Sad news reached MovieScene late last night and my blog today:
http://www.moviescene.nl/p/146913/ray_harryhausen_overleden
The greatest living legend of special effects lives no more, but the legend remains forever.
It's ironic to know that, even in this effects saturated age where audiences have been completely spoiled by an overabundance of computer generated imagery, there's very next to no effects pioneers whose names have become household terms to the realm of special effects in the same regard as 'Harryhausen' has become over the years. Truth is, Harryhausen was just one man responsible for some of the most memorable fantasy action sequences in film lore, whereas his contemporary fellow effects technicians remain a vast, faceless army of pixel pushing drones. Their work, though at times undeniably impressive, just lacks the utter charm and persona of Harryhausen's stop motion creatures that have thrilled and inspired audiences for decades, and will for many decades to follow. Though never truly realistic - which was not particularly the master's intent since he realized full well the limitations of stop motion photography and generally aimed for a dream like atmosphere to add to the feeling of fantasy - his creations always felt more alive than most of their later counterparts.
Harryhausen was always a guarantee for a thrill ride of a movie experience, and even though he only worked on sixteen theatrical movies in total from 1949 till 1981, they are sixteen of the finest Sci-Fi and fantasy pictures ever, really the Lord of the Rings and Jurassic Park equivalents of those days. Though I am saddened by his death (even though he lived to an appropriate old age), I am glad his work will survive him and will always be remembered with general enthusiasm, not so much because it has withstood the test of time but because it has surpassed the test of time, proving that true effects craftsmanship doesn't have to be photorealistic to make for mesmerizingly exciting action sequences and leave a lasting impression.
My only regret when it comes to Harryhausen? I should have went to that masterclass of him in 2005... Oh well, at least I got some autographs on my copies of The 7th Voyage of Sinbad and The Beast from 20,000 Fathoms. I should go and have myself a Harryhausen monster movie marathon now.
Posts tonen met het label Ray Harryhausen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ray Harryhausen. Alle posts tonen
woensdag 8 mei 2013
woensdag 25 juli 2012
The Movie Stars which were Visual Effects, Part 2
Another slow week for watching films. I have yet to
see The Dark Knight Rises (shame
on me, I know), but I'm experiencing its effects firsthand at work
(though it's not nearly as bad as in America). I'll get to see it
soon enough no doubt. At home I'm currently screening Community,
which I feel is kinda like the audiovisual televised equivalent of rootbeer in the classic DS9 sense. So with things going slow, I
decided to take the opportunity to return to what I started last week
and continue posting my article entitled The
Movie Stars which were Visual Effects: Early Stop Motion and Realism.
I'm not one to keep unfinished business in such a state of being
after all.
Before though, there's just one little thing I need
to share, which concerns a comment regarding the upcoming Expendables
2 printed in the last issue of Preview
Magazine, which in hindsight turned out so awkward it shows just how
precarious a film critic's job can be (though the level of criticism
in Preview Magazine has seriously deteriorated over the last few
years in favor of mindless commercialism: unsurprisingly, with the
Pathé
Theaters company now financially backing the magazine). The quote (in
its original Dutch, but you'll get the meaning in English too) is
this:
'Wij zijn vast onze A
A12-shotgun aan het poetsen en onze messen aan het slijpen on guns
blazing de bios in te rennen.'
Oops! They'll be sure to be less straightforward with
such comments next time! And then there's the dark irony concerning
the 'Ultrakort' short films attached to various big movies of the
next few weeks (including The Dark Knight
Rises), with one of their number carrying
the title Aurora.
Yikes! Maybe the media are subconsciously driving members of the
general public to shocking acts of violence after all... however,
I'll continue to refuse such claims. The
Dark Knight (rated '16' in the Netherlands)
has been watched by nigh a billion spectators worldwide, and so far
only one of them got the urge to dress up like the Joker and kill
people for a midnight screening of The Dark
Knight Rises (rated '12' in the
Netherlands, so less violent). Folks blaming massacres like these on
movies are pointing fingers to easy scapegoats, instead of where
attention should really be directed at: lousy gun laws. Wake up,
America!
Anyway, stop motion. I don't think it has ever killed
people or driven someone to kill others.
Chapter
2: from A Prehistoric Tragedy
to The Lost World
In tegenstelling tot
Méliès had Willis O’Brien geen achtergrond in het theater of het
illusionisme. Alvorens zijn talenten in de filmindustrie in te zetten
was hij werkzaam als beeldhouwer en tekenaar; zijn kwaliteiten in de
beeldende kunst bleken onmisbaar voor zijn latere werk als stop
motion animator. Het hielp hem bij het schetsen en grafisch
ontwerpen van de modellen die in zijn eerste films optraden (voor
latere films, zoals The Lost World, besteedde hij dat werk uit
aan Marcel Delgado, terwijl hij zich zelf hoofdzakelijk op het
animatieproces richtte).
Het is onbekend of
O’Brien ooit één van de vroege stop motion animation
filmpjes die hierboven genoemd worden heeft gezien. Het is niet
uitgesloten, maar over het algemeen wordt aangenomen dat hij zelf op
het idee van de techniek kwam in 1915, toen hij experimenteerde met
modellen van boksers en zich afvroeg hoe het er op film uit zou
zien.1
Na een experimenteel filmpje met een boksgevecht tussen klei-figuren
te hebben geschoten, werkte O’Brien het concept van klei-animatie
verder uit en in 1915 produceerde hij een filmpje genaamd The
Dinosaur and the Missing Link: a Prehistoric Tragedy (USA:
Willis O’Brien, 1915). Hij presenteerde het aan de Edison Company:
onder de indruk van dit proces, dat O’Brien aanduidde als
‘animation in depth’2,
werd hij ingehuurd om enkele soortgelijke korte films over de
prehistorie te vervaardigen, waarbij hij gebruik bleef maken van
klei-figuren, en later rubber modellen, om de in dit werk geschetste
prehistorische wereld te creëren.3
Met weinig ervaring in de filmindustrie maakte O’Brien vanaf begin
af aan al gebruik van de stop motion animation die
kenmerkend voor zijn oeuvre zou worden: niet voor niets wordt hij als
de grondlegger van stop motion beschouwd, hoewel al is
gebleken dat hetzelfde principe al eerder door anderen werd
toegepast. O’Brien specialiseerde zich echter uitsluitend in stop
motion films. In deze films (en de films die hierop volgden)
toont O’Brien een volledig artificiële wereld, waarin geanimeerde
holbewoners en geanimeerde prehistorische wezens samenleven en in
komische situaties terechtkomen. De films zijn niet serieus bedoeld,
maar een stop motion versie van getekende cartoons als Gertie
The Dinosaur (1914). Waar Méliès zijn stop motion
inzette als trucage voor situaties in de echte wereld, gebruikt
O’Brien het hier om een fantastische wereld te tonen die volledig
kunstmatig is en ook niet claimt reëel te zijn. Desondanks was men
onder de indruk van de “levensechte” kwaliteit van zijn
animaties: een recensie van The Dinosaur and the Missing Link
in The Moving Picture World omschreef de animaties als
‘startling and amusing at the same time. The
grotesque manikens are curiously human in their movements’.4
De animatie heeft hier echter niet als doel zodanig
realistisch te zijn dat het publiek zich afvraagt ‘hoe men dat
gedaan heeft’, maar is een hulpmiddel voor een narratief dat
eindigt in een grap. De holbewoners zijn voor dit doeleinde te
overduidelijke poppen, met koddige bewegingen en een cartoonesk
uiterlijk (hiervoor putte O’Brien ongetwijfeld uit zijn ervaring
als cartoonist). Hetzelfde geldt voor de dieren, die minder
gedetailleerd en schattiger zijn dat hun opvolgers uit O’Briens
latere werk. Realisme is niet het doel in dit vroege werk, het
straalt eerder surrealisme uit. Een voorbeeld is te vinden in een
tweede filmpje uit 1916, R.F.D. 10,000 B.C (USA: Willis
O’Brien, 1916), waarin een prehistorische postbode overspel pleegt
met de vrouw van een holbewoner en daarom gewelddadig doormidden
wordt gehakt: zijn bovenlijf belandt in een boom, waarna zijn benen
op zoek gaan naar de rest van zijn lichaam. Aangekomen bij de boom
sommeert het bovenlijf de benen omhoog te springen, waarna de twee
helften in de lucht weer aan elkaar gezet worden. Een extreme gag,
waarop realisme klaarblijkelijk niet van toepassing is. O’Briens
shorts voor Edison zitten vol met dergelijke situaties en zijn
duidelijk komedies, zij het op een andere manier uitgevoerd dan men
tot op heden gewend was. Desondanks hanteren de filmpjes een
vergelijkbare cinematische stijl als andere films in die tijd,
compleet met intertitles en close-ups voor emotionele momenten
(ongeacht de simplistische gezichtsuitdrukkingen van O’Briens
holbewoners).
The Dinosaur and
the Missing Link werd opgevolgd door meer soortgelijke
shorts waaronder Prehistoric Poultry (USA: Willis
O’Brien, 1916) en Curious Pets of Our Ancestors (USA: Willis
O’Brien, 1917) waarin O’Brien de cartooneske trend voortzette.5
In 1918 veranderde hij van toon met The Ghost of Slumber Mountain
(USA: Willis O’Brien, 1918), een film die niet alleen veel
langer was dan de korte films die hij voor Edison maakte6,
maar waarin ook op een meer serieuze manier gebruik van stop
motion werd gemaakt. Vanwege kritiek op de cartooneske stijl
waarin hij zijn dinosauriërs in zijn vorige werk weergaf besloot hij
vanaf nu aan zijn wezens zo anatomisch correct mogelijk te
portretteren, beginnende met deze film.7
Deze beslissing markeert de significante overgang van stop motion
als charmante vorm van trick photography (tot nu toe alleen
toegepast in niet serieuze films van zowel Méliès als O’Brien
zelf) naar serieuze methode voor het realistisch weergeven van het
onmogelijke. Deze nieuwe drang naar realisme ging O’Brien
aanvankelijk niet gemakkelijk af: de dinosauriërs in The Ghost of
Slumber Mountain waren qua beweging en stijl houterig en traag,
meer dan de energieke animatiestijl die hij in de Edison-filmpjes
hanteerde. Desondanks slaagde O’Brien erin om de creaturen meer als
echte dieren dan als animatiekarakters neer te zetten door hun
natuurlijk gedrag toe te schrijven: een prehistorische loopvogel
vangt een slang, een Triceratops-paar gaat een gevecht aan en een
Tyrannosaurus doodt een prooi. O’Brien mengde dit natuurlijk gedrag
met spektakel; een grazende Brontosaurus alleen is immers maar saai,
realistisch drama is nodig om het publiek geboeid te houden. Hij
slaagde in deze opzet, want The Ghost of Slumber Mountain werd
een bescheiden kassucces. O’Briens stap van korte surrealistische
komedies naar cinematisch spektakel bleek succesvol.
Desondanks hield
O’Brien in The Ghost of Slumber Mountain de echte wereld en
zijn fantastische geanimeerde wereld gescheiden. Het verhaal
accommodeerde deze scheiding: de protagonist van de film ziet de
prehistorische wereld door een magische telescoop, maar komt er zelf
niet in terecht. Hoewel dit de eerste keer was dat O’Brien echte
mensen in een film toonde, delen zij en de geanimeerde dinosauriërs
in de loop van de film nooit het scherm, zelfs niet op het einde
wanneer de Tyrannosaurus door de magische barrière breekt en de
protagonist direct bedreigt. Als dit gebeurt wordt hij wakker en komt
hij erachter dat zijn observaties van de prehistorie in een droom
plaats hebben gevonden. O’Briens fantastische werk blijft ook in de
diëgese van de film behoren tot het rijk der fantasie.
Voor zijn volgende,
zeer ambitieuze, project veranderde O’Brien deze tactiek. The
Lost World draait om een groep ontdekkingsreizigers die op een
Zuid-Amerikaans plateau een prehistorische wereld aantreft en er
gevangen raakt waarop deze mensen moeten zien te overleven in een
land vol woeste dinosauriërs. In een dergelijke situatie is een
treffen tussen mens en monster niet uit te sluiten, waarop O’Brien
een manier moest verzinnen om zijn animaties met acteurs het scherm
te laten delen zonder de illusie te doorbreken: zijn wezens moesten
niet herkenbaar zijn als de modellen die zij eigenlijk waren, maar zo
realistisch mogelijk zijn en de massa en levendigheid van echte
dinosauriërs uitstralen.
Voor dit doeleinde
vond O’Brien een manier van splitscreening uit waarbij
afzonderlijk gefilmde elementen, live-action en stop motion
(in dit geval dus de acteurs en O’Briens animaties) in eenzelfde
filmframe geplaatst konden worden zodat zij op hetzelfde moment op
dezelfde plaats leken te zijn. Dit was geen eenvoudige opgave en een
enorme stap voorwaarts vergeleken met zijn vorige film, waarin de
animatie beperkt bleef tot tafels gevuld met oerwoud-minitiaturen en
de acteurs in een afzonderlijk shot gefilmd werden op een locatie die
niet eens leek op een oerwoud. In The Lost World moesten de
omgevingen waarin de acteurs en de modellen zich bevonden naadloos op
elkaar aansluiten. O’Brien hield het eenvoudig en splitste in zijn
nieuwe techniek het onderste deel van het frame af van het bovenste
deel, waarin één deel bevolkt werd door de animaties en het ander
door de set en de acteurs. In het overgrote deel van de shots waarin
hij deze splitscreen techniek toepast bevinden de dinosauriërs
zich in het bovenste gedeelte van het frame, om hen de impressie van
grootte te geven tegenover de acteurs, die veel kleiner in het
onderste gedeelte van het frame geplaatst werden.8
Zo kon hij deze techniek dus ook als hulpmiddel voor het realisme van
zijn stop motion toepassen.
Hoewel mens en model nu dus in hetzelfde shot te zien waren, blijft
de film verstokt van directe interactie tussen beiden. De
dinosauriërs en mensen gaan elkaar niet direct te lijf, het blijft
beperkt tot stop motion gevechten van monsters tegen monsters,
met de acteurs doorgaans als
passieve toeschouwers die zulke spektakels gadeslaan. Er worden geen
mensen gedood of opgegeten, dus shots waarin mens en animatie in
direct contact met elkaar zijn, zijn niet noodzakelijk. In deze
context waren de scènes in Londen aan het eind van de film waarin
een op hol geslagen Brontosaurus de stad teistert extra
gecompliceerd. Ook hier wordt gebruik gemaakt van splitscreening,
waarin het directe contact van de Brontosaurus als hij tussen de
massa vluchtende mensen loopt verdoezeld wordt onder een nevelachtige
laag tussen beide delen van het frame, die impliceert dat het dier
over de Engelse mist of smog torent, en bovendien extra atmosfeer aan
de scène geeft. Zo wordt de schijn gewekt dat het dier tussen de
mensen door banjert en daarbij ongetwijfeld mensen vertrapt, maar
krijgen we het net niet te zien (waardoor de beelden ook niet
te schokkend overkomen op het publiek). Voor die paar shots waarin
interactie tussen mens en monster getoond wordt is geen gebruik
gemaakt van stop motion: in het shot waarin een aantal
voorbijgangers overhoop wordt gekegeld door de staart van de
dinosaurus gebruikte men bijvoorbeeld een full scale staart.9
Hoewel de illusie van een wereld bevolkt door dinosauriërs en mensen
voor de oplettende toeschouwer misschien tekort wordt gedaan door een
gebrek aan interactie tussen beiden, gaf O’Brien zijn modellen de
nodige karaktereigenschappen en realistische effecten mee. In een
poging hun natuurlijk gedrag zo precies mogelijk na te bootsen doen
de creaturen wat echte dinosauriërs gedaan zouden hebben, tot aan
ademen toe (dit effect werd bereikt door luchtzakken in de modellen
te plaatsen die met lucht gevuld en geleegd konden worden via
onopmerkzame buizen in het model). O’Briens oog voor detail blijkt
overduidelijk uit close-ups van kwijlende dinosauriërs en bloedende
verliezers van prehistorische gevechten. Door zulke toevoegingen,
waarvan hij zich in The Ghost of Slumber Mountain nog niet
bediende, werd het publiek overrompeld door het hoge realistische
gehalte. Scott MacQueen, filmhistoricus en
supervisor van de restauratie van The
Lost World merkt op:
Attention to
detail made O’Brien’s lost worlds real places, just as his
concern for the interior lives of his beasts endowed them with
personalities and character tics that made them believable and
alive.10
The Lost World
werd een groot succes, en de meeste aandacht van het enthousiaste
publiek ging naar de vraag hoe men dit voor elkaar gekregen had. De
technieken werden destijds echter niet publiekelijk gemaakt om de
illusie voor mensen niet te verknoeien en te zorgen dat er geen
illegale versies gemaakt werden door kleine producers die een
graantje mee wilden pikken van het succes. Door deze geheimhouding
werd er door sommige mensen de suggestie geopperd dat het hier om
echte dinosauriërs ging. Sir Arthur Conan Doyle, de auteur van het
boek waarop de film The Lost World gebaseerd was, toonde al in
1922 een test reel van O’Briens stop motion aan de
Society of American Magicians, onder leiding van Harry Houdini,
waarbij hij de indruk wekte dat de op het scherm getoonde
dinosauriërs echt waren. De grap liep enigszins uit de hand
aangezien zijn publiek zo overweldigd was door het realisme van de
scène dat de New York Times de dag daarop een artikel
publiceerde onder de kop ‘Dinosaurs Cavort in Film for Doyle:
Spiritist Mystifies World-famed Magicians with Pictures of
Prehistoric Beasts, Keeps Origin a Secret’. Doyle
gaf later toe dat het om special effects
voor een filmversie van zijn boek ging (wat de nodige gratis
publiciteit voor The Lost World
en O’Briens werk opleverde)11,
waarbij hij verklaarde:
The dinosaurs
and other monsters have been constructed by pure cinema, but of the
highest kind […] to provide a little mystification to those who
have so often and so successfully
mystified
others. And now, Mr. Chairman, confidence begets confidence and I
want to know how you got out of that trunk.12
De laatste opmerking
is een duidelijke sneer naar Doyle’s vriend Houdini die hem altijd
in het duister liet tasten over de precieze technieken achter zijn
trucs als illusionist. Een echte illusionist vertelt zijn geheimen
immers niet, en hetzelfde gold in deze tijd voor een effectsartiest
in de filmindustrie. Echter, dat een publiek bestaande uit
professionele illusionisten de indruk werd gewekt dat het hier om
echte beelden ging zegt heel wat over de realistische kwaliteiten van
O’Briens werk! Als zelfs illusionisten al overdonderd waren door
deze special effects is het niet uitgesloten dat er waarheid
zit in Pinteau’s uitspraak dat ‘het publiek in 1925 de eerste
realistische dinosauriërs ooit gefilmd’ te zien kreeg.13
De New York Times
omschreef de film als ‘an effort
likely to provoke a great deal of discussion, as the movements of the
dummies appear to be wonderfully natural’.14
Desondanks was niet iedereen onder de indruk, zoals blijkt uit
de volgende uitspraak uit een recensie van de film in het Britse Kine
Weekly:
The
reproductions of animals are good, but, as is only expected, somewhat
mechanical. There is hardly enough scope allowed for size comparisons
except in the London scenes.15
Uit dit citaat
blijkt dus dat de meningen over de special effects verdeeld
waren, maar over het algemeen zijn de bronnen het erover eens dat het
merendeel van de toeschouwers onder de indruk was van O’Briens
werk.
Was O’Brien de enige die in deze periode gebruik maakte van stop
motion photography? Dat niet, maar hij was wel de meest
prominente en productieve vertegenwoordiger van de techniek.
Vergelijkbaar materiaal uit deze periode is nauwelijks bewaard
gebleven, met één uitzondering. In 1923 verscheen in de reeks Pathé
Review films een short genaamd Monsters of the Past,
een korte film die qua opzet vergelijkbaar was met O’Briens werk in
The Ghost of Slumber Mountain, een realistische weergave van
enkele dinosauriërs via stop motion. De animatie was houterig
en star (eveneens vergelijkbaar met The Ghost of Slumber Mountain)
en de modellen misten detail en karakter, maar de short geeft
aan dat, misschien geïnspireerd door O’Briens werk, ook anderen
experimenteerden met stop motion animation. De naam van de
animator is Virginia May16,
maar ander werk is van haar niet bekend. De film toont uitsluitend
stop motion dinosauriërs, geen acteurs of geanimeerde
mensen.17
1
Rovin, Jeff. From the Land Beyond
Beyond: the films of Willis O’Brien and Ray Harryhausen.
New York: Berkley Windhover Books, 1977: p. 7
2
Rickitt, Richard. Special Effects: the
history and technique. New York:
Billboard Books, 2000: p. 150
3
Pinteau 2004: p. 220
4
Rovin 1977: p. 11
5Rovin
maakt melding van een totaal van 10 van zulke shorts. Rovin
1977: p. 23. Een aantal hiervan is helaas verloren gegaan, dus de
mogelijkheid bestaat dat het er meer waren.
6
De film had oorspronkelijk een lengte van ongeveer 90 minuten,
terwijl zijn vorige werk nooit langer was dan 10 minuten. Om
onduidelijke redenen monteerde de producer, Herbert Dawley, de film
echter tot een lengte van slechts 19 (!) minuten. Het verwijderde
materiaal is verloren gegaan. Rovin 1977: p. 12
7
O’Brien schakelde onder andere de hulp in van een deskundige van
het American Museum of Natural History. Rovin 1977: p. 11-12 /
Schechter & Everitt 1980: p. 155. Ook tegenwoordig is het niet
ongebruikelijk in de filmindustrie om deskundigen van
wetenschappelijke disciplines om hulp te vragen voor een zo
realistisch mogelijke weergave van fantastische wezens. Als
voorbeeld kan paleontoloog Jack Horners deelname als ‘scientific
consultant’ aan de Jurassic Park films dienen. Ook in
dit opzicht kan O’Brien dus als prototypisch voor de
effectsindustrie beschouwd worden.
8
Als uitzondering kunnen hier de shots van de gewonde Brontosaurus
dienen, die na een val van een klif in een modderpoel ligt. De
ontdekkingsreizigers zien hem liggen en kijken hierbij op hem neer
in een scène waarin zij het bovenste gedeelte van de shots bevolken
en de gevallen Brontosaurus het onderste. Dit gebruik van de
splitscreen techniek krijgt extra diepgang als in de scène
besloten wordt de Brontosaurus als trofee mee naar Engeland te
nemen, waarop deze shots dienen als metafoor van de triomf van de
mens over het monster: de mens staat als overwinnaar letterlijk
boven de dinosauriër.
9
Rickitt 2000: p. 153
10
Citaat is aan te treffen onder het bonusmateriaal van de Lumivision
DVD uitgave van The Lost World.
11
Deze beroemde anekdote wordt door meerdere auteurs aangehaald, oa.
Rickitt 2000: p. 151-152 / Schechter &
Everitt 1980: p. 158 / Rovin 1977: p. 17. RKO Production
601: the Making of ‘Kong, the Eighth Wonder of the World’
(een uitgebreide documentaire over King Kong op de
2-disc special edition van de film (uitgave Warner Bros., 2005))
maakt er eveneens melding van. De inleiding van dit paper begint met
een vermelding van een soortgelijke anekdote die ik ooit hoorde als
kind. Het is mogelijk dat dit dezelfde anekdote is (in welk geval
het feit van haar bestaan bevestigd is), maar zeker weten doe ik het
niet.
12
Citaat is aan te treffen tussen het bonusmateriaal van de Lumivision
DVD uitgave van The Lost World.
13
Pinteau 2004: p. 222
14
Rovin 1977: p. 25
15
Brosnan 1974: p. 152-153
16
Dit claimt IMDb, op de DVD van The Lost World wordt
gemeld dat de artiest onbekend is.
17
Ook deze short is aan te treffen op het bonusmateriaal van de
Lumivision DVD uitgave van The Lost World. De precieze titel
is Pathé Review ,Vol. 40, # 27: Monsters of the Past.
Labels:
action,
animation,
creatures,
dinosaurs,
film history,
ghost of slumber mountain,
king kong,
Ray Harryhausen,
special effects,
stop motion,
technique,
the lost world,
willis o'brien
dinsdag 17 juli 2012
The Movie Stars which were Visual Effects: Early Stop Motion and Realism
I'm
still on vacation - i.e. sitting at home and watching telly; can you
blame me with this weather? - and haven't taken the time to go and
watch any new movies to review yet (something I hope to remedy in the
next few days). I've been expanding the Movie Archives on an almost
daily basis, covering the B and starting with C, but you'll notice
little of that on the main page. Since I believe in the necessity and
inevitability of change (and could use a break from writing
mini-reviews), I thought I'd might as well dust of one of my old
papers and post it here, thus also expanding the Article Section. So
here's the first episode of a three-part miniseries concerning early
stop motion and the matter of realism. It's a fun little paper, one I
had almost forgotten about. But it's definitely a must-add to my
blog, and I hope you enjoy it. As I remember it got a pretty good
grade too. Oh, the memories!
Inleiding
Ooit
hoorde ik een anekdote over The Lost World (USA: Harry O. Hoyt,
1925): er werd verteld dat de dinosaurussen in de film door het
publiek als levensecht werden beschouwd en de mensen zich afvroegen
waar deze dieren vandaan kwamen. In een enkel geval viel iemand flauw
bij de aanblik van de woeste Tyrannosaurus in de film. Of dit waar is
of niet is mij niet bekend. Het verhaal is vergelijkbaar met de
anekdote over de mensen in het publiek die angstig wegvluchtten voor
de naderende trein in L’arrivée d’un train à La Ciotat
(Frankrijk: Auguste en Louis Lumière, 1896), wat uiteindelijk niet
waar bleek te zijn. Als de anekdote over The Lost World echter waar
is zegt dit iets over het realisme dat men door middel van stop
motion animatie kon, of probeerde te, bereiken in deze en andere
films uit de vroege periode in de filmgeschiedenis.
De
verhouding tussen realisme en vroege stop motion is wat ik in
dit paper wil onderzoeken. Het proces werd (en wordt soms nog)
gebruikt in fantastische films om onmogelijke dingen te
verwerkelijken. Desondanks is het in de ogen van een hedendaags
publiek, dat verwend is met de luxe van Computer Generated
Imagery, nooit realistisch, maar overduidelijk met poppen gedaan.
Hoe keek het publiek er vroeger echter tegenaan? Werd het echt als
realistisch beschouwd? Of was men op de hoogte van het feit dat het
slechts modellen waren?
Het
is moeilijk zoveel jaren achteraf nog antwoorden te vinden op zulke
vragen. Desondanks zal ik hier een poging wagen. Mijn onderzoeksvraag
luidt als volgt:
In
welke mate werd stop motion animatie in de vroege cinema beschouwd
als realistisch?
Centraal
in mijn studie zal de relatie tussen stop motion en realisme
staan, maar ik zal ook aangeven welke plaats stop motion
aannam tussen andere vroege filmeffecten. Een andere vraag waar ik
zal trachten een antwoord op te geven is met welk doel stop motion
aanvankelijk gebruikt werd voor de cinema. Hoe groeide het uit tot
een zeer aanvaardbare manier van effectenwerk dat onmogelijkheden in
de realiteit mogelijk maakt op het scherm?
In
zal mij in dit paper hoofdzakelijk concentreren op het werk van
Willis O’Brien (1886-1962), de voornaamste pionier van vroege stop
motion, en in mindere mate op stop motion in trick
films van George Méliès (1861-1938), hoewel deze laatste niet
of nauwelijks gebruik maakte van puppet animation zoals
O’Brien dat deed, maar andere vormen van stop motion benutte
voor andere doeleinden. Bovendien zal ik mij beperken tot de periode
die loopt van 1895 tot 1933: in het laatste jaar werd King Kong (USA:
Merian C. Cooper en Ernest B. Schoedsack, 1933) uitgebracht,
ongetwijfeld het grootste meesterwerk dat ooit gebruik maakte van
stop motion, en als zodanig een film die goed aangeeft tot
welk realistisch niveau stop motion in staat is. Uiteraard
zijn er anderen die in deze periode gebruik maakten van stop
motion (hoewel niemand zo veelvuldig als O’Brien) en werd het
ook na 1933 nog frequent gebruikt (onder andere door de grootmeester
van de techniek, Ray Harryhausen), maar aangezien dit paper van
beperkte omvang is wil ik mij niet verliezen in een al te brede
bespreking van het onderwerp, maar richt ik mij hoofdzakelijk op het
hier afgebakende gedeelte van het stop motion terrein.
Hoofdstuk
1: realisme, trick films en Méliès
Alvorens
in te gaan op stop motion is het noodzakelijk eerst kort mijn
definitie van het concept ‘realisme’ te geven. Wat versta ik in
dit paper onder deze term? De inhoud van het begrip ligt in deze
scriptie in de wisselwerking tussen stop motion als
animatietechniek enerzijds en het weergeven van de werkelijkheid (of
een werkelijkheid) anderzijds. De interactie tussen mens (zij
het geanimeerd of van vlees en bloed) en stop motion monster
en de mate waarin zulke interactie natuurlijk en ongeforceerd
aanvoelt, daarop zal ik mij richten wanneer in spreek van realisme in
deze scriptie.
Dikwijls
wordt beweerd dat vroege cinema zich concentreerde op het op beeld
vastleggen van gebeurtenissen die zich voor de camera afspeelden. Dit
is zo, maar vaak waren zulke gebeurtenissen in scène gezet met als
doel vastgelegd te worden. Dit is dus niet het weergeven van de
realiteit, maar van een schijnwerkelijkheid, die de realiteit
nabootst. Special effects werden (en worden nog steeds)
toegepast als hulpmiddel voor het creëren van een dergelijke
schijnwerkelijkheid. Ook stop motion is hiervoor een
hulpmiddel. Hoe ingenieuzer de special effects, hoe
fantastischer de realiteit in de film; al in de vroege cinema namen
realiteiten in films dankzij special effects een ongelooflijke
vorm aan die in de alledaagse wereld niet daadwerkelijk kan bestaan.
Zulk
gebruik van vroege special
effects
vind men in de trick
films,
een categorie films die draaide om fantasie en hiervoor effecten,
waaronder vroege stop
motion,
inzette om het publiek versteld te doen staan van de illusies die de
films opvoerden. Hierbij hoefde niet eens gebruik gemaakt te worden
van een narratief, het ging hoofdzakelijk om de effecten zelf. Het
was een onderdeel van de ‘cinema
of attractions’,
de vroege cinema die draait om het visuele plezier van het publiek,
van de toeschouwer voor wie het hele idee van bewegend beeld op
zichzelf al fantastisch was. Trick
photography,
het manipuleren van de camera en/of de film voor het scheppen van
illusies1,
was de cinematische versie van theatraal illusionisme, waarin de
kijker op het verkeerde been gezet wordt en verrast wordt door de
trucages. Daarbij hoeven de trucages niet in dienst te staan van een
verhaal, hoewel dat in de loop der jaren, naarmate het filmpubliek
veeleisender werd, wel het geval werd in de cinema. Het is niet
verrassend dat zich onder de pioniers van de cinema mensen bevonden
die een achtergrond hadden in het illusionisme.
Een
van de eerste filmmakers die aanvankelijk werkzaam was in het theater
maar omschakelde naar film en haar potentieel was George Méliès,
die zich voornamelijk richtte op trick
films,
en trick
photography
voor narratieve doeleinden gebruikte. Méliès maakte op grote schaal
gebruik van trucages, om bijvoorbeeld het idee te geven dat objecten
van grootte veranderden of simpelweg verdwenen. Door middel van zulke
effecten schetste Méliès verhalen waarin mensen in de meest
fantastische en wonderbaarlijke situaties terecht kwamen, van
ruimtereizen (zoals in Le
voyage dans la Lune
(FR: George Méliès, 1902)) tot diepzeeduiken (zoals in Le
voyage à travers l'impossible
(FR: George Méliès, 1904)). Méliès toonde het publiek een
werkelijkheid en manipuleerde deze door middel van special
effects,
om het verhaal een fantastische richting in te sturen. Van groot
belang was hierbij de montage, waarin hij gebruik maakte van onder
andere ‘superimpositions’,
‘dissolves’
en ‘time-lapse’.
Hoewel zulke special
effects
in wezen in dienst stonden van het verhaal in het merendeel van zijn
films, vormden ze desondanks zelf de grote attractie. De
verhaallijnen in de films werden als charmant ervaren, maar het waren
de trucages die het publiek zich deed afvragen ‘Hoe doen ze dat?’.
Zoals het een echte illusionist betaamt liet Méliès het publiek
ernaar raden. Hij was een theatrale showman
die zijn trucages, waar het immers allemaal om draaide, niet
verklapte.2
Hoe
zit het met stop
motion
in Méliès’ werk? Het was voor hem slechts één van de vele
beschikbare special
effects,
en hij maakte er niet op zodanig veelvuldige wijze gebruik van dat
het typerend voor zijn oeuvre genoemd kan worden (in tegenstelling
tot latere pioniers als O’Brien en Harryhausen, in wiens geval stop
motion
hun ‘trademark’ is). Hierdoor is het wel aanwezig, maar niet in
opvallende mate. Hij gebruikt het voornamelijk in ‘stop
substitution’,
een techniek waarbij de camera filmt, stilgezet wordt, en vervolgens
weer verder filmt, terwijl men in de tussentijd de mise-en-scène
veranderd heeft: zo kan de filmmaker het publiek laten geloven dat er
in een oogwenk iets veranderd is binnen de realiteit die de film
presenteert. Deze techniek is niet hetzelfde als stop
motion animation,
de techniek die in deze scriptie de boventoon voert. Hierbij maakt
men gebruik van modellen die men frame voor frame beweegt om zo de
illusie van beweging op te wekken. Het principe is echter gelijk, de
verandering van frame tot frame binnen een film voor doeleinden die
zonder de techniek onmogelijk zijn. Volgens dit gegeven liet Méliès
een skelet veranderen in een levende vrouw in Escamotage
d'une dame au théâtre Robert Houdin (FR:
George Méliès, 1896). In deze zeer korte film (plusminus 30
seconden), die zijn eerste film met special
effects
erin was3,
maakt hij gebruik van stop
motion
wanneer hij zichzelf - hij gebruikte zichzelf in zijn eerste films
dikwijls als hoofdrolspeler - toont terwijl hij een doek over een
stoel hangt, waarbij eerst een skelet verschijnt, en na de doek een
tweede keer gebruikt te hebben er een vrouw onder vandaan komt.4
De hele scène is frame voor frame in elkaar gezet, waardoor de
bewegingen van Méliès nogal houterig en onrealistisch overkomen.
(Dit is het grote argument tegen het realisme van stop
motion,
dit effect van strobing:
de animatie lijkt houterig omdat de toeschouwer de individuele
posities van de modellen ziet
als
individuele posities in plaats van één vloeiende beweging wat het
gesuggereerd wordt te zijn.5
Dit effect geeft stop
motion
volgens velen echter een ‘droomachtige kwaliteit’ wat een
belangrijk kenmerk is voor de fantastische film.6)
Dit
is niet het enige voorbeeld van stop motion in Méliès’
werk, maar wel het treffendste. Het geeft aan dat stop motion
net als andere trucages gebruikt kon worden om toeschouwers een
verrassend effect voor te schotelen om verbazing en amusement bij hen
op te wekken. Stop motion en andere special effects
trekken daardoor de toeschouwer een fantastische wereld binnen waarin
datgene mogelijk is wat niet in de alledaagse wereld gebeurt. Alec
Worley merkt op:
Transformation
is the essence of magic, be it transforming one thing into another or
producing something out of nothing. Thus fantasy cinema was born the
moment George Méliès turned his assistant into bones.7
Hoewel
Méliès stop-substitution
met grote regelmaat benutte, maakte hij echter zelden gebruik van
stop
motion animation,
wat de focus is van dit paper. Zijn aandacht in het opwekken van
trucages ging meer uit naar het beeld voor beeld bewegen van acteurs
dan in het animeren van modellen, terwijl latere filmmakers stop
motion
gebruikten om modellen in hetzelfde frame als acteurs te tonen en de
suggestie te wekken dat er tussen beide interactie plaatsvond. Voor
Méliès is stop
motion
een special
effect
als ieder ander: een hulpmiddel, een techniek, een trucage die een
verrassing kan opwekken maar niet zodanig dat het de film maakt.
Hoewel Escamotage
d'une dame au théâtre Robert Houdin tot
het fantastische genre gerekend kan worden houdt Méliès het in
menselijke context: hij gebruikt stop
motion
voor personen, niet voor onmenselijke wezens zoals later het meest
gebruikte doel van de techniek zou worden. Méliès benutte geen
poppen of modellen die frame voor frame bewogen werden om als
dergelijk “levend wezen” te figureren, een special
effect
dat als personage diende dat alleen via special
effects
gerealiseerd kon worden. Realisme speelde überhaupt geen rol in
Méliès’ werk, aangezien hij wist dat de trucages in zijn films
net zo artificieel waren als die in het theater en dat het publiek
hiervan op de hoogte was.8
Hierdoor nam hij niet de moeite om van stop
motion
een techniek voor het nabootsen van de realiteit te maken.
Hoewel
het in Méliès’ films niet naar voren komt werd stop
motion animation
al kort na de geboorte van de cinema toegepast. De vroegst bekende
film die deze vorm van stop
motion
toepaste is waarschijnlijk The
Humpty Dumpty Circus
(USA: Albert E. Smith, 1897) gemaakt door de Edison Company, waarin
houten dieren en acrobaten kunstjes vertonen in een filmpje van 40
seconden.9
De film werd goed ontvangen waarop Edison een tweede filmpje met
dezelfde techniek vervaardigde, A
Visit to the Spiritualist (USA:
Regisseur onbekend, 1899). Een ander vroeg voorbeeld is The
Teddy Bears (USA:
Edwin S. Porter, 1907).10
Niemand zag er echter veel brood in of had het geduld om dit soort
filmpjes te blijven maken, op één persoon na, die daardoor als
pionier van deze techniek beschouwd wordt. Dit was Willis O’Brien,
een tijdgenoot van Méliès. En hij is degene die er als eerste een
middel in zag om het onmogelijke op een realistische manier mogelijk
te maken.
1
Brosnan, John. Movie Magic: the story
of special effects in the cinema.
Londen: MacDonald, 1974: p. 15
2
Worley, Alec. Empires of the
Imagination. Jefferson: McFarland &
Company Inc. Publishers, 2005: p. 23
3
Pinteau, Pascal. Special Effects: an Oral
History. New York: Harry N. Abrams
Inc., 2004: p. 22 / Schechter, Harold, David Everitt. Film
Tricks: special effects in the movies.
New York: Harlin Quist Books, 1980: p. 16
4
Worley 2005: p. 18-19
5
Brosnan 1974: p. 182
6
Schechter en Everitt 1980: p. 154
7
Worley 2005: p. 19
8
Schechter & Everitt 1980: p. 153
9
Brosnan 1974: p. 151
maandag 30 april 2012
Clash of the Titans (1981)
Rating:
****/*****, or 8/10
Final
picture for which legendary stop motion master Ray Harryhausen would
do the special effects work, though it still features some of his
most memorable and highest quality animated scenes, including
extraordinary characters like Medusa and the Kraken. Based on the
Perseus myth of Greek mythology, Clash of the Titans tells of
a conflict between gods fought via men and monsters, which pits the
young hero Perseus (Harry Hamlin) against the demonic Calibos
(performed by an actor in close-ups, but animated in long shots),
both of them attempting to conquer the heart of the fair princess
Andromeda (Judi Bowker, indeed quite a beauty). When the maiden is
threatened to be offered to the monstrous Kraken in sacrifice to save
her city, Perseus sets out on a quest to kill the serpentine Medusa
and bring back her head since her gaze turns all living creatures to
stone and might be the only weapon against the otherwise indestructible monster of the depths. Fortunately Perseus is aided by
man and god alike, as well as the winged stallion Pegasus: good thing
too, considering the host of gruesome monsters Calibos turns loose
upon him. Undoubtedly the most star studded cast ever assembled for a
Harryhausen picture – including Laurence Olivier, Ursula Andress,
Maggie Smith and Burgess Meredith – it's still the fabulous stop
motion puppets that fire the imagination the most in this excellent
fantasy film. Ranks right up there with Harryhausen's other fantastic
masterpieces The 7th Voyage of Sinbad
(1958) and Jason and the Argonauts (1963).
Starring:
Harry Hamlin, Laurence Olivier, Judi Bowker
Directed
by Desmond Davis
USA: MGM,
1981
Labels:
clash of the titans,
creatures,
desmond davis,
gods,
Greek mythology,
harry hamlin,
judi bowker,
kraken,
laurence olivier,
medusa,
monsters,
perseus,
Ray Harryhausen,
stop motion,
titans
maandag 12 maart 2012
The Beast from 20,000 Fathoms
Rating:
****/*****, or 8/10
First
dinosaur-on-a-rampage movie (beating the much more famous Japanese
Gojira by one year) is still one of the best of its kind,
mostly thanks to Ray Harryhausen's sublime stop motion animation.
After an H-bomb test in the frozen Arctic wastelands, a scientist
(Paul Hubschmid) spots a giant reptillian creature before being
wounded in an avalanche. At first his wild stories are met with
disbelief by his colleagues except for an old paleontologist (Cecil
Kellaway) and his attractive female assistant (Paula Raymond).
However, as soon as the monster, a fictional species of dinosaur
dubbed Rhedosaurus, attacks Manhattan, doubt turns into terror and
the scientists, in cooperation with the armed forces, race against
time to find a way to stop the beast. This was Harryhausen's first
solo project after having done most of the animation for Mighty
Joe Young (1949) together with his mentor Willis O 'Brien.
Apparently, Harryhausen was a good student, since the result of his
skill in animation proved at least as great as the master's own work
on King Kong (1933). Many creature-destroys-city films would
follow in its wake, but very few would come even close to this level
of realism. And fun. For a casestudy regarding the role of science in
this film, check this link.
Starring:
Paul Hubschmid, Cecil Kellaway, Paula Raymond
Directed
by Eugène Lourié
USA: Jack
Dietz Productions, 1953
Labels:
animation,
beast,
beast from 20000 fathoms,
cecil kellaway,
creature feature,
dinosaurs,
eugene lourie,
fifties,
monsters,
Ray Harryhausen,
science fiction,
scientists,
stop motion
Abonneren op:
Posts (Atom)










