atmosphere to add to the feeling of fantasy - his creations always felt more alive than most of their later counterparts.

Harryhausen was always a guarantee for a thrill ride of a movie experience, and even though he only worked on sixteen theatrical movies in total from 1949 till 1981, they are sixteen of the finest Sci-Fi and fantasy pictures ever, really the Lord of the Rings and Jurassic Park equivalents of those days. Though I am saddened by his death (even though he lived to an appropriate old age), I am glad his work will survive him and will always be remembered with general enthusiasm, not so much because it has withstood the test of time but because it has surpassed the test of time, proving that true effects craftsmanship doesn't have to be photorealistic to make for mesmerizingly exciting action sequences and leave a lasting impression.


My only regret when it comes to Harryhausen? I should have went to that masterclass of him in 2005... Oh well, at least I got some autographs on my copies of The 7th Voyage of Sinbad and The Beast from 20,000 Fathoms. I should go and have myself a Harryhausen monster movie marathon now.

zaterdag 27 oktober 2012

Breathing new life into Tim Burton

Frankenweenie: ****/*****, or 8/10

Moviebuffs familiar with Tim Burton's oeuvre will probably remember how one of his earliest projects for Disney backfired on him, though it ended up setting him in the right direction for a very fruitful career. In 1984 Burton directed a 29 minute family film named Frankenweenie, an homage to the iconic original Frankenstein films from the Thirties, involving a boy who loses his beloved dog but revives him via electricity, to the shock of his neighbourhood. Though it was a simple horror story for all ages, Disney was dismayed and deemed the short film too disturbing and scary for its target audience, denying it a theatrical run (but for some reason still giving it a home video release). Burton was fired from the studio and looked for jobs elsewhere, soon setting himself on the right track as he directed a number of smash hits, including Batman (1990), Edward Scissorhands (1990) and Batman Returns (1992), eventually becoming a major player in Hollywood despite (or because) continuing to utilize his own unorthodox visual style and displaying his love for outcasts and their encounters with the bizarre. Leaving Disney may have been the best thing that ever happened to Burton, but it didn't stop him from revisiting the failure that basically started his career, remaking his own short into a theatrical movie in an even darker and more off-beat fashion 28 years later, but still for the same Walt Disney Studios that didn't think much of him or his work all those years ago. Apparently Burton's acclaimed career, plus an earlier cooperation between the pair when doing the highly successful Alice in Wonderland (2010), ensured Disney gave Burton the benefit of the doubt and the chance to bring Frankenweenie back to life in an even more spectacular way than the dog in the story is reanimated.


For despite the film now running 87 instead of only 29 minutes, surprisingly little has changed in terms of story. Warning! Spoilers! The protagonist is still a little boy named Victor Frankenstein, a nerdy and imaginative kid whose best buddy in the whole world is his dog, called Sparky (there's more than a little 'nomen est omen' in there somewhere I reckon). Together they do anything from just playing around on the streets to making home movies wherein the canine stars as a dinosaur slayer protecting cardboard cities from plastic monsters. Of course with hobbies like that, Victor isn't the most popular kid in school, but as long as he has Sparky, he doesn't mind. But soon, tragedy strikes and Sparky is fatally run over by a car and laid to rest, leaving an inconsolable Victor all alone, despite his parents' assurances Sparky moved on to a special place in his heart. However, when he learns of electricity and its effects on dead tissue at school, the boy turns to the dark art of science to bring his pet back to life by having its soulless body struck by lightning. Against all odds, the experiment is a success and his best friend is given a second chance at life, though not in a perfect physical state as parts of him occasionally come loose. Despite his efforts to keep Sparky's resurrection a secret, the rest of the town soon finds out and is appalled by this abominable obstruction of everyday life, turning into a typical angry mob out to make sure the dead dog stays dead this time. Tracking the pair to an old windmill, the construction catches fire and traps Victor inside until Sparky gives his second life to save his young master. Touched by his courage, the townspeople are convinced Sparky deserved to live, after which they help Victor restoring him to life once more in a total feel-good happy ending only Disney can deliver (though it's maybe a bit too cheerful for a Tim Burton picture).


Though the plot has hardly changed, there couldn't have been a bigger difference in execution, as Burton turns to the much admired art of traditional stop motion animation for his second incarnation of Frankenweenie. Hardly a stranger to this type of filming, having produced The Nightmare Before Christmas (1993) and directed Corpse Bride (2005) before, Burton's use of stop motion turns out fully justified as it gives the movie a stylistic and visual edge over both the movie's predecessor as well as many a “regularly” animated Disney movie. The film's look is simply stunning, with some of the smoothest stop motion work to date, and it also fits into Burton's oeuvre in a completely consistent manner: the various characters, both human and animal, are all typically Burtonesque with their big eyes, pale faces and generally caricaturized physical features, while their brooding, often Gothic surroundings make no mistake Tim Burton's signature stamp is all over this film. Frankenweenie might as well be called Corpse Bride's twin sister, were it not for the fact that, unlike that film but like the original short, Frankenweenie is also shot in black and white to make it appear even more distinct, as well as perfectly in sync with the horror classics of old – particularly James Whale's brilliant original Frankenstein (1931) and The Bride of Frankenstein (1935), to which the movie knowingly owes more than a little, on the narrative side – the movie keeps referring to throughout the piece. While many a gag referring to such narrative and stylistic forebears, albeit visual or in dialogue, is undoubtedly missed by younger members of the audience, those even slightly versed in the genre will recognize a multitude of little nods and in-jokes softening the overall gloomy mood the style and story prescribe. That doesn't mean there's no fun to be had for the kids or the more uninformed spectators, as they too are treated to many an outrageously zany moment triggering a few good laughs.

At the same time, despite the many humourous occurrences, the movie isn't afraid to downplay its moments of grief, and much to the credit of the animation crew such instances are shot with the full range of emotion they necessitate, making even the toughest viewers feel sad as we witness Sparky's death – which fortunately remains largely obscured from vision, instead of seen in more detail than is necessary, underscoring the power of suggestion which Burton has also mastered – and the sorrow it inflicts on those left behind, the high point of tragedy remaining a simple shot of Sparky's neighbour dog, a female poodle with whom he used to play ball through a hole in the fence separating them: the poodle nods the ball through the hole, then waits for a return nod that never comes. Maximum emotional effect achieved through stylistic simplicity, and nobody ought to keep a dry eye.


Despite the overall story remaining largely identical to that of the original short film, a longer running time does warrant the inclusion of a few subplots to flesh things out just a bit more. The most noticeable difference in narration is the science contest dominating events in Victor's class as his school mates are all attempting to outthink each other in making the most spectacular contribution to science, encouraged by their new substitute teacher with his unpronouncable but decidedly Eastern European sounding name (impeccable voicework done by Burton veteran Martin Landau, who won an Academy Award for his role in Burton's masterpiece Ed Wood (1994)). When the word gets out on Victor's achievements, even though they were a personal project to be kept hidden from the rest of the town, the all too natural reaction of the other kids is imitation, as they understandably decide to resurrect their own deceased pets as well. However, their actions are motivated more by the desire for fame and glory than they are by heart, while their teacher explained to Victor the outcome of his experiment was fueled primarily by the love for his subject instead of the lust for self-enrichment. Naturally, the various rival experiments result in the creation of many monstrous mutations soon terrorizing the town, including a cat/bat hybrid and a giant dinosauresque turtle, enabling Burton and his partners in animation to go all out with the stop motion process, continuing the age old tradition of stop motion applied for breathing life into monsters, as pioneered by special effects legends like Willis O'Brien and Ray Harryhausen. It also results in a grander overall scale of the film, clearly setting it apart against the simpler original short movie, plus it adds some dynamic action for those audience members who find it hard to sit through all the genuine emotion the movie keeps evoking, if any. Ultimately though, Frankenweenie doesn't need such spectacle since its core plot about a boy and his dog is moving enough in itself and remains the picture's heart and soul, despite the additions made to make a short film longer.

Only a few months ago, I critiqued Burton's Dark Shadows and feared his signature style was overused by himself (and nowadays, by many others, too), which led to a deterioration of quality in his recent films, culminating in Dark Shadows ending up as one of Burton's biggest disappointments of the last decade. I'm only too glad to find myself positively surprised by Frankenweenie, one of his most delightful films to date, which has proven this director is still fully capable of delivering a satisfying viewing experience when his heart is truly in it. Getting even at Disney while coming full circle from the start of his career to the point where he is now clearly made sure Burton was fully invested in this project, and he is proven right after a quarter century: Frankenweenie was a thoroughly enjoyable short movie then as it is a full theatrical film now, for audiences both young and old. Apparently, in Burton's case revenge is a dish best served dead, and revived.



Sidenote: life is not without its cruel little ironies. For example, I got to watch Frankenweenie the same week I had to let go of (yet another) one of my cats. 2012 is not a good year for me, pet wise. Since I happen to like animals more than people – if you know me and this notion offends you, don't take it personally, it's just the way I am – I'm having some trouble letting go, even though it wasn't my favorite cat. In fact, the pet in question, poor little Akka, was always drooling, generally unhygienic and somewhat obnoxious, but I still loved her in her own right, and I will naturally miss her presence (unlike the other cats, who don't seem to miss her at all). Considering Frankenweenie revolves around the troubles of letting go of your beloved pets, it got me thinking. If I were a creative little boy and I lived in Tim Burton's imaginative world, I no doubt would go for the solution offered in the film and resurrect the hell out of my dead cat. However, I am not and I cannot, and even if it were scientifically feasible, I would not. Especially not after the animal in question had been rotting underground for a week (even if protected by the cover provided by a wooden box, as Sparky was given). After all, letting go when somebody or something dies is just a part of life, the dark side of life of course, but still life.


What would be achieved by keeping dead animals alive? Sure, you can stick to their presence forever, but would it really be the pets you knew and loved? As Frankenweenie showed, Sparky's resurrection, instigated by love or not, was the result of a lucky shot, while the same experiment failed with all the other ex-pets. Monstrous mutations were the result, creepy crawlies and towering behemoths that looked nothing like their living predecessors. Moreover, if they had been healthy and happy like they used to be, death would lose its impact. You could just keep on recharging your dead pet to breathe a semblance of new life into it over and over again, which would keep you from letting go and forming new special bonds with other animals. But of course, new animals would still be born, and soon the number of zombified creatures would grow to excessive rates and leave less room for the living. Death may not be a nice thing, but there is a definite natural purpose to it. My cat had a decent life for over 16 years and she got to live to a fair old age. It's more than I can say for my previous cat, who succumbed to organ failure at age nine, which was far too young for my taste. Instead of focusing on resurrecting pets, it seems more reasonable to turn attention towards extending the natural lifespan of pets, which usually lasts for only one or two decades, while their masters' life outlasts them for many more years. For the same reasons as stated above I feel it shouldn't be attempted by artificial means though. Besides, natural human lives last far longer nowadays than they did centuries ago. I reckon the same is increasingly true for pets' lives, who receive better care and food than they did in days gone by. Who knows, with a little luck cats will eventually live for many more years than they do today. And if not, the memories of a good cat will last a lifetime in that special place in our heart. Even though we would have preferred them to stay here with us in the flesh...


And watch the trailer here:

woensdag 15 augustus 2012

The Movie Stars that were Visual Effects, Part 3

I wanted to write a piece about Abraham Lincoln: Vampire Hunter today, but I turned out busier than I expected. So I'll finish posting my paper on realism and stop motion movies I started last month. The final chapter is by far the most interesting, since it concerns one of my favorite films and a genuine undying classic, that iconic masterpiece King Kong (1933). I doubt Abraham Lincoln: Vampire Hunter will ever reach the same level of appreciation, by me or anyone else, but it was a fun movie regardless, so my review of that film will surely follow at a later date.



Hoofdstuk 3: Kong is King

Na het succes van The Lost World duurde het even voordat O’Brien weer aan een project kon beginnen, maar in 1931 begon hij met het werk voor Creation. Qua verhaal was het weinig verschil met zijn vorige film – een groep mensen strandt op een eiland vol prehistorische wezens en moet zien te overleven en ontsnappen – maar het testmateriaal dat van dit project bewaard is gebleven toont aan dat O’Brien sinds 1925 nieuwe ontwikkelingen in stop motion had uitgewerkt ten bate van groter realisme.1 Het overgebleven materiaal toont een conflict tussen een man en een Triceratops-familie, waarbij de man een jonge Triceratops in het oog schiet en vervolgens opgejaagd wordt door diens moeder. Mens en dinosaurus zijn in hetzelfde frame te zien, maar niet meer via de splitscreen-techniek van The Lost World. Ze staan op dezelfde hoogte in het frame, mogelijk gemaakt door de manier waarop O’Brien gebruik maakt van voorgrond en achtergrond: de man op de voorgrond bevindt zich op een gewone filmset, en verder op de achtergrond is de dinosaurus en de gedeeltelijke set op een stop motion tafel in hetzelfde frame geplakt (een proces genaamd in-camera matting2). Beide elementen zijn afzonderlijk gefilmd zoals het geval was tijdens de productie van The Lost World, maar op een nieuwe manier in hetzelfde frame geplaatst. Het was een realistische uitvinding die de geloofwaardigheid van de wezens ten opzichte van de acteurs alleen maar vergrootte.

De stop werd echter uit Creation getrokken, op bevel van het nieuwe Hoofd Productie van RKO Radio Pictures, Merian C. Cooper. Cooper was op de hoogte van het succes van The Lost World en de mogelijkheden van stop motion, en hij had een eigen project waarvoor hij van O’Briens kwaliteiten gebruik wilde maken. Aangezien Coopers idee overeenkomsten vertoonde met Creation besloot hij dat project te laten varen en spoorde hij O’Brien aan met hem samen te werken aan een nieuwe, nog ambitieuzere film. O’Brien accepteerde en toog aan het werk voor dit nieuwe project: King Kong.

King Kong vormde een nog grotere uitdaging voor O’Brien dan Creation geweest zou zijn. Hij moest werken met een hoeveelheid aan nieuwe technieken om de gewenste resultaten te krijgen. Hieronder bevond zich de optical printer, een apparaat dat elementen als stop motion, matting en live-action bijna naadloos op elkaar kon laten aansluiten. Ook de al bestaande technieken die hij voor eerdere projecten had gebruikt werden aangepast en verbeterd. Om een gevoel van diepte in Kongs oerwoud te geven werd er niet alleen gebruik gemaakt van matte paintings op de achtergrond, maar via glasplaten ook op de voorgrond. Tussen de matte paintings bevond zich echter de gebruikelijke tafel met een minitiatuur-set voor O’Briens stop motion modellen. 3

Ten opzichte van realisme werd O’Brien geconfronteerd met twee grote uitdagingen. Ten eerste was er een directe interactie tussen de monsters en de acteurs. Hoewel in The Lost World de acteurs en de stop motion wezens hetzelfde shot delen komen zij echter zelden direct met elkaar in contact. Op die momenten waarop dit wel moest gebeuren werd gebruik gemaakt van full scale modellen, zoals de staart van de Brontosaurus (zie Hoofdstuk 2). Dezelfde techniek wordt ook sporadisch in King Kong gebruikt, vooral in de close-ups van Fay Wray in de klauwen van Kong, waarvoor een levensgroot model van de arm gemaakt werd die Wray kon vasthouden. Er zijn in King Kong echter verscheidene momenten waarop mensen door monsters verscheurd, vertrapt of opgegeten worden. Voor de eerste keer sinds zijn oorspronkelijke komische shorts maakte O’Brien daarom gebruik van stop motion mensen om deze illusie tot stand te brengen, nu echter voor serieuze doeleinden. In tegenstelling to de oermensen in zijn shorts kregen deze animaties echter geen close-ups toebedeeld, wegens gebrek aan detail en realisme. Men maakte gebruik van de acteurs en de full scale modellen om de interactie tussen mens en monster in close-up te brengen. De stop motion mensen in King Kong zijn alleen in long shots te zien, wanneer zij in direct contact met de monsters zijn. De overgang van acteur naar stop motion model verliep daarbij haast naadloos, zoals te zien is in de shots waarin Kong Wray in een boom zet (zodat zij niet wegrent terwijl hij de matrozen van de boomstam afschudt): in dit shot zien we de stop motion Kong de stop motion Wray in een model van een boom zetten, waarna een minitiature rear-projection shot (een verkleind weergegeven frame van een acteur binnen het eigenlijke frame4) van de echte Wray in de top van de boom gemonteerd wordt. Via rear-projection zijn ook andere confrontaties tussen mens en monster realistischer dan ooit. Als voorbeeld kan hier de scène met de Stegosaurus dienen, die de matrozen aanvalt en door hen neergeschoten wordt. Op de voorgrond staan de acteurs, terwijl op de achtergrond de stop motion animatie op een scherm geprojecteerd wordt. Als het dier neervalt, pant de camera langs het immense lichaam, terwijl de acteurs (die op een tredmolen lopen) de schijn wekken langs het monster te lopen. In tegenstelling tot scènes waarbij de stop motion pas later in de shots toegevoegd werd hadden de acteurs dankzij zulke rear-projection shots iets om werkelijk op te reageren wat ook hun acteerprestaties ten goede kwam.


 De tweede uitdaging, nog belangrijker dan de vorige, was de creatie van het allereerste special effect dat een echt personage in een film was, Kong zelf. Waar de dinosauriërs in O’Briens vorige films, hoewel indrukwekkend, niet meer waren dan spektakel - een voortzetting van de illusies uit de tijd van Méliès en zijn trucages - was Kong in deze film een karakter compleet met eigenschappen, trekjes en ontwikkeling die men ook in menselijke, door acteurs gespeelde, personages aantreft. Als men faalde om Kong geloofwaardig en sympathiek over te laten komen was de film in principe mislukt. Gelukkig slaagde O’Brien met vlag en wimpel. Niet alleen waren zijn modellen van Kong (hij had er vijf in totaal, van verschillende grootte en met verschillende gezichten) gedetailleerder dan zijn vorige werk, hij gaf Kong een persoonlijkheid mee, volgens naasten een reflectie van O’Briens eigen karakter.5 Kong wordt geportretteerd als groot en woest, maar ook als nieuwsgierig en zorgzaam voor de vrouw die hij ontvoerd heeft. In zijn gevechten met de verschillende monsters van Skull Island legt hij een vaardigheid voor boksen en worstelen aan de dag, bezigheden waar ook O’Brien een voorliefde voor had (niet voor niets handelde O’Briens allereerste filmpje over boksers, zie Hoofdstuk 2). O’Brien gaf Kong karaktertrekjes mee die in verschillende scènes te zien zijn, zoals het met zijn vuist op de grond slaan als hij agressief is.6 Hij is uiterst nieuwsgierig wat ook meerdere keren in de film getoond wordt. Hij ruikt aan Wray’s kleren als hij haar ontkleedt en speelt met de kaken van de door hem gedode Tyrannosaurus: op zulke momenten wordt hij bijna neergezet als leergierig kind dat van alles wil weten wat het is en hoe het werkt. O’Briens oog voor detail ging zo ver dat hij hem zelfs dingen liet doen die zo onopvallend waren dat ze haast niet in beeld zijn: heel kort is te zien hoe hij een bloem plukt voor zijn schat, terwijl zij bedreigd wordt door een Plesiosaurus waarna hij direct in actie komt en zijn presentje laat varen om haar wederom te beschermen.7 Door zulke karakterontwikkeling wordt hij meer dan slechts een monster zoals de wezens om hem heen die een dergelijke persoonlijkheid missen (hoewel ook zij gedetailleerder en realistischer zijn dan de creaturen in O’Briens voorgaande films). Kong was evengoed een personage als de acteurs en kreeg dan ook niet voor niets een eigen screen credit.

Op een enkel punt is er echter sprake van toevallig realisme. In tegenstelling tot O’Briens andere monsters (althans, sinds de ‘missing link’ in zijn eerste film) heeft Kong een vacht, gemaakt van konijnenhaar. Dit haar had de eigenschap om te buigen onder aanraking, waardoor de positie van het haar in elk frame verandert en Kongs haar constant in beweging lijkt te zijn. Hoewel hier eigenlijk sprake is van een continuïteitsfout schreven mensen in het publiek het toe aan het oog voor detail van de filmmakers: Kong was zo realistisch dat men er zelfs aan gedacht had dat zijn haar door wind in beweging werd gebracht! 8


De opzet om Kong een realistisch personage te maken was geslaagd. Hij was geen model of animatie, maar een acteur, met wie men evenveel meevoelde als de menselijke personages in de film. Het publiek voelde mee met de aap, juichte als hij weer een monster versloeg, en treurde toen hij ten onder ging. Kong werd een voorbeeld voor alle ‘special effects als personages’ die volgden, en bovendien een inspiratiebron voor veel filmmakers. Zijn “erfgenaam” Peter Jackson verwoordt het als volgt:

He [O’Brien] was the first person really to present […] stop motion animation, puppet animation, as by far the most satisfying and beautiful way to realize monsters and dinosaurs on the screen. […] You cry when Kong falls off the Empire State Building because he is such a well realized visual effect, and that is really the first time in filmmaking that that ever occurred.9

Conclusie

Realisme is betrekkelijk: O’Brien’s dinosauriërs die in zijn tijd zo levensecht werden gevonden zijn vandaag de dag hopeloos achterhaald, niet alleen qua special effects, maar ook in wetenschappelijk opzicht. Tegenwoordig weet de paleontologie dat dinosauriërs niet de logge, slome beesten waren zoals men ze in de eerste decennia van de twintigste eeuw beschouwde, maar snelle, warmbloedige dieren die perfect aangepast waren aan hun omgeving (niet voor niets hebben dinosauriërs 160 miljoen jaar de Aarde geregeerd). Desondanks, stop motion wordt tot op de dag van vandaag gebruikt in de filmindustrie, zij het tegenwoordig voornamelijk voor volledig geanimeerde films (zoals Corpse Bride (USA: Tim Burton, 2005) en Wallace & Gromit: the Curse of the Were-Rabbit (UK: Nick Park, 2005)), die het juist voor surrealisme benutten in plaats van voor realisme. In de special effects-industrie was het echter tot de opkomst van CGI een realistische en overtuigend geachte manier van het weergeven van het onmogelijke en als zodanig werd het gebruikt tot medio jaren negentig, in films als The Terminator (USA: James Cameron, 1984) en Robocop (USA: Paul Verhoeven, 1987). Het was de film Jurassic Park (USA: Steven Spielberg, 1993) die het volle potentieel van CGI demonstreerde, ondanks het oorspronkelijke geplande gebruik van go-motion effecten (een geavanceerde vorm van stop motion) voor die film. Het is zonder meer ironisch dat een dinosaurusfilm geïnspireerd door voorgangers als The Lost World en King Kong nieuwe technieken introduceerde die het gebruik van oudere technieken, die de dinosauriërs in zijn voorgangers tot leven hadden gewekt, terugdrong.

Het gaat hier echter niet om de kwestie of stop motion tegenwoordig nog een realistische techniek is voor het tot leven wekken van het fantastische, het gaat om de belevenis van haar resultaten door het publiek destijds. En het publiek was zeer onder de indruk. De ontvangst van The Lost World en in nog grotere mate voor King Kong was haast unaniem positief en overweldigend. Maar zag het publiek de wezens in de films als realistisch, of sterker nog als “echt”, zoals het incident met Doyles grap met de illusionisten impliceerde? Zeker in het geval van Méliès en O’Briens komische shorts zal dit niet het geval zijn geweest. In Méliès’ tijd was cinema nieuw, en evenzeer een trucage als de illusies die hij in zijn filmpjes opvoerde. Men wist door het grootschalige aanbod aan theatrale illusionisten en hun diversiteit aan ongelooflijke trucs in de periode voor de opkomst van de cinema dat men het onmogelijke kom verwachten als men het theater betrad, en een dergelijk gedachtegoed heerste ook in de beginjaren van de cinema toen cinema zelf als een dergelijke trucage gezien werd. Het publiek kon verbaasd, verrast of zelfs bang gemaakt worden met de trucages op het scherm, maar weinigen zullen het als ‘echt’ ervaren hebben, daarvoor was het merendeel van de toeschouwers te ‘geletterd’ in hun ervaring met het theatrale, het fantastische en ongeloofwaardige dat in het theater heerste.10 Dezelfde opvatting geldt voor O’Briens vroege werken, waarin de nadruk zozeer op het komische lag en de modellen zo abstract en cartoonesk gefabriceerd waren dat het ongetwijfeld voor niemand reëel was. Men kon zich qua techniek afvragen ‘hoe men dat gedaan had’, maar niemand zal het in de films getoonde als ‘echt’ geslikt hebben. De situatie wordt echter gecompliceerder als O’Briens toon serieuzer wordt. Hoewel de animatie in The Ghost of Slumber Mountain nog zodanig artificieel en houterig aanvoelt dat weinigen het als ‘documentary footage’ bestempeld zullen hebben, is dat voor The Lost World wellicht niet het geval.


The Lost World was de eerste film waarin veelvuldig gebruik werd gemaakt van stop motion animation en een daadwerkelijk groot publiek trok. O’Briens voorgaande werken waren allemaal succesvol op een bescheiden niveau, maar weinig toeschouwers zullen zich deze shorts herinnerd hebben toen The Lost World werd uitgebracht (films waren toen immers niet zo wijd beschikbaar als tegenwoordig). Het geval van Doyle compliceert de zaken: Doyle stond als een groot grappenmaker te boek, en het lijkt onwaarschijnlijk dat een bijeenkomst van professionele illusionisten zo makkelijk in de maling genomen kon worden. Het incident wordt echter door veel schrijvers als waarheid beschreven, en het is een feit dat de zaak voorpaginanieuws was. Het geval lijkt een zeer ingenieuze publiciteitsstunt, maar kan niet ontkracht worden. Hetzelfde geldt voor het feit dat het publiek in 1925 enorm onder de indruk was van de special effects: het is mogelijk dat menigeen aanvankelijk geloofd zal hebben dat de dinosauriërs echt waren. Gezien het feit dat de kranten erover schreven als over iedere andere (indrukwekkende) film, en er verder geen nieuws verscheen over pas ontdekte levende dinosauriërs zullen zulke gedachtegangen echter niet lang stand gehouden hebben. Het lijkt nog onwaarschijnlijker dat men op dezelfde manier dacht over de stop motion modellen in King Kong, ongeacht hun nog grotere mate van realisme. In dit geval zal men zich de special effects van The Lost World en het kassucces dat deze film was herinnerd hebben. Bovendien was het publiek toen al meer gewend qua effectswerk door het immer grotere aanbod aan special effects in andere films.

Levensecht zal stop motion dus nooit geweest zijn in de eerste decennia van de filmgeschiedenis. Het was echter wel een zeer overtuigende manier van het creëren van trucages die zich nooit in de realiteit konden voordoen. Bovendien was het gemakkelijker, goedkoper en meer haalbaar dan dergelijke trucages via andere beschikbare special effects te laten doen. Stop motion bleek na het succes van The Lost World en vooral King Kong de meest vatbare manier om het onmogelijke mogelijk te laten worden, getuige het stijgend aantal films dat er gebruik van maakte, tot begin jaren negentig aan toe. Bovendien kan de juiste animator van een stop motion model een personage maken dat welhaast zo realistisch was dat erover gesproken kan worden op dezelfde manier dat men over “echte” filmsterren spreekt, waardoor stop motion niet alleen een vorm van special effects is, maar ook een kunstvorm genoemd mag worden waarin een artiest een model daadwerkelijk tot leven brengt.11 Pioniers als George Méliès en Willis O’Brien waren degenen die de weg voor deze wijde acceptatie van stop motion vrijmaakten en een inspiratiebron waren voor allen in de effectsindustrie die na hen kwamen. Zoals O’Briens protégee Ray Harryhausen stelt:

It was the start of a new and unusual art form through which animated, jointed, sculptured figures could become leading characters for exciting live-action adventures into the wondrous world of the fantastic.12



1 Het resterende stop motion test footage van Creation wordt getoond in RKO Production 601: the Making of ‘Kong, the Eighth Wonder of the World’ op de Amerikaanse 2-disc special edition van King Kong (uitgave Warner Bros., 2005), inclusief een samenvatting van het verhaal aan de hand van concept art.
2 Brosnan 1974: p. 24
3 Vaz, Mark Cotta, Craig Barron. The Invisible Art: the legends of movie matte painting. San Francisco: Chronicle Books, 2002: p. 65
4 Schechter & Everitt 1980: p. 160
5 O’Briens tweede vrouw Darlyne beweerde dat de persoonlijkheid van Kong overeenkomsten vertoonde met die van haar man: ‘O’Bie’s personality shone through in everything he made King Kong do. I could see his sense of humour in everything Kong did’. Rovin 1977: p. 37
6 Rovin 1977: p. 41
7 Dit fragment is zo kort dat het zonder stilzetten eigenlijk niet te zien is. In RKO Production 601: the Making of ‘Kong, the Eighth Wonder of the World’ wordt van deze actie melding gemaakt, ik claim niet dit haast onzichtbare moment zelf ontdekt te hebben.
8 Vermeld in RKO Production 601: the Making of ‘Kong, the Eighth Wonder of the World’. Ook in Rickitt 2000: p. 155
9 Citaat van Peter Jackson uit RKO Production 601: the Making of ‘Kong, the Eighth Wonder of the World’.
10 Bukatman, Scott. “The Ultimate Trip: Special Effects and Kaleidoscopic Perception,” In: Matters of Gravity: Special Effects and Supermen in the 20th Century. Durham: Duke University Press, 2003: p. 115
11 Rovin 1977: p. 26
12 Harryhausen geciteerd op het bonusmateriaal van de Lumivision DVD uitgave van The Lost World.

woensdag 25 juli 2012

The Movie Stars which were Visual Effects, Part 2


Another slow week for watching films. I have yet to see The Dark Knight Rises (shame on me, I know), but I'm experiencing its effects firsthand at work (though it's not nearly as bad as in America). I'll get to see it soon enough no doubt. At home I'm currently screening Community, which I feel is kinda like the audiovisual televised equivalent of rootbeer in the classic DS9 sense. So with things going slow, I decided to take the opportunity to return to what I started last week and continue posting my article entitled The Movie Stars which were Visual Effects: Early Stop Motion and Realism. I'm not one to keep unfinished business in such a state of being after all.
Before though, there's just one little thing I need to share, which concerns a comment regarding the upcoming Expendables 2 printed in the last issue of Preview Magazine, which in hindsight turned out so awkward it shows just how precarious a film critic's job can be (though the level of criticism in Preview Magazine has seriously deteriorated over the last few years in favor of mindless commercialism: unsurprisingly, with the Pathé Theaters company now financially backing the magazine). The quote (in its original Dutch, but you'll get the meaning in English too) is this:

'Wij zijn vast onze A A12-shotgun aan het poetsen en onze messen aan het slijpen on guns blazing de bios in te rennen.'

Oops! They'll be sure to be less straightforward with such comments next time! And then there's the dark irony concerning the 'Ultrakort' short films attached to various big movies of the next few weeks (including The Dark Knight Rises), with one of their number carrying the title Aurora. Yikes! Maybe the media are subconsciously driving members of the general public to shocking acts of violence after all... however, I'll continue to refuse such claims. The Dark Knight (rated '16' in the Netherlands) has been watched by nigh a billion spectators worldwide, and so far only one of them got the urge to dress up like the Joker and kill people for a midnight screening of The Dark Knight Rises (rated '12' in the Netherlands, so less violent). Folks blaming massacres like these on movies are pointing fingers to easy scapegoats, instead of where attention should really be directed at: lousy gun laws. Wake up, America!
Anyway, stop motion. I don't think it has ever killed people or driven someone to kill others.


Chapter 2: from A Prehistoric Tragedy to The Lost World

In tegenstelling tot Méliès had Willis O’Brien geen achtergrond in het theater of het illusionisme. Alvorens zijn talenten in de filmindustrie in te zetten was hij werkzaam als beeldhouwer en tekenaar; zijn kwaliteiten in de beeldende kunst bleken onmisbaar voor zijn latere werk als stop motion animator. Het hielp hem bij het schetsen en grafisch ontwerpen van de modellen die in zijn eerste films optraden (voor latere films, zoals The Lost World, besteedde hij dat werk uit aan Marcel Delgado, terwijl hij zich zelf hoofdzakelijk op het animatieproces richtte).
Het is onbekend of O’Brien ooit één van de vroege stop motion animation filmpjes die hierboven genoemd worden heeft gezien. Het is niet uitgesloten, maar over het algemeen wordt aangenomen dat hij zelf op het idee van de techniek kwam in 1915, toen hij experimenteerde met modellen van boksers en zich afvroeg hoe het er op film uit zou zien.1 Na een experimenteel filmpje met een boksgevecht tussen klei-figuren te hebben geschoten, werkte O’Brien het concept van klei-animatie verder uit en in 1915 produceerde hij een filmpje genaamd The Dinosaur and the Missing Link: a Prehistoric Tragedy (USA: Willis O’Brien, 1915). Hij presenteerde het aan de Edison Company: onder de indruk van dit proces, dat O’Brien aanduidde als ‘animation in depth2, werd hij ingehuurd om enkele soortgelijke korte films over de prehistorie te vervaardigen, waarbij hij gebruik bleef maken van klei-figuren, en later rubber modellen, om de in dit werk geschetste prehistorische wereld te creëren.3 Met weinig ervaring in de filmindustrie maakte O’Brien vanaf begin af aan al gebruik van de stop motion animation die kenmerkend voor zijn oeuvre zou worden: niet voor niets wordt hij als de grondlegger van stop motion beschouwd, hoewel al is gebleken dat hetzelfde principe al eerder door anderen werd toegepast. O’Brien specialiseerde zich echter uitsluitend in stop motion films. In deze films (en de films die hierop volgden) toont O’Brien een volledig artificiële wereld, waarin geanimeerde holbewoners en geanimeerde prehistorische wezens samenleven en in komische situaties terechtkomen. De films zijn niet serieus bedoeld, maar een stop motion versie van getekende cartoons als Gertie The Dinosaur (1914). Waar Méliès zijn stop motion inzette als trucage voor situaties in de echte wereld, gebruikt O’Brien het hier om een fantastische wereld te tonen die volledig kunstmatig is en ook niet claimt reëel te zijn. Desondanks was men onder de indruk van de “levensechte” kwaliteit van zijn animaties: een recensie van The Dinosaur and the Missing Link in The Moving Picture World omschreef de animaties als ‘startling and amusing at the same time. The grotesque manikens are curiously human in their movements’.4 De animatie heeft hier echter niet als doel zodanig realistisch te zijn dat het publiek zich afvraagt ‘hoe men dat gedaan heeft’, maar is een hulpmiddel voor een narratief dat eindigt in een grap. De holbewoners zijn voor dit doeleinde te overduidelijke poppen, met koddige bewegingen en een cartoonesk uiterlijk (hiervoor putte O’Brien ongetwijfeld uit zijn ervaring als cartoonist). Hetzelfde geldt voor de dieren, die minder gedetailleerd en schattiger zijn dat hun opvolgers uit O’Briens latere werk. Realisme is niet het doel in dit vroege werk, het straalt eerder surrealisme uit. Een voorbeeld is te vinden in een tweede filmpje uit 1916, R.F.D. 10,000 B.C (USA: Willis O’Brien, 1916), waarin een prehistorische postbode overspel pleegt met de vrouw van een holbewoner en daarom gewelddadig doormidden wordt gehakt: zijn bovenlijf belandt in een boom, waarna zijn benen op zoek gaan naar de rest van zijn lichaam. Aangekomen bij de boom sommeert het bovenlijf de benen omhoog te springen, waarna de twee helften in de lucht weer aan elkaar gezet worden. Een extreme gag, waarop realisme klaarblijkelijk niet van toepassing is. O’Briens shorts voor Edison zitten vol met dergelijke situaties en zijn duidelijk komedies, zij het op een andere manier uitgevoerd dan men tot op heden gewend was. Desondanks hanteren de filmpjes een vergelijkbare cinematische stijl als andere films in die tijd, compleet met intertitles en close-ups voor emotionele momenten (ongeacht de simplistische gezichtsuitdrukkingen van O’Briens holbewoners).
The Dinosaur and the Missing Link werd opgevolgd door meer soortgelijke shorts waaronder Prehistoric Poultry (USA: Willis O’Brien, 1916) en Curious Pets of Our Ancestors (USA: Willis O’Brien, 1917) waarin O’Brien de cartooneske trend voortzette.5 In 1918 veranderde hij van toon met The Ghost of Slumber Mountain (USA: Willis O’Brien, 1918), een film die niet alleen veel langer was dan de korte films die hij voor Edison maakte6, maar waarin ook op een meer serieuze manier gebruik van stop motion werd gemaakt. Vanwege kritiek op de cartooneske stijl waarin hij zijn dinosauriërs in zijn vorige werk weergaf besloot hij vanaf nu aan zijn wezens zo anatomisch correct mogelijk te portretteren, beginnende met deze film.7 Deze beslissing markeert de significante overgang van stop motion als charmante vorm van trick photography (tot nu toe alleen toegepast in niet serieuze films van zowel Méliès als O’Brien zelf) naar serieuze methode voor het realistisch weergeven van het onmogelijke. Deze nieuwe drang naar realisme ging O’Brien aanvankelijk niet gemakkelijk af: de dinosauriërs in The Ghost of Slumber Mountain waren qua beweging en stijl houterig en traag, meer dan de energieke animatiestijl die hij in de Edison-filmpjes hanteerde. Desondanks slaagde O’Brien erin om de creaturen meer als echte dieren dan als animatiekarakters neer te zetten door hun natuurlijk gedrag toe te schrijven: een prehistorische loopvogel vangt een slang, een Triceratops-paar gaat een gevecht aan en een Tyrannosaurus doodt een prooi. O’Brien mengde dit natuurlijk gedrag met spektakel; een grazende Brontosaurus alleen is immers maar saai, realistisch drama is nodig om het publiek geboeid te houden. Hij slaagde in deze opzet, want The Ghost of Slumber Mountain werd een bescheiden kassucces. O’Briens stap van korte surrealistische komedies naar cinematisch spektakel bleek succesvol.
Desondanks hield O’Brien in The Ghost of Slumber Mountain de echte wereld en zijn fantastische geanimeerde wereld gescheiden. Het verhaal accommodeerde deze scheiding: de protagonist van de film ziet de prehistorische wereld door een magische telescoop, maar komt er zelf niet in terecht. Hoewel dit de eerste keer was dat O’Brien echte mensen in een film toonde, delen zij en de geanimeerde dinosauriërs in de loop van de film nooit het scherm, zelfs niet op het einde wanneer de Tyrannosaurus door de magische barrière breekt en de protagonist direct bedreigt. Als dit gebeurt wordt hij wakker en komt hij erachter dat zijn observaties van de prehistorie in een droom plaats hebben gevonden. O’Briens fantastische werk blijft ook in de diëgese van de film behoren tot het rijk der fantasie.


 Voor zijn volgende, zeer ambitieuze, project veranderde O’Brien deze tactiek. The Lost World draait om een groep ontdekkingsreizigers die op een Zuid-Amerikaans plateau een prehistorische wereld aantreft en er gevangen raakt waarop deze mensen moeten zien te overleven in een land vol woeste dinosauriërs. In een dergelijke situatie is een treffen tussen mens en monster niet uit te sluiten, waarop O’Brien een manier moest verzinnen om zijn animaties met acteurs het scherm te laten delen zonder de illusie te doorbreken: zijn wezens moesten niet herkenbaar zijn als de modellen die zij eigenlijk waren, maar zo realistisch mogelijk zijn en de massa en levendigheid van echte dinosauriërs uitstralen.
Voor dit doeleinde vond O’Brien een manier van splitscreening uit waarbij afzonderlijk gefilmde elementen, live-action en stop motion (in dit geval dus de acteurs en O’Briens animaties) in eenzelfde filmframe geplaatst konden worden zodat zij op hetzelfde moment op dezelfde plaats leken te zijn. Dit was geen eenvoudige opgave en een enorme stap voorwaarts vergeleken met zijn vorige film, waarin de animatie beperkt bleef tot tafels gevuld met oerwoud-minitiaturen en de acteurs in een afzonderlijk shot gefilmd werden op een locatie die niet eens leek op een oerwoud. In The Lost World moesten de omgevingen waarin de acteurs en de modellen zich bevonden naadloos op elkaar aansluiten. O’Brien hield het eenvoudig en splitste in zijn nieuwe techniek het onderste deel van het frame af van het bovenste deel, waarin één deel bevolkt werd door de animaties en het ander door de set en de acteurs. In het overgrote deel van de shots waarin hij deze splitscreen techniek toepast bevinden de dinosauriërs zich in het bovenste gedeelte van het frame, om hen de impressie van grootte te geven tegenover de acteurs, die veel kleiner in het onderste gedeelte van het frame geplaatst werden.8 Zo kon hij deze techniek dus ook als hulpmiddel voor het realisme van zijn stop motion toepassen.
Hoewel mens en model nu dus in hetzelfde shot te zien waren, blijft de film verstokt van directe interactie tussen beiden. De dinosauriërs en mensen gaan elkaar niet direct te lijf, het blijft beperkt tot stop motion gevechten van monsters tegen monsters, met de acteurs doorgaans als passieve toeschouwers die zulke spektakels gadeslaan. Er worden geen mensen gedood of opgegeten, dus shots waarin mens en animatie in direct contact met elkaar zijn, zijn niet noodzakelijk. In deze context waren de scènes in Londen aan het eind van de film waarin een op hol geslagen Brontosaurus de stad teistert extra gecompliceerd. Ook hier wordt gebruik gemaakt van splitscreening, waarin het directe contact van de Brontosaurus als hij tussen de massa vluchtende mensen loopt verdoezeld wordt onder een nevelachtige laag tussen beide delen van het frame, die impliceert dat het dier over de Engelse mist of smog torent, en bovendien extra atmosfeer aan de scène geeft. Zo wordt de schijn gewekt dat het dier tussen de mensen door banjert en daarbij ongetwijfeld mensen vertrapt, maar krijgen we het net niet te zien (waardoor de beelden ook niet te schokkend overkomen op het publiek). Voor die paar shots waarin interactie tussen mens en monster getoond wordt is geen gebruik gemaakt van stop motion: in het shot waarin een aantal voorbijgangers overhoop wordt gekegeld door de staart van de dinosaurus gebruikte men bijvoorbeeld een full scale staart.9 

 Hoewel de illusie van een wereld bevolkt door dinosauriërs en mensen voor de oplettende toeschouwer misschien tekort wordt gedaan door een gebrek aan interactie tussen beiden, gaf O’Brien zijn modellen de nodige karaktereigenschappen en realistische effecten mee. In een poging hun natuurlijk gedrag zo precies mogelijk na te bootsen doen de creaturen wat echte dinosauriërs gedaan zouden hebben, tot aan ademen toe (dit effect werd bereikt door luchtzakken in de modellen te plaatsen die met lucht gevuld en geleegd konden worden via onopmerkzame buizen in het model). O’Briens oog voor detail blijkt overduidelijk uit close-ups van kwijlende dinosauriërs en bloedende verliezers van prehistorische gevechten. Door zulke toevoegingen, waarvan hij zich in The Ghost of Slumber Mountain nog niet bediende, werd het publiek overrompeld door het hoge realistische gehalte. Scott MacQueen, filmhistoricus en supervisor van de restauratie van The Lost World merkt op:

Attention to detail made O’Brien’s lost worlds real places, just as his concern for the interior lives of his beasts endowed them with personalities and character tics that made them believable and alive.10

The Lost World werd een groot succes, en de meeste aandacht van het enthousiaste publiek ging naar de vraag hoe men dit voor elkaar gekregen had. De technieken werden destijds echter niet publiekelijk gemaakt om de illusie voor mensen niet te verknoeien en te zorgen dat er geen illegale versies gemaakt werden door kleine producers die een graantje mee wilden pikken van het succes. Door deze geheimhouding werd er door sommige mensen de suggestie geopperd dat het hier om echte dinosauriërs ging. Sir Arthur Conan Doyle, de auteur van het boek waarop de film The Lost World gebaseerd was, toonde al in 1922 een test reel van O’Briens stop motion aan de Society of American Magicians, onder leiding van Harry Houdini, waarbij hij de indruk wekte dat de op het scherm getoonde dinosauriërs echt waren. De grap liep enigszins uit de hand aangezien zijn publiek zo overweldigd was door het realisme van de scène dat de New York Times de dag daarop een artikel publiceerde onder de kop ‘Dinosaurs Cavort in Film for Doyle: Spiritist Mystifies World-famed Magicians with Pictures of Prehistoric Beasts, Keeps Origin a Secret’. Doyle gaf later toe dat het om special effects voor een filmversie van zijn boek ging (wat de nodige gratis publiciteit voor The Lost World en O’Briens werk opleverde)11, waarbij hij verklaarde:

The dinosaurs and other monsters have been constructed by pure cinema, but of the highest kind […] to provide a little mystification to those who have so often and so successfully mystified others. And now, Mr. Chairman, confidence begets confidence and I want to know how you got out of that trunk.12

De laatste opmerking is een duidelijke sneer naar Doyle’s vriend Houdini die hem altijd in het duister liet tasten over de precieze technieken achter zijn trucs als illusionist. Een echte illusionist vertelt zijn geheimen immers niet, en hetzelfde gold in deze tijd voor een effectsartiest in de filmindustrie. Echter, dat een publiek bestaande uit professionele illusionisten de indruk werd gewekt dat het hier om echte beelden ging zegt heel wat over de realistische kwaliteiten van O’Briens werk! Als zelfs illusionisten al overdonderd waren door deze special effects is het niet uitgesloten dat er waarheid zit in Pinteau’s uitspraak dat ‘het publiek in 1925 de eerste realistische dinosauriërs ooit gefilmd’ te zien kreeg.13 De New York Times omschreef de film als ‘an effort likely to provoke a great deal of discussion, as the movements of the dummies appear to be wonderfully natural’.14 Desondanks was niet iedereen onder de indruk, zoals blijkt uit de volgende uitspraak uit een recensie van de film in het Britse Kine Weekly:

The reproductions of animals are good, but, as is only expected, somewhat mechanical. There is hardly enough scope allowed for size comparisons except in the London scenes.15

Uit dit citaat blijkt dus dat de meningen over de special effects verdeeld waren, maar over het algemeen zijn de bronnen het erover eens dat het merendeel van de toeschouwers onder de indruk was van O’Briens werk.
Was O’Brien de enige die in deze periode gebruik maakte van stop motion photography? Dat niet, maar hij was wel de meest prominente en productieve vertegenwoordiger van de techniek. Vergelijkbaar materiaal uit deze periode is nauwelijks bewaard gebleven, met één uitzondering. In 1923 verscheen in de reeks Pathé Review films een short genaamd Monsters of the Past, een korte film die qua opzet vergelijkbaar was met O’Briens werk in The Ghost of Slumber Mountain, een realistische weergave van enkele dinosauriërs via stop motion. De animatie was houterig en star (eveneens vergelijkbaar met The Ghost of Slumber Mountain) en de modellen misten detail en karakter, maar de short geeft aan dat, misschien geïnspireerd door O’Briens werk, ook anderen experimenteerden met stop motion animation. De naam van de animator is Virginia May16, maar ander werk is van haar niet bekend. De film toont uitsluitend stop motion dinosauriërs, geen acteurs of geanimeerde mensen.17


1 Rovin, Jeff. From the Land Beyond Beyond: the films of Willis O’Brien and Ray Harryhausen. New York: Berkley Windhover Books, 1977: p. 7
2 Rickitt, Richard. Special Effects: the history and technique. New York: Billboard Books, 2000: p. 150
3 Pinteau 2004: p. 220
4 Rovin 1977: p. 11
5Rovin maakt melding van een totaal van 10 van zulke shorts. Rovin 1977: p. 23. Een aantal hiervan is helaas verloren gegaan, dus de mogelijkheid bestaat dat het er meer waren.
6 De film had oorspronkelijk een lengte van ongeveer 90 minuten, terwijl zijn vorige werk nooit langer was dan 10 minuten. Om onduidelijke redenen monteerde de producer, Herbert Dawley, de film echter tot een lengte van slechts 19 (!) minuten. Het verwijderde materiaal is verloren gegaan. Rovin 1977: p. 12
7 O’Brien schakelde onder andere de hulp in van een deskundige van het American Museum of Natural History. Rovin 1977: p. 11-12 / Schechter & Everitt 1980: p. 155. Ook tegenwoordig is het niet ongebruikelijk in de filmindustrie om deskundigen van wetenschappelijke disciplines om hulp te vragen voor een zo realistisch mogelijke weergave van fantastische wezens. Als voorbeeld kan paleontoloog Jack Horners deelname als ‘scientific consultant’ aan de Jurassic Park films dienen. Ook in dit opzicht kan O’Brien dus als prototypisch voor de effectsindustrie beschouwd worden.
8 Als uitzondering kunnen hier de shots van de gewonde Brontosaurus dienen, die na een val van een klif in een modderpoel ligt. De ontdekkingsreizigers zien hem liggen en kijken hierbij op hem neer in een scène waarin zij het bovenste gedeelte van de shots bevolken en de gevallen Brontosaurus het onderste. Dit gebruik van de splitscreen techniek krijgt extra diepgang als in de scène besloten wordt de Brontosaurus als trofee mee naar Engeland te nemen, waarop deze shots dienen als metafoor van de triomf van de mens over het monster: de mens staat als overwinnaar letterlijk boven de dinosauriër.
9 Rickitt 2000: p. 153
10 Citaat is aan te treffen onder het bonusmateriaal van de Lumivision DVD uitgave van The Lost World.
11 Deze beroemde anekdote wordt door meerdere auteurs aangehaald, oa. Rickitt 2000: p. 151-152 / Schechter & Everitt 1980: p. 158 / Rovin 1977: p. 17. RKO Production 601: the Making of ‘Kong, the Eighth Wonder of the World’ (een uitgebreide documentaire over King Kong op de 2-disc special edition van de film (uitgave Warner Bros., 2005)) maakt er eveneens melding van. De inleiding van dit paper begint met een vermelding van een soortgelijke anekdote die ik ooit hoorde als kind. Het is mogelijk dat dit dezelfde anekdote is (in welk geval het feit van haar bestaan bevestigd is), maar zeker weten doe ik het niet.
12 Citaat is aan te treffen tussen het bonusmateriaal van de Lumivision DVD uitgave van The Lost World.
13 Pinteau 2004: p. 222
14 Rovin 1977: p. 25
15 Brosnan 1974: p. 152-153
16 Dit claimt IMDb, op de DVD van The Lost World wordt gemeld dat de artiest onbekend is.
17 Ook deze short is aan te treffen op het bonusmateriaal van de Lumivision DVD uitgave van The Lost World. De precieze titel is Pathé Review ,Vol. 40, # 27: Monsters of the Past.