Posts tonen met het label beast from 20000 fathoms. Alle posts tonen
Posts tonen met het label beast from 20000 fathoms. Alle posts tonen

woensdag 10 juni 2015

Today's Special: Top 10 Movie Dinosaurs


I don't write stuff like this very often, but this week I got inspired.

Top 10 Filmdino's

I guess you'll know what fired said inspiration. It's a Jurassic World this week and you're just living in it. Lucky little me got to see the movie in a press showing in advance and he liked it well enough. Nowhere near as magical or mindboggling as the original Jurassic Park, but I doubt anyone would have expected that. It was a fun dinosaur flick with sufficient original angles to make it worth this JP fan's while. Review up soon!

The day before I got to see JW I decided I needed to take a break from playing with JW Lego and write a piece on dinosaur movies. Again. But last time my historical overview (check the Archives here for details) was met with lackluster enthusiasm for not fitting the criteria properly. This time it does and with the dinosaur craze running rampant, it's as appropriate a time as it ever will be. Nevertheless, some overlap with the previous piece proved unavoidable. Consider them companion pieces.

So here's the 10 individual dinosaurs or dinosaur species I consider to have made the most inpact on cinemagoers since cinema's inception. It's a varied bunch, ranging from 1914 to the present, with most conceivable techniques of bringing the beasties to life included, from hand drawn animation to stop motion to guys in suits to expensive CGI. Only the live lizards with fins and horns glued to their bodies are absent (for obvious reasons). Some of these dinosaurs are scary as hell, vicious carnivores eating their way through prehistory. Others are mostly everyday animals driven by nature's instincts. Some of them are loveable, the sorts you'd want as pets. Others you'd never want to meet face to face, though paleontologists would gladly sacrifice a limb to see them in the flesh. The Number 1 pick is pretty obvious, and the why is again made apparent in Jurassic World. My predictions proved correct in terms of its role in that film. It's one of the movies' most memorable effects for a reason, not to mention the most popular dinosaur ever. And as this list illustrates, it and all other dinosaurs will forever captivate people's imaginations, proving that even extinction could be called relative.

The park is open...


woensdag 6 juni 2012

It Came from Cold War America, Chapter 6: Terrestrial creature movies

Been away for a few days and haven't seen any new movies. I almost went to the local sneak preview while on vacation, but my niece asked me to watch In Bruges with her instead and I never turn down an opportunity to watch that movie, because it's so brilliant (if you haven't seen it yet, correct this mistake ASAP!). There's little noteworthy movie news today, so I once again dust off my bachelor paper It Came from Cold War America, since I'm still not done posting that piece yet. Plus, I only posted 5 new main page messages last month (though I did also post like 40 archive messages if you hadn't noticed, so the lack of main page activity wasn't due to laziness on my part), and I'd like to do better in June. ICfCWA opened May, so it might as well do the same this month. It's still not in English, and considering the time it would take to translate it, it may never well be translated. 


Paragraaf 6.1: Definitie subgenre
 
Het terrestrial creature genre is in veel opzichten vergelijkbaar met het alien invasion genre, maar thematisch verschilt het er sterk mee. Beide subgenres onderhouden nauwe banden met horror en tonen wezens die op grote schaal vernietiging veroorzaken, maar waar de monsters in alien invasion films gekenmerkt worden door hun technologie is dit bij terrestrial creature films niet het geval. Integendeel, de monsters worden gekenmerkt door hun band met de natuur, en dus een afwezigheid van technologie.
Het voornaamste thema dat dit subgenre aanspreekt is Man against Nature. De monsters zijn, direct of indirect, producten van de Aardse natuur. Vandaar de specifieke benaming die ik dit subgenre heb toegeschreven: deze link met de Aarde en natuur maakt de creaturen terrestrial. De natuur is een uiting van ‘Otherness1. De mensheid moet zich in de films uit dit subgenre verdedigen tegen vervormde scheppingen van Moeder Natuur, die hij per ongeluk door zijn eigen hoogmoed en kennisdrift heeft opgeroepen. Biskind duidt het aan als ‘a conflict between culture and nature2.
Want hoewel de creaturen vaak alledaagse producten van de natuur zijn, is de reden dat zij zich tegen de mens keren vaak door diezelfde mens en zijn technologie afgeroepen. De menselijke cultuur heeft het met haar technologie aangedurfd Moeder Natuur te tergen, en zij slaat terug door natuurlijke wezens, gewekt of vervormd, als resultaat van deze technologie op de mensheid los te laten3. Sobchack beschrijft de monsters als een representatie van ons collectieve schuldgevoel over het ontwikkelen van zulke angstaanjagende technologie4. Niet voor niets zijn veel monsters in dit subgenre geschapen door atoomexperimenten. De mieren in Them! waren slechts normale insecten totdat zij dankzij langdurige atoomproeven in hun leefgebied muteerden en tot monsterlijke afmetingen groeiden. De Rhedosaurus – uiteraard is voor de moderne mens een dinosaurus niet zozeer een alledaagse verschijning (en in het geval van de Rhedosaurus geldt dit nog sterker, aangezien het hier een fictieve soort betreft), maar de natuur zelf discrimineert niet op basis van een dergelijke leeftijd: voor haar is een prehistorisch wezen niet minder haar schepping dan een hedendaags wezen – in The Beast from 20,000 Fathoms werd uit zijn miljoenen jaren durende slaap in het poolijs gewekt door eenzelfde atoomproef. Het gerommel met kernproeven leidde ertoe dat deze wezens dood en verderf zaaien, hoewel zij dit niet bewust doen. Zij gaan slechts door met het uiten van hun natuurlijke gedrag. De mieren verschuiven de schaal van hun standaardgedrag: in plaats van insecten eten zij nu mensen, en zij nestelen nu in rioolbuizen in plaats van normale mierentunnels. De Rhedosaurus trekt na zijn ontwaken naar zijn voormalige nestgronden, waar nu New York staat. De mensen staan deze wezens in de weg, maar hebben dit aan zichzelf te danken.
Ook op dit thema zijn variaties te vinden. Hoewel veruit de meeste monsters in dit subgenre ontstaan als – onbedoeld!5 – gevolg van experimenteren met technologie, zijn ook andere menselijke karaktereigenschappen verantwoordelijk voor hun woede. Zo wordt hebzucht en gebrek aan respect voor de natuur ook bestraft, zoals gebeurd in Creature from the Black Lagoon en de sequels Revenge of the Creature (USA: Jack Arnold, 1955) en The Creature Walks Among Us (USA: John Sherwood, 1956), waarin mensen eerst arrogant binnendringen in het territorium van het creatuur (een prehistorisch aquatisch wezen) om het te onderwerpen, vervolgens het creatuur gevangen nemen en het exploiteren door het als attractie tentoon te stellen, en er tenslotte op experimenteren om het tot een mens om te vormen. Geen wonder dat het creatuur zulk weerzinwekkend gedrag afstraft en vernielingen aanricht.
Want hoewel de vijand in dit subgenre de natuur lijkt, vloeit dit slechts voort uit de reflexiviteit van dit subgenre. De mens is zijn eigen grootste vijand, en het publiek leert hier over na te denken. Menselijke overmoed en hebzucht verwoesten en vervormen de natuur, waardoor de natuur geen optie heeft behalve terug te slaan. Dit subgenre doet mensen inzien dat zij niet de natuur moeten willen overheersen, maar een vreedzame balans moeten vinden. De monsters in dit genre zijn slechts metaforisch. Vernietiging van de natuur leidt tot de vernietiging van de mensen zelf. Deze boodschap is vandaag nog net zo actueel als in de vijftiger jaren. Als een atoombom de Rhedosaurus uit zijn slaap wekt, mogen we wel uitkijken dat het smelten van de ijskappen door klimaatsverandering niet hetzelfde resultaat heeft…

De films uit dit subgenre volgen doorgaans een formule die sterke overeenkomsten vertoont met de typische narratie van het alien invasion subgenre6. Ook hier is de protagonist een intelligente man, meestal een wetenschapper, vergezeld van een aantrekkelijke dame, die als één van de eerste mensen met het monster in aanraking komt. In een aantal gevallen komt dit omdat hij al bekend is met het schepsel of zijn schepper, waardoor hij beter op de hoogte is van manieren om het te bestrijden en daardoor wordt ingelijfd bij het team dat het onschadelijk moet maken. Ook hier bestaat het team uit wetenschappers en militairen die nauw samenwerken. De protagonist bedenkt meestal de oplossing van het probleem, en dus de manier om het monster onschadelijk te maken. Dit lukt, waarna hij en zijn vrouwelijke metgezel een wederzijdse romantiek wacht. Deze formule is een variatie op Lucanio’s 'klassieke tekst'7, maar bevat vaak ook kenmerken van de 'Prometheustekst', waar het draait om het experimenteren en ingrijpen van de mensheid in natuurlijke processen, waarbij zij door haar overmoed verantwoordelijk is voor de rampspoed die erop volgt8. Overigens noemt Lucanio alleen deze twee teksten in zijn boek; hij behandelt hen als onderverdeling van het alien invasion genre en schaart wat ik hier het terrestrial creature genre noem onder dit alien invasion genre. Ik ben het niet eens met deze onderverdeling, aangezien sommige sciencefictionfilms elementen van beide teksten bevatten, terwijl andere onder geen van beide geschaard kunnen worden. Bovendien zijn de meeste indringers in dit subgenre niet ‘alien’, aangezien het grotere versies van alledaagse (en dus herkenbare) wezens zijn (zoals mieren en spinnen). Deze creaturen worden gekoppeld aan de Aarde, in tegenstelling tot de indringers uit het alien invasion genre die van buiten de Aarde komen, en daardoor daadwerkelijk ‘alien’ zijn.

Paragraaf 6.2: Wetenschap in terrestrial creature movies

In tegenstelling tot de indringers in het alien invasion subgenre hebben de indringers in dit subgenre geen eigen wetenschap. De representatie van wetenschap vinden we alleen aan de kant van de mensheid. Wel kunnen we kijken naar de effecten van wetenschap op de monsters, aangezien wetenschap vaak verantwoordelijk is voor hun ontstaan, en altijd voor hun vernietiging. 

 
Ook in dit subgenre slaan wetenschap en leger de handen ineen om de monsters te bestrijden, waarbij wetenschap opnieuw dominant is9, aangezien zij beter weet hoe de monsters te vernietigen met een minimum aan menselijke slachtoffers. Wetenschap en leger zorgen samen voor het bewaken van de sociale orde tegen de monsters10. Ook hier is het inzetten van alle beschikbare wapens tegen de wezens niet per definitie de beste oplossing. Zorgvuldige analyse van de monsters of de normale versies daarvan – de monsters zijn immers vaak uitvergrote versies van normale wezens, zoals de mieren in Them! – leidt tot een beter begrip van de monsters, hun drijfveer, en hun zwakke punten. Als de wetenschappers hun werk gedaan hebben komt het leger pas in actie om ze af te maken, waarna normaliteit hervat kan worden.
De meeste creaturen in dit subgenre ontstaan door atoomproeven. In enkele gevallen bestaan ze al, maar worden ze gewekt door de atoomproef (zoals in The Beast from 20,000 Fathoms). Desondanks kan wetenschap zeer frequent verantwoordelijk worden gehouden voor hun ontstaan, en dus voor de ravage die zij aanrichten. Het ontstaan van de wezens is altijd een onbedoeld zijeffect van wetenschappelijke experimenten. Wetenschap is in dit subgenre een symbool voor de arrogantie en trots die de mensheid koestert ten opzichte van technologische vooruitgang. Via wetenschappelijke macht probeert de mens de natuur te onderwerpen. Wetenschap wordt aanvankelijk gezien als waarheid en autoriteit, en wetenschappers als uitdragers hiervan, die door hun kennis en capaciteit de natuur menen te mogen beheersen11. De natuur zet de mensheid weer op haar plaats door te bewijzen dat deze trots vaak misplaatst is, aangezien de wetenschap ook nadelige effecten met zich meebrengt. Technologische vooruitgang kent een prijs. Zo leert de mensheid weer een les, en kent zij haar plaats in de alles overheersende kracht van de natuur weer12.
Hoewel wetenschap verantwoordelijk is voor de monsters, is zij ook verantwoordelijk voor het vernietigen van de monsters13. Wetenschappers in dit subgenre komen, net als in het alien invasion genre, na gedegen studie van de indringers met een oplossing voor de dag. Vaak zijn het bovendien diezelfde wetenschappers die de oplossing verzinnen als de wetenschappers die de experimenten uitvoerden die hen deden ontstaan. Zo neemt de wetenschapper verantwoordelijkheid voor de puinhoop die hij heeft aangericht. Na afloop van de ultieme confrontatie met de monsters beseft de wetenschap net zo goed als iedereen dat vooruitgang niet alles is, en de natuur gerespecteerd en niet voorbij gestreefd dient te worden. Als dat niet gebeurt, verwoest en vervormt wetenschap de natuur, en daarmee ook de menselijke beschaving14. Wetenschap moet constructief en voorzichtig worden gebruikt.
In enkele gevallen is wetenschap niet verantwoordelijk voor het ontstaan van de monsters, maar schept de natuur ze spontaan. Dit is bijvoorbeeld het geval in The Black Scorpion (USA: Edward Ludwig, 1957), waarin reuzenschorpioenen door een vulkaanuitbarsting ontwaken. Een ander voorbeeld is Earth vs. The Spider (USA: Bert I. Gordon, 1958), waarin de oorsprong van het monster niet vermeld wordt. Wetenschap treft in deze gevallen geen blaam, maar het thema Man against Nature overheerst hier ook. In deze gevallen is de natuur de indringer, vergelijkbaar met de vijandige aliens in het alien invasion genre. Dit geldt niet zozeer voor de wel door wetenschap voortgebrachte monsters in het terrestrial creature genre, aangezien de mens in deze gevallen de rampspoed over zichzelf afroept, en de monsters hier geen “indringers” maar “wrekers” zijn. In deze variant op het subgenre is de wetenschap slechts de redder, en niet de verwoester.

Casestudy 2: The Beast from 20,000 Fathoms

The Beast from 20,000 Fathoms houdt zich aan de definities van de klassieke tekst die Lucanio noemt. Het creatuur in deze film, de Rhedosaurus (een fictieve dinosaurus), is in alle opzichten terrestrial. Het wezen heeft miljoenen jaren onder het poolijs in slaap gelegen, maar wordt bruut gewekt door een atoomproef. Ontwaakt uit zijn slaap komt het wezen in een voor hem compleet nieuwe wereld terecht die anders in dan wat hij gewend is, maar zijn instinct is hetzelfde, en hij trekt terug naar zijn oorspronkelijke nestgronden, een grottenstelsel in de buurt van New York. Hierop valt het monster de stad binnen, waar het dood en verderf zaait en grote paniek veroorzaakt. 

 
De precieze reden voor de atoomproef in deze film wordt niet vermeld. Zoals de meeste atoomproeven in films uit de jaren vijftig heeft het iets te maken met het testen van atoombommen, mogelijk het ontwikkelen van een waterstofbom (de narrator maakt gewag van ‘H-hour’, staat 'H' voor hydrogen bomb wellicht?). De geleerden die de proef overzien, waaronder de typische scientist hero professor Nesbitt (Paul Hubschmid), hebben hun twijfels over het gebruik van atoomenergie, maar zien het als een noodzakelijk kwaad voor het opdoen van wetenschappelijke kennis, zoals de volgende conversatie illustreert:

Nesbitt: ‘The world’s been here for millions of years. Man’s been walking upright for a comparatively short time. Mentally, we’re still crawling. This test will add to our knowledge.’
Ritchie: ‘Every time one of these things goes off I feel as if we were helping to write the first chapter of a new Genesis.
Nesbitt: ‘Let’s hope we don’t find ourselves writing the last chapter of the old one.’
Evans: ‘You sound like a man who’s scared, Tom.’
Nesbitt: ‘What makes you think I’m not?’15

Dit gesprek toont aan dat de geleerden op de hoogte zijn van het gevaar dat atoomenergie kan opleveren, maar dat ze het risico durven te nemen omwille van wetenschappelijke vooruitgang. Ze zijn er zich van bewust dat hun test dodelijke straling heeft opgewekt, maar aangezien de proef gedaan werd in het niemandsland van de ijskappen op de Noordpool lijkt dit gerechtvaardigd, aangezien er toch niemand woont. De gevolgen voor de natuur worden niet in ogenschouw genomen. Maar de natuur laat zich niet zo respectloos behandelen. Als gevolg van het menselijk verstoren van de natuur wordt de Rhedosaurus uit zijn slaap gewekt, als wreker van de natuur.
Zijn ontwaken blijft niet onopgemerkt. Twee wetenschappers, waaronder Nesbitt, die de resultaten van de atoomproef controleren, worden met het schepsel geconfronteerd, waarbij één van hen het leven verliest. Nesbitt overleeft het, en vertelt bij terugkomst op de basis over het wezen, maar zijn verhaal wordt niet geloofd. Dit is typisch voor het terrestrial creature genre: de persoon die het eerst met het creatuur in aanraking komt wordt voor gek versleten. Vaak is de persoon in kwestie de scientist hero: hoewel deze de wetenschap, een instituut dat geacht wordt ware kennis op te doen en feiten te checken, representeert, klinkt zijn verhaal in zulke gevallen te onwaarschijnlijk. Desondanks krijgt de wetenschap in het genre altijd alsnog gelijk als de indringer zijn aanwezigheid laat gelden; want de wetenschap(per) liegt niet. Dit geldt ook voor Nesbitt, die na zijn confrontatie op zoek gaat naar bewijs om de waarheid aan te tonen. De mogelijkheid dat hij hallucineerde slaat hij af, want zoals hij het zegt: ‘I’m not inclined to let my imagination run away with me, I’m a scientist’.
Nesbitt is een typische scientist hero, enigszins stijf en emotieloos - normaal voor protagonisten in de klassieke tekst - maar toch sympathiek en met een zekere charme (zie ook casestudy 1, waarin meer verteld werd over de koele uitstraling van scientist heroes in de klassieke tekst). Om een second opinion over zijn monsterverhaal te krijgen probeert hij de steun van vooraanstaand paleontoloog professor Elson (Cecil Kellaway, als archetypische wise old man), te krijgen. In een debat over de mogelijkheid dat een prehistorisch wezen 100 miljoen jaar in het ijs gezeten heeft maar nog leeft, weet Elson alle verklaringen die Nesbitt geeft rationeel te ontkrachten. Desondanks trekt Nesbitt’s gedrevenheid de aandacht van Elsons assistente Lee Hunter (Paula Raymond), die niet alleen in zijn verhaal maar ook in Nesbitt zelf geïnteresseerd is (waarop een welhaast clichématige relatie zich ontvouwt tussen Nesbitt en Hunter). Hunter is een goed voorbeeld van de nieuwe rol voor vrouwen in de wetenschap. Ze heeft klaarblijkelijk verstand van zaken en is niet bang haar mening te uiten in het gezelschap van mannelijke wetenschappers. Haar mentor heeft het volste vertrouwen in haar capaciteiten, wat genoeg reden is voor Nesbitt om ook op haar expertise te vertrouwen. Desondanks is ze nog een assistente: waarschijnlijk heeft men geprobeerd het publiek het ongeloof van een vrouw als belangrijk paleontoloog te besparen. Een oude man die veel weet van uitgestorven dieren lijkt waarschijnlijker dan een knappe jongedame met dezelfde kennis.
In tegenstelling tot haar mentor gelooft Hunter wel in Nesbitts verhaal: ze typeert hem als een briljant wetenschapper, wat voor haar genoeg reden is om hem te vertrouwen. Als Nesbitt vraagt waarom hij haar sympathie heeft, antwoordt ze: ‘I have a deep, abiding faith in the work of scientists. Otherwise I wouldn’t be one myself’. Voor haar is de mogelijkheid dat Nesbitt ongelijk heeft ontkracht domweg omdat hij een medewetenschapper is. Ook Elson gaf in voorgaande scène aan Nesbitt te willen geloven. Kennelijk hebben wetenschappers onder elkaar meer vertrouwen in ongeloofwaardige verhalen dan niet-wetenschappers. Mogelijk haakt dit in op de anti-intellectualistische sfeer die begin jaren vijftig heerste (zie ook paragraaf 4.2): wetenschappers werden beschouwd als een vreemde intellectuele elite die onder andere brabbelde over raketten naar de maan. Maar ook dit ongeloofwaardige verhaal werd een decennium later werkelijkheid. Vreemde verhalen horen bij de wetenschap, en wetenschappers zelf onderstrepen dit feit.

Hunter besluit het onderzoek naar het monster analytisch aan te pakken. Ze geeft Nesbitt een willekeurige stapel illustraties van dinosauriërs, waaruit hij de zijne moet pikken. Vervolgens neemt ze contact op met de overlevende van een scheepsramp, die beweert dat zijn schip aangevallen werd door een zeeslang. Zijn ondervraging wordt op dezelfde onpartijdige manier aangepakt: uit een stapel illustraties van dinosauriërs pikt hij dezelfde dinosauriër, de Rhedosaurus, als schuldige. Zo wordt Nesbitts verhaal een stuk waarschijnlijker, waarop Elson hem ook gelooft. Dit, en de melding van een reeks rampen in de media, is reden genoeg voor het gezelschap een trip te ondernemen naar de nestgronden van de Rhedosaurus, de Hudson-zeegrotten in de buurt van New York, voor verder onderzoek naar het wezen. Elson stelt voor het monster te vangen als het echt bestaat. Als hem gezegd wordt dat het gevaarlijk is, antwoordt hij: ‘the risk would be worth it if one thinks of the benefit to science’. Eens te meer wordt gesteld dat risico’s acceptabel zijn ten bate van de wetenschap. De prijs die in het vooruitzicht wordt gesteld, de accumulatie van wetenschappelijke kennis, is groot genoeg om wetenschappers zulke risico’s te doen nemen. Al snel blijkt dat deze gedachte mogelijk misplaatst is: bij de grotten aangekomen blijkt de Rhedosaurus inderdaad springlevend, waarop Elson verslonden wordt door het wezen. Een interessante observatie: in een shot van een krant, waarin melding wordt gemaakt van Elsons dood, staat naast dit artikel een artikel over wetenschappers die een nieuwe röntgentechniek hebben ontwikkeld. Zo toont dit shot ons de dualiteit van wetenschap: ontdekking gaat gepaard met verlies. Het feit dat het artikel over Elsons dood een stuk groter is afgebeeld dan het andere artikel laat vragen open over wat dominant is: de vergroting van wetenschappelijke kennis, of het verlies dat het vergaren van deze kennis kan opleveren. Hunter vraagt zich ook af of Elsons dood wel zin had, ongeacht de kennis die het opleverde.
Door Elsons dood krijgt Nesbitt echter gelijk, en daarom krijgt hij de leiding over de militaire eenheden die het wezen moeten vernietigen. Het feit dat hij een atoomexpert is, en geen paleontoloog, speelt daarbij geen rol, en blijkt later handig voor de oplossing van het probleem. Het is dus puur een plot device16. Eens te meer werken wetenschap en leger samen om de samenleving te beschermen, waarbij de wetenschap door haar inzicht in de situatie dominant is. Het thema Man against Nature komt hier sterk naar voren. Het creatuur wordt domweg geleid door zijn natuurlijk territoriale instinct, maar zijn nestgrond is vervangen door een menselijk bolwerk. Als hij de stad, gebouwd op wat hij als zijn territorium ziet, binnenvalt, wordt hij gezien als de indringer. Voor hem is geen plaats in deze veranderde wereld, en daarom moet hij verdwijnen. Nesbitt, degene die hem door het experimenteren met atoomenergie gewekt heeft, gaat hem nu ook weer doen inslapen. De wetenschapper neemt zo verantwoordelijkheid voor het door hem aangerichte probleem.
Het blijkt echter moeilijker dan aanvankelijk gedacht om de Rhedosaurus te doden. Bij de eerste confrontatie tussen het leger en het wezen werd hij verwond, en het blijkt dat zijn bloed prehistorische ziektekiemen bevat waartegen mensen geen weerstand hebben (het lijkt een omgekeerde situatie als in The War of the Worlds, waar de microben juist de indringer vernietigden). Zonder de wetenschap zou deze conclusie niet getrokken zijn, wat mogelijk rampzalige gevolgen had gehad zelfs als het schepsel ontschadelijk was gemaakt. Het monster kan niet simpelweg door het leger overhoop geschoten worden, aangezien de ziektekiemen zich dan over een groot gebied verspreiden en meer slachtoffers kunnen maken dan de Rhedosaurus zelf. Nesbitt analyseert monsters van het bloed en weet een radioactieve isotoop te maken - dat is immers zijn terrein van expertise - die het monster kan doden en ook de ziekte beteugelen. In de climax van de film slaagt Nesbitt er samen met een scherpschutter - één wetenschapper en één soldaat, waardoor de relatie tussen wetenschap en leger hier gelijk is (en wetenschap dus niet langer dominant is), aangezien beiden onmisbaar zijn - ternauwernood in om het monster de isotoop toe te dienen, waarna het sterft en de normaliteit hervat kan worden. Interessant is dat hier radioactiviteit als redder optreedt, terwijl het in het genre doorgaans de boosdoener is.

The Beast from 20,000 Fathoms toont een dualiteit in de representatie van wetenschap: wetenschappers zien het vergroten van wetenschappelijke kennis als een nobele zaak, die offers eist. Ze zijn op de hoogte van de risico’s die hun experimenten met zich meebrengen, maar verkiezen de consequenties te ondergaan. In dit geval leiden wetenschappelijke proeven tot grote schade: een monster wordt gewekt, richt enorme ravage aan waarbij honderden mensen omkomen en dreigt met een ziekte nog meer slachtoffers te eisen. Zo lijken wetenschappelijke tests de moeite niet waard. Desondanks wekt het einde van de film de suggestie dat deze conclusie voorbarig is. Want uiteindelijk wordt het monster ook teniet gedaan door wetenschappelijke kennis, in dit geval Nesbitt’s expertise met radioactiviteit. Deze kennis is opgedaan door proeven vergelijkbaar met de tests die het monster deden ontwaken. Zo toont de film het publiek dat zulke proeven mogelijk niet voor niets zijn, en we toch vertrouwen in de wetenschap en haar capaciteit de schade te herstellen kunnen hebben.
Ondanks de gelukkige afloop dwingt de film de kijker zich af te vragen of het vergaren van (potentieel) nuttige kennis de hoge prijs waard is: moeten we wel alles willen weten, ook als het ons gevaar oplevert? Deze gedachte wordt gereflecteerd in de trailer van de film. Hierin worden kreten geslaakt als ‘Are we delving into mysteries we weren’t meant to know?’, ‘Is mankind challenging powers behind the cosmic barriers?’, ‘Who knows what waits for us in nature’s nomansland…’ en ‘Will science unleash the fearsome forces of lost worlds?’. In zulke kreten is al een zekere animositeit jegens wetenschap en haar streven merkbaar: wetenschap gaat te ver in haar zoektocht naar kennis, waarop gevaarlijke consequenties de mensheid treffen (opnieuw een mogelijke metafoor voor de atoombom: deze werd als gevolg van het onderzoek naar atoomenergie ontwikkeld, en heeft veel levens gekost). 
In deze film zijn wetenschappers wel schuldig aan het wekken van het monster, en daardoor aan de ravage die het aanricht, maar komen ze ook met een oplossing die zo min mogelijk levens eist17. Zo neemt wetenschap zijn verantwoordelijkheid en blijft het integer. Het is niet slechts de brenger van dood en verderf, maar kan ook constructief gebruikt worden (waarbij het een element gebruikt dat in deze periode voornamelijk negatieve connotaties had, radioactiviteit). Tegelijkertijd verdient het monster ook enige sympathie, aangezien het zijn schuld niet is: hij volgt slechts zijn instinct. Maar de wereld die hij kende is niet meer, en daardoor moet hij wijken. Als wetenschap niet experimenteerde met atoomenergie, was hij niet gewekt. Zo waarschuwt de film via een metafoor, het monster gewekt door atoomenergie en uitgerust met prehistorische straling, voor de gevaren die echte atoomproeven en de daarmee gepaard gaande radioactiviteit opleveren.


1 Biskind 1983: 111
2 Biskind 1983: 106
3 Brosnan 1978: 95
4 Sobchack 1980: 46-47
5 Tudor, Andrew. Monsters and mad scientists: a cultural history of the horror movie. Oxford: Basil Blackwell Ltd., 1989: p. 147
6 Vieth, 2001: 62-63
7 Lucanio 1987: 25-44
8 Lucanio 1987: 46-52
9 Jancovich 1996: 16
10 Sobchack 1980: 45
11 Vieth 2001: 180
12 Baxter 1970: 138
13 Biskind 1983: 104
14 Vieth 2001: 158
15 Beast from 20,000 Fathoms, The. Reg. Eugène Lourié. Jack Dietz Productions Inc., 1953.
16 Lucanio 1987: 39
17 Jancovich 1996: 52

woensdag 28 maart 2012

It Came From Cold War America, Chapter 4: Science in the Fifties


Another quiet week as far as movies and movie news are concerned. Therefore, I'll post eyt another chapter of my first major science fiction paper It Came From Cold War America. After all, now that I've started posting this paper bit by bit, I can't not finish it (that's just not in my neurotic nature!). Besides, I'm sure you're all dying to know how it ends.

Hoofdstuk 4: ‘Science’ en de tijdsgeest

Paragraaf 4.1: Wat speelde er in deze tijd?

Zoals al gezegd in het voorgaande historisch overzicht werd het leven in de jaren vijftig gedomineerd door de consequenties van de Tweede Wereldoorlog. Hoewel Amerika en haar bondgenoten de vijand verslagen hadden, doemde een nieuwe potentiële vijand op, de Sovjet-Unie. Aangezien deze staat door het communisme, een ideologie die haaks stond op het Amerikaanse ideaal van de kapitalistische samenleving, gedreven werd, resulteerde het wantrouwen tussen beide staten in een periode van angst en paranoia. Tijdens deze Koude Oorlog werd het Amerikaanse publiek continu herinnerd aan de bedreiging die het communisme voor de Amerikaanse maatschappij en haar normen en waarden vormde. Mensen die van de norm afwijkende opvattingen hanteerden werden met argwaan bekeken. Desondanks bestond het ‘rode gevaar’ voornamelijk in het Amerikaanse collectieve bewustzijn1. In de praktijk viel het allemaal wel mee.
Bovendien ging de angst voor de Sovjet-Unie gepaard met de angst voor de atoombom. Dit wapen had de Tweede Wereldoorlog in Amerika’s voordeel beëindigd, maar had ook het vertrouwen van veel mensen in technologische vooruitgang geschaad. Toen de Sovjet-Unie in staat bleek eigen atoomwapens te kunnen ontwikkelen, vreesden veel mensen voor een atoomoorlog, die mogelijk de ondergang van de menselijke beschaving zou kunnen betekenen. Technologische ontwikkeling was niet langer een garantie voor een mooie toekomst. Technologie was een beangstigend iets geworden2.
Tegelijkertijd veranderde de samenleving in Amerika van binnenuit op sociaal gebied. Op economisch gebied ging het Amerika voor de wind. De welvaart steeg enorm, mede dankzij de nieuwe Europese markt die door de Marshallhulp tot stand was gekomen. Veel mensen, vooral diegenen die de depressiejaren hadden meegemaakt, waren zeer tevreden met deze nieuwe welvaart: hierdoor heerste, vooral in de meer conservatieve kringen, sterk de angst dat men deze nieuwe geborgenheid kon verliezen door toedoen van atoomwapens, vijandige staten en dergelijke zaken3.
Desondanks was er ook kritiek op de welvaart en haar gevolgen, voornamelijk op het Fordistische systeem dat het met zich meebracht. De samenleving werd een ‘technocratic society’4. Mensen werden slechts raderen in het systeem en verloren controle over hun eigen bestaan. Het leven werd een routine, waarin er geen ruimte was voor andersdenkenden en diversiteit5. De massacultuur nam het systeem over: mensen meenden hun identiteit kwijt te raken. De man-in-de-straat verloor zijn individuele status en ging op in de grote grijze massa. 



Voorts vond er een generatieconflict plaats. De jongere generatie van na de Tweede Wereldoorlog, de zogenaamde babyboomers, bleek van een heel ander slag dan de voorgaande generatie. Deze jongeren groeiden op met welvaart en waren niet anders gewend. Ze hadden geld en tijd te besteden op een schaal die voor de oorlog ondenkbaar was, aangezien Amerika toen nog uit de depressiejaren opkrabbelde6. De jongeren rebelleerden tegen de starre wereld van hun ouders, en schiepen een eigen jeugdcultuur, vaak tot afkeuring van de oudere generatie.
Tenslotte was er de veranderende positie van de vrouw. De Tweede Wereldoorlog had de maatschappij ertoe genoopt vrouwen in te zetten op plaatsen die voorheen door mannen bezet worden, zoals fabrieken. Toen de oorlog was afgelopen wilden vrouwen deze plaatsen niet afstaan, waardoor rollenpatronen verschoven. In de jaren vijftig was de taak van de vrouw weliswaar nog steeds vaak in het huiselijk leven te vinden, maar ook was het nu meer geaccepteerd voor vrouwen om ander werk te hebben, gedeeltelijk omdat ze door technologische innovaties (wasmachines, stofzuigers) meer vrije tijd kregen. Ook in de wetenschap namen vrouwen een steeds grotere rol in, niet alleen als assistentes, maar ook als volbloed wetenschappers. De nieuwe plaats van de vrouw werd desondanks door veel mannen met moeite geaccepteerd in de patriarchale Amerikaanse maatschappij, omdat zij onder andere vreesden voor het aftakelen van Amerikaanse normen en waarden, zoals het gezinsleven, opvoeding van kinderen en dergelijke zaken7.

Paragraaf 4.2: Negatieve opvattingen en representatie van wetenschap in SF-films

Dankzij de atoombom hadden veel mensen het vertrouwen in de wetenschap verloren. De wetenschap had het ultieme vernietigingswapen voortgebracht, en voor de dreiging van een atoomoorlog gezorgd. Veel mensen waren bang voor totale vernietiging. Het is daarom niet verwonderlijk dat Hollywood snel insprong op films die handelden over atoomwapens, of uit de hand gelopen wetenschap in het algemeen. Een groot deel van de sciencefictionfilms van de vijftiger jaren heeft in meer of mindere mate met dit onderwerp te maken. Het idee van ‘science gone bad’ was echter niet nieuw. Al vroeg in de jaren dertig speelde Hollywood erop in, onder andere in films als Frankenstein (USA: James Whale, 1931) en Island of Lost Souls (USA: Erle C. Kenton, 1933) waarin wetenschappers worden opgevoerd die zich bezighouden met bizarre experimenten die resulteren in horror en doodslag.
De wetenschap in films uit de dertiger jaren was echter vrij lukraak (er zat geen plan achter), en nauwelijks gebonden aan de tijdsgeest. In deze tijd speelde wetenschap niet de belangrijke rol die het speelde in de jaren vijftig: die paar films waarin wetenschap gerepresenteerd werd werden niet gemaakt om in te haken op wetenschaps-issues die speelden in de samenleving, maar gewoon om dezelfde reden dat andere films gemaakt werden (om geld op te brengen en het publiek te vermaken). De manier waarop er in horror en sciencefictionfilms uit de jaren vijftig mee omgegaan werd haakte daarentegen sterk in op de tijdsgeest. De atoombom, of atoomenergie in het algemeen, was een vaak terugkerend motief in het genre. Een groot aantal films speelde in op de angsten omtrent atoomwapens die het publiek koesterde. Doorgaans werd echter gebruik gemaakt van metaforen in plaats van het tonen van realistische gevolgen van een atoomoorlog. Zo maakte het terrestrial creature subgenre gebruik van monsters voortgebracht door uit de hand gelopen atoomexperimenten. De monsters stonden in dit geval symbool voor de vernietiging die door atoombommen aangericht kon worden, doordat zij eveneens op grote schaal dood en verderf zaaiden. Bovendien waren veel monsters het product van mutaties veroorzaakt door straling, waarmee ingespeeld werd op de angst voor zulke straling: het bracht groteske en tegennatuurlijke misvormingen met zich mee. Zo kon een ongrijpbaar iets als atoomstraling gereduceerd worden tot iets tastbaars, dat effectief met wapens en soldaten bestreden kon worden.



Wetenschappers zelf kwamen er niet altijd even goed vanaf. Hoewel verscheidene sciencefictionfilms wetenschappers in een positief daglicht stellen en ze als heroïsche protagonisten opvoeren, is er ook een vrij groot aantal films waarin de wetenschappers juist afgeschilderd worden als boosdoeners. De wetenschapper wordt neergezet als koud en meedogenloos, met de neiging mensen op te offeren in naam van de wetenschap.Een treffend voorbeeld vinden we in de persoon van Dr. Carrington in The Thing from Another World. Wanneer in deze film de alien de mensen aanvalt, probeert Carrington ervoor te zorgen dat het wezen geen strobreed in de weg gelegd word, aangezien hij het beschouwt als een hogere levensvorm. Bovendien beschermt hij het nageslacht van het wezen, ongeacht het feit dat het mensenlevens kost, en hij saboteert een poging het wezen te vernietigen8. Als de protagonist, kapitein Hendry, hem confronteert met zijn onorthodoxe gedrag, resulteert dat in het volgende gesprek:

Carrington: ‘Knowledge is more important than life. We’ve only one excuse for existing. To think, to find out, to learn. (…) We’ve thought our way into nature, we’ve split the atom…’
Hendry: ‘Yes, and that sure made the world happy, didn’t it?’9

Carrington is het schoolvoorbeeld van de wetenschapper die te ver gaat in zijn vertrouwen in de wetenschap, en zich erdoor laat verleiden onmenselijke dingen te doen. Hoewel hij in principe goede bedoelingen heeft, het verheffen van het menselijke kennispeil, leidt dit in The Thing from Another World niet tot positieve resultaten10. Dit geldt overigens voor de meeste goede bedoelingen in sciencefictionfilms uit deze periode. In veel films wordt een wetenschapper opgevoerd die de mensheid probeert te helpen, waarbij zijn experimenten uit de hand lopen en rampspoed met zich meebrengen. Vooral in het altered human subgenre zien we dit thema vaak terug.
Wetenschappers worden ook vaak gepresenteerd als sociaal onaangepast, en ook deze opvatting komt in The Thing from Another World sterk naar voren11. Ze zijn emotieloos, kennen geen vreugde en leven alleen voor hun werk. Slechts voor hun wetenschap hebben ze interesse. Ze zien geen kwaad in hun werk en nemen weinig verantwoordelijkheid. In sommige gevallen worden ze vergeleken met kinderen, onvoorzichtig, onwetend en altijd hun zin doordrijvend. In The Thing from Another World maakt ook Hendry deze vergelijking:

They’re kids. Like nine year olds drooling over a new fire engine.12

Veel mensen hadden in de jaren vijftig ook dergelijke opvattingen over wetenschappers. Ze werden gezien als een intellectuele elite13, mensen zonder sociaal leven of connectie met “normale” mensen, die enthousiast praten over dingen waar ‘gewone’ mensen geen verstand van hebben in een onbegrijpelijk wetenschappelijk taaltje. De sfeer in het begin van de vijftiger jaren was sterk anti-intellectueel. Alle mensen die meer hun hoofd dan hun handen gebruikten in hun beroep werden simpelweg als eggheads beschouwd14. Bovendien werden wetenschappers als potentieel gevaarlijk gezien, aangezien zij verantwoordelijk waren voor de schepping van de atoombom15. De lancering van de Sputnik in 1957 en de hierop volgende space race brachten verandering in deze visie, aangezien men doorkreeg dat wetenschappers een beslissende rol speelden in het verslaan van de Sovjets wat betreft de ruimtevaart, zodat wetenschap meer in een constructief en serieus daglicht kwam te staan, en het anti-intellectualisme afnam16.

Paragraaf 4.3: Positieve opvattingen en representatie van wetenschap in SF-films

Hoewel veel mensen wetenschappers als een gevaar zagen, waren er ook velen die juist het tegenovergestelde dachten. Zij zagen wetenschap als hulpmiddel om een hogere levensstandaard te bereiken. Hoewel wetenschap de atoombom had voortgebracht, kon het de mensheid ook redden van oorlog, honger en ziektes. En hoewel experimenten met het atoom een verschrikkelijk massavernietigingswapen hadden voortgebracht, beloofde de wetenschap ook veel goeds door het atoom als energiebron te ontwikkelen. Hierbij kreeg zij steun van de Amerikaanse overheid die zich niet slechts wilde profileren als afnemer van atoomwapens, maar het publiek wilde doen inzien dat atoomenergie een beter leefbare wereld kon vormen17. De positieve kant van het wetenschappelijk spectrum vond haast net zo veel navolging in het sciencefictiongenre in de jaren vijftig als de negatieve kant.
Deze positieve kanten van wetenschap zien we het sterkst terug in de alien invasion en terrestrial creature subgenres. Wetenschap is hier een krachtig hulpmiddel om de mens te helpen de indringers te verslaan. Vaak zijn de protagonisten van films uit deze subgenres wetenschappers, die dankzij een gedegen analyse van de aliens een middel vinden om hen te verslaan: Lucanio duidt hen aan als scientist heroes18. Bij het terrestrial creature subgenre treffen we echter een dualiteit aan, aangezien wetenschap, en vaak zelfs dezelfde wetenschappers, ook verantwoordelijk is voor het ontstaan van de indringers. Dit geeft wel het effect dat de wetenschappers een sterk gevoel van verantwoordelijkheid lijken te hebben: integer als ze zijn ruimen ze de rommel die ze gemaakt hebben ook weer op.
In de realiteit werden wetenschappers in de vijftiger jaren niet geconfronteerd met buitenaardse invasies of reusachtige mutaties. Zij trachtten de mensheid, of in ieder geval de Amerikaanse portie hiervan, op andere manieren te helpen. Hun voornaamste doel was technologische ontwikkeling en vooruitgang, om de levensstandaard en welvaart te verhogen.
Hier dient ook gelet te worden op het onderscheid dat Lucanio maakt tussen de klassieke tekst en de Prometheustekst. De klassieke tekst omvat die films die zich richten op indringers die de mensheid aanvallen. Vervolgens moet de samenleving als eenheid terugslaan, onder leiding van een heldhaftig personage dat gebruik maakt van gezond verstand en logica en de situatie rationeel analyseert. Lucanio noemt The War of the Worlds van H.G. Wells als prototype voor deze variatie19. De meeste sciencefictionfilms die in deze categorie geschaard kunnen worden komen uit de alien invasion en terrestrial creature subgenres. Hiertegenover staat de Prometheustekst, waarin het personage gestuurd wordt door intuïtie en emotie. Deze variatie handelt meer over een personage dat wetenschappelijke experimenten uitvoert die zich tegen hem en zijn omgeving richten. Onder deze categorie valt vooral het altered human subgenre, alsmede enkele terrestrial creature films. In tegenstelling tot de meer onorthodoxe wetenschappers die we aantreffen in de klassieke tekst (zoals voornoemde Dr. Carrington) kon het publiek in de vijftiger jaren zich makkelijker met de Prometheus-wetenschappers identificeren omdat ze normale menselijke eigenschappen vertoonden, in plaats van geportretteerd werden als onderdeel van een intellectuele elite20.



Een andere vorm van wetenschappelijke representatie zien we in een bepaald narratief effect, waarin een wetenschapper indirect, door middel van uitgebreide expositie, aan de andere personages, maar hoofdzakelijk aan het publiek, uitlegt wat er aan de hand is. De wetenschapper dient hier als leraar, en geeft het publiek enige educatie mee21. Dit narratieve stijlmiddel komt in alle subgenres voor: zo worden dingen uitgelegd over de voor- en nadelen van atoomenergie, genetica, biologie en andere zaken. Voorbeelden treffen we aan in Them!, The Beast from 20,000 Fathoms (USA: Eugène Lourié, 1953), The War of the Worlds en eigenlijk bijna alle serieuzere sciencefictionfilms. Ook in het man into space subgenre is het een belangrijk hulpmiddel om het publiek wetenschappelijke zaken uit te leggen, aangezien weinig mensen buiten de wetenschap bekend zijn met de werking van ruimtevaarttechnologie. Zo stimuleerde het sciencefictiongenre de algemene ontwikkeling ook nog enigszins.
Ook op een ander terrein was wetenschap de Amerikaanse samenleving behulpzaam. Samen met het leger vormde ze een sterke eenheid tegen de technische capaciteiten van de Sovjet-Unie. Amerika kon zich geen gezichtsverlies veroorloven, en begreep de noodzaak de Sovjets niet de boventoon te laten voeren in technologische ontwikkeling, met name de space race. Deze gedachtegang zien we het sterkst terug in het man into space subgenre. Destination Moon vormt een sterk voorbeeld. In deze film tracht een stel wetenschappers in samenwerking met enkele particuliere bedrijven een raket te bouwen om naar de maan te reizen. De noodzaak van zo’n missie wordt meerdere keren in duidelijke taal benadrukt door een generaal:

A rocket is an absolute necessity. If any other power gets on into space before we do, we’ll no longer be the United States, we’ll be the disunited world.’
The race is on and we’d better win it, because there’s absolutely no way to stop an attack from outer space. The first country that can use the moon for the launching of missiles will control the Earth.22

Hij blijkt gelijk te krijgen, want al snel worden de pogingen het project van de grond te krijgen ondermijnd door propaganda van een “unfriendly foreign power”23. Deze natie wordt niet bij naam genoemd, maar dat is ook niet nodig. Eens te meer bleek Destination Moon profetisch: aan het eind van het decennium barstte de space race uit, hoewel het dubieus is dat de betrokken naties van plan waren raketinstallaties op de maan te installeren. In ieder geval won Amerika de race, toen in 1969 de eerste maanlanding plaatsvond. Tot raketinstallaties op de maan is het overigens nooit gekomen.
Ook de veranderende positie van de vrouw, een sociaal thema dat speelde in de jaren vijftig, werd niet overgeslagen in sciencefictionfilms uit deze periode. In verscheidene films zien we vrouwen in typisch mannelijke posities, waaronder de wetenschap (Them!, It Came from Beneath the Sea (USA: Robert Gordon, 1955)) en zelfs het leger (The Thing from Another World). In deze posities doen ze geenszins onder voor hun mannelijke tegenhangers, die echter wel hun bedenkingen hebben over een vrouw in het team dat de indringers bestrijdt: ze laten echter zien dat ze kennis van zaken over hun vakgebied hebben, en deze kennis constructief en relevant weten in te zetten24. Desondanks portretteerden veel films vrouwen nog steeds als damsels in distress, vooral in de latere jaren vijftig, toen de nadruk op horror in het genre groter werd. 

1 Lucanio 1987: 76-77
2 Edelson 1975: 39
3 Katovich en Kinkade 1993: 621
4 Jancovich, Mark. Horror. Londen: B.T. Batsford Ltd., 1992: p. 63
5 Jancovich 1996: 19-23
6 Jancovich 1996: 86-87/Veith 2001: 80-81
7 Noonan beschrijft de positie van de vrouw in de vijftiger jaren met betrekking tot het sciencefictiongenre in groot detail in haar artikel ‘"Science in Skirts": Representations of Women in Science in the "B" Science Fiction Films of the 1950s.’. Het onderwerp is te breed om hier voldoende aandacht te krijgen. Voor een beter beeld van dit onderwerp raad ik aan haar artikel onder de loep te nemen.
8 Vieira 2003: 163-164/Katovich en Kinkade 1993: 626
9 Thing From Another World, the. Reg. Christian Nyby. Winchester Picture Corporation, 1951.
10 Jancovich 1992: 64-65
11 Baxter 1970: 106-107
12 Thing From Another World, the. Reg. Christian Nyby. Winchester Picture Corporation, 1951.
13 Lucanio 1987: 51-52
14 Vieth 2001: 63-64
15 Brosnan 1978: 72
16 Vieth 2001: 65
17 Lucanio 1987: 88
18 Lucanio 1987: 25, 27-49
19 Lucanio 1987: 25
20 Lucanio 1987: 51-52
21 Vieth 2001: 163-167
22 Destination Moon. Reg. Irving Pichel. George Pal Productions, 1950.
23 Brosnan 1978: 75
24 Vieth 2001: 45-56

maandag 12 maart 2012

The Beast from 20,000 Fathoms




Rating: ****/*****, or 8/10


First dinosaur-on-a-rampage movie (beating the much more famous Japanese Gojira by one year) is still one of the best of its kind, mostly thanks to Ray Harryhausen's sublime stop motion animation. After an H-bomb test in the frozen Arctic wastelands, a scientist (Paul Hubschmid) spots a giant reptillian creature before being wounded in an avalanche. At first his wild stories are met with disbelief by his colleagues except for an old paleontologist (Cecil Kellaway) and his attractive female assistant (Paula Raymond). However, as soon as the monster, a fictional species of dinosaur dubbed Rhedosaurus, attacks Manhattan, doubt turns into terror and the scientists, in cooperation with the armed forces, race against time to find a way to stop the beast. This was Harryhausen's first solo project after having done most of the animation for Mighty Joe Young (1949) together with his mentor Willis O 'Brien. Apparently, Harryhausen was a good student, since the result of his skill in animation proved at least as great as the master's own work on King Kong (1933). Many creature-destroys-city films would follow in its wake, but very few would come even close to this level of realism. And fun. For a casestudy regarding the role of science in this film, check this link.


Starring: Paul Hubschmid, Cecil Kellaway, Paula Raymond


Directed by Eugène Lourié


USA: Jack Dietz Productions, 1953

woensdag 29 februari 2012

It Came From Cold War America, Chapter 2: Matters of Genre & Representation


No movie news for me today. But fortunately there's still the wealth of my college days' material to post on this blog for the interested reader. So today I continue what I begun last week, posting the second part of my paper It Came From Cold war America: Science and American Science Fiction Movies in the Fifties.


Hoofdstuk 2: Genrekwesties

Voordat verder wordt ingegaan op het sciencefictiongenre in de jaren vijftig, is het noodzakelijk een poging te doen de term ‘sciencefiction’ te definiëren. Dit is geen gemakkelijke zaak, aangezien er geen sluitende definitie valt te maken. Desondanks dien ik de term toe te lichten, alsmede aan te geven waarom de films die ik voor dit onderzoek gebruikt heb tot dit genre gerekend kunnen worden. Ik zal hierbij enkele definities van filmtheoretici betrekken.
Sciencefiction heeft altijd nauwe banden onderhouden met het horrorgenre, en ook in de jaren vijftig was dit sterk het geval: er was duidelijk sprake van overlapping tussen beide genres. Vooral in de tweede helft van het decennium, naarmate de B-films van het genre zich meer op de monsters en minder op de science gingen richten, valt er nauwelijks een concrete scheiding tussen beide genres te trekken.
In haar artikel ‘Science in Skirts’ geeft Noonan een zeer bruikbaar overzicht van pogingen van verschillende theoretici om een concrete genredefinitie van sciencefiction te formuleren. Menville beschrijft het genre als volgt:

The science-fiction film is based on speculation as to what could or will possibly occur, given a valid scientific premise. To extrapolate on this premise, the film maker enlarges upon it, speculates on what could conceivably occur, no matter how improbable it may seem.’1

Deze definitie is voor jaren vijftig sciencefiction niet zeer houdbaar, aangezien de science in dit decennium, enkele uitzonderingen daargelaten, meer pseudoscience is: het is nonsens, bedoeld om een verhaal voort te stuwen. Doorgaans heeft het geen enkele realistische connectie met echte wetenschap, of te weinig om te kunnen spreken van een ‘valid scientific premise’. Vooral de films uit de tweede helft van het decennium die meer horror dan sciencefiction lijken vallen zo buiten de boot. Menville, die zijn definitie in 1959 formuleerde, rekende deze films dan ook niet mee2, maar ik wil dit wel doen. Een definitie die voor mijn onderzoek bruikbaar is moet sciencefiction niet afhankelijk laten zijn van echte onvervalste wetenschap. In dat geval zou alleen Destination Moon een echte sciencefictionfilm genoemd mogen worden.
Vivian Sobchack betrekt het horrorgenre wel in haar definitie. Zij probeert een balans te vinden tussen beide genres. Hoewel zij geen concrete definitie maakt, geeft ze wel een voorbeeld van hoe zo’n definitie zou kunnen luiden:

Such a definition might read: The SF film is a film genre which emphasizes actual, extrapolative, or speculative science and the empirical method, interacting in a social context with the lesser emphasized, but still present, transcendentalism of magic and religion, in an attempt to reconcile man with the unknown.’3

Sobchacks voorbeelddefinitie is een stuk bruikbaarder voor dit onderzoek. Er is nu ruimte voor de horror in sciencefictionfilms. Bovendien schrijft zij ook over de noodzaak een visuele dimensie, in de vorm van semantische kenmerken van sciencefictionfilms als ruimteschepen en aliens, in een definitie te betrekken4. Aangezien zulke semantische kenmerken in de B-films uit de late jaren vijftig vaak het enige houvast zijn om deze films niet uitsluitend als horror te typeren, is dit een goede toevoeging aan de definitie. De reden dat Sobchack horror bij haar definitie betrekt is overigens dat zij de vele creature features (films gericht op één of meerdere onmenselijke creaturen die terreur zaaien) in de jaren vijftig onder haar definitie wil scharen, hoewel zij meent dat deze een genre apart vormen, en eigenlijk noch sciencefiction, noch horror zijn5.
Bill Warren hanteert een definitie die nauw aansluit op die van Sobchack maar nog breder is, aangezien hij weinig moeite wil doen het genre te definiëren. Hij omschrijft het als volgt:

A science fiction movie has to be a fantasy film in which the fantastic element is rationalized as being explicable in scientific terms. (…) An attempt is made to explain it in quasi-scientific [sic] terms.6

Deze definitie is zeer breed, en omvat een hoeveelheid aan films die doorgaans niet tot het genre gerekend worden. Desondanks betrekt hij er een element bij dat ik belangrijk acht voor sciencefiction in de jaren vijftig: de quasi-science. Praktisch alle sciencefictionfilms uit de jaren vijftig bedienen zich hiervan, en een goede definitie zou dit element moeten bevatten.
Zoals gezegd behandel ik het sciencefictiongenre aan de hand van drie subgenres die prominent waren in de jaren vijftig, en destijds het grootste deel van het filmgenre besloegen.
Deze drie subgenres zijn het alien invasion genre, het terrestrial creature genre, en het altered human genre. Een vierde subgenre dat Noonan noemt, het man into space7 genre, laat ik hier achterwege. De reden voor deze omissie is dat films uit dit subgenre de neiging hebben zich in de toekomst of op andere planeten af te spelen. Dit zwakt naar mijn mening de relatie met de tijdsgeest van de jaren vijftig af, wat een belangrijk deel van mijn onderzoek is. De films waaruit mijn corpus bestaat spelen zich allen globaal af in de tijd waarin ze gemaakt zijn. Ik ben van mening dat deze films een realistischere representatie van de Amerikaanse samenleving en wetenschap in de jaren vijftig geven8. Desondanks zijn bepaalde films uit dit genre, waaronder Destination Moon, wel relevant voor opmerkingen over de tijdsgeest of onderzoek naar representatie, waardoor ze in hoofdstuk 3 en 4 wel behandeld worden.
De eerste twee subgenres worden door praktisch alle critici als zodanig erkend. Het altered human genre heb ik daarentegen zelf geformuleerd. Naar mijn mening is dit wel degelijk een apart subgenre, hoewel theoretici het doorgaans of onder het terrestrial creature genre scharen, of het als horror bestempelen. Beide mogelijkheden zijn naar mijn mening onjuist. Ten eerste is de scheiding tussen horror en sciencefiction in de jaren vijftig vaak zo vaag dat horrorfilms waarin een rol voor science is weggelegd net zo min moeten worden overgeslagen als sciencefictionfilms met horrorelementen (zoals de terrestrial creature films). Ten tweede is het overheersende thema in terrestrial creature films Man against Nature, terwijl dit bij altered human films zelden het geval is, aangezien hier andere thema’s overheersen.
Bij mijn uiteenzetting per subgenre zal er meer over de precieze definities van deze subgenres en hun kenmerken gezegd worden, alsmede de reden dat zij tot het sciencefictiongenre gerekend worden. Hier kan alvast gezegd worden dat de definitie van elk subgenre elementen bevat van zowel Sobchacks als Warrens definitie van sciencefiction. In alle drie de subgenres speelt wetenschap een doorslaggevende rol, hoewel het hier niet om realistische wetenschap gaat, maar om fictieve wetenschap. Desondanks kan gesteld worden dat de wetenschap in deze subgenres een metafoor is voor correcte wetenschap, of de gedachtes die men in de jaren vijftig had over wetenschap en haar rol in de samenleving. Alvorens over te gaan op een analyse van de rol die wetenschap in de verschillende subgenres inneemt, is het noodzakelijk te kijken naar opvattingen over en representatie van echte wetenschap in de vijftiger jaren, en hoe dit terug te zien is in de sciencefictionfilms in deze periode.
1 Noonan 2003: 26
2 Noonan 2003: 29
3 Noonan 2003: 28
4 Noonan 2003: 31
5 Noonan 2003: 38
6 Noonan 2003: 39
7 Noonan 2003: 64
8 De resterende drie subgenres beslaan overigens het grootste gedeelte van het sciencefiction genre als geheel, aangezien man into space films doorgaans dure producties waren vanwege het hogere aantal kostbare sets en effecten (zoals ruimteschepen, laserpistolen en buitenaardse werelden). Films als Forbidden Planet en This Island Earth zullen bij dit onderzoek niet betrokken worden. Een vervolgonderzoek zou echter niet misstaan.




Hoofdstuk 3: Representatie

Films ontstaan niet in een vacuüm. Bij het maken van praktisch elke film komen opvattingen over op dat moment in de samenleving spelende issues in impliciete of expliciete mate naar voren. De wereld die geschapen wordt in films is zo geheel of gedeeltelijk representatief voor de echte wereld. Vooral in het sciencefictiongenre is dit sterk het geval: dit genre geeft filmmakers de kans thema’s die in de maatschappij moeilijk te bespreken zijn in een verhulde vorm te behandelen en mogelijk bespreekbaar te maken. Maar ook onbewuste opvattingen, op politiek of cultureel gebied, kunnen in films aangetroffen worden. In dit hoofdstuk wil ik ingaan op enkele thema’s uit de Amerikaanse samenleving in de vijftiger jaren die gerepresenteerd worden in de sciencefictionfilms uit deze tijd, als voorbeeld van hoe representatie in dit genre te werk gaat, alvorens in hoofdstuk 4 over te gaan op de wijze waarop de tijdsgeest het genre beïnvloedde. Ik noem hier niet alle thema’s die we in het genre kunnen aantreffen, maar pik de voornaamste eruit.
Een eerste thema dat in verkapselde vorm in het genre in deze tijd wordt gerepresenteerd is het effect van de Koude Oorlog, voornamelijk de angsten voor het onbekende en de paranoia die hieruit voortvloeiden. De red scare, de angst voor het communisme, zat er goed in en werd aangewakkerd door de media en de politiek. Het sciencefictiongenre speelde hier op twee verschillende manieren op in.
De eerste manier bevestigde de angst voor het onbekende, waarin de indringers (aliens, monsters) een bedreiging vormen voor de mensheid (of specifieker: voor Amerika). Parallellen kunnen vaak getrokken worden tussen de indringers en de communisten1: exemplarisch zijn hier de Marsbewoners (afkomstig van de rode planeet) die hun wereldinvasie op de kapitalistische landen (de communistische landen worden simpelweg niet genoemd) lijken te richten in The War of the Worlds (USA: Byron Haskin, 1953). Een ander voorbeeld vormen de aliens in Invasion of the Body Snatchers (USA: Don Siegel, 1956), die mensen overnemen en assimileren in een emotieloze samenleving waarin iedereen gelijk en gelukkig is. In deze reading kunnen de indringers gezien worden als symbolisch voor het communisme, wat Lucanio aanduidt als ‘aliens and monsters as surrogates for the Sino-Soviet menace2. De indringers in zulke films kunnen gezien worden als symbolisch voor de communistische staten door hun gedrag waarmee ze de Amerikaanse waarden en samenleving ondermijnen. Gelukkig zijn er heldhaftige, vaak doorsnee Amerikaanse, personages die, meestal in samenwerking met het leger, zulke invasies weten terug te dringen.
De tweede manier staat hier lijnrecht tegenover, en waarschuwt juist voor de gevolgen van paranoia en xenofobie. De indringers in deze films hebben vaak het beste met de mensheid voor, of zijn neutraal. Ze proberen mensen te waarschuwen voor het dood en verderf wat de haat tussen staten (oftewel de Koude Oorlog) kan veroorzaken, maar worden hierop zelf begroet met haat en angst. Slechts enkele mensen, meestal intellectuelen of tolerante mensen, horen hun boodschap. Hier zien we dus een kritiek op ‘normality’: wezens die ons willen helpen worden geschuwd slechts omdat ze anders zijn3. Sterke voorbeelden zijn hier The Day the Earth Stood Still, waarin een alien ons waarschuwt voor onze haat en vernietigingsdrang, en It Came from Outer Space (USA: Jack Arnold, 1953), waarin gestrande aliens zo snel mogelijk weg willen omdat ze vrezen dat hun voor mensen afschrikwekkende uiterlijk slechts agressie teweeg zal brengen. Slechts in een enkel geval wordt er echt geluisterd naar de aliens. Het curieuze Red Planet Mars (USA: Harry Horner, 1952), waarin na contact met Mars blijkt dat deze planeet een paradijs is dankzij het woord van God, waarop revolutie de Aarde overspoelt, is hier het enige sterke voorbeeld. Deze tweede manier kijkt reflexief naar de destijds heersende situatie, en probeert te waarschuwen voor paranoia en vreemdelingenhaat.
Een tweede thema dat in het genre wordt gerepresenteerd is verwant aan dit eerste thema. Het betreft echter niet de ‘Us vs. Them’ positie die we aantreffen tussen Amerika en de communistische staten, maar heeft betrekking op een vergelijkbare ‘Us vs. Them’ positie binnen de Amerikaanse samenleving zelf. De politieke situatie zorgde voor een sterke scheiding tussen left-wing en right-wing. De left-wing was liberaal en niet intolerant jegens andersdenkenden, de right-wing stond daar pal tegenover, was conservatief en richtte zich sterk op het behoud van Amerikaanse normen en waarden, waarbij andersdenkenden geschuwd werden. Deze politieke scheiding is tegenwoordig nog steeds sterk aan te treffen in de Amerikaanse maatschappij, maar is minder zichtbaar in de filmindustrie, die nu overwegend left-wing georiënteerd is. In de jaren vijftig echter was deze scheiding wel merkbaar in Hollywood, en ook in het sciencefictiongenre is hij terug te vinden.
De manier waarop een film left-wing of right-wing getypeerd kan worden hangt samen met het eerste thema, waarin representatie van met de Koude Oorlog verwante factoren behandeld werden. De films die aliens als goedbedoelde of neutrale wezens typeerden waren left-wing: de hoofdpersonages in deze films, meestal dromerige en wat naïeve leden van de intellectuele elite, staan open voor hun boodschap en helpen hen met hun doel, bedreigd door de intolerante samenleving die hen wantrouwt4. De films die indringers als kwaadaardig en destructief zagen zijn right-wing: de indringers bedreigen Amerika en haar waarden, en moeten met geweld worden teruggedrongen om de status quo te kunnen hervatten5. De hoofdpersonages in deze films zijn doorsnee Amerikanen waar het gewone publiek zich mee kon identificeren. De indringers waren daarentegen eendimensionaal, slechts gericht op vernietiging van de mensheid, en hadden weinig menselijke kenmerken. Dankzij de effectieve samenwerking tussen wetenschap en leger, symbolisch voor de eenheid van de staat, konden zij vernietigd worden, zoals te zien is in bijna alle alien invasion en terrestrial creature subgenres (zie paragrafen 5.2 en 6.2).
Opmerkelijk is hierbij het verbond dat Hollywood en het Amerikaanse leger aangingen in deze periode: in ruil voor positieve representatie, soms zelfs directe propaganda, van het leger, kreeg de filmindustrie de materiële steun van het leger in de vorm van legeruitrusting, soldaten en materiaal voor films waarin deze gebruikt konden worden. Voor het sciencefictiongenre, waarin de indringers die de Aarde bedreigen door het leger teruggedrongen moesten worden, was deze steun van groot belang, waardoor het leger in dit genre zelden negatief wordt gerepresenteerd, zowel in de left-wing als in de right-wing films6.
Een derde thema dat naar voren komt in het genre in deze tijd was kritiek op bepaalde facetten van de Amerikaanse cultuur, waaronder het Fordisme. Hoewel het Amerika op economisch gebied goed ging, droeg de economische groei sociale problemen met zich mee: veel mensen vreesden voor een verlies van persoonlijkheid en individualisme en voelden zich niet meer dan raderen in het systeem. Ook dit ‘loss of self’ werd in het sciencefictiongenre gerepresenteerd. In meerdere films wordt de mensheid bedreigd door fysieke of mentale overname door indringers in een emotieloos collectief waarin iedereen gelijk is. Voorbeelden zijn onder andere Invaders from Mars (USA: William Cameron Menzies, 1953) en The Blob (USA: Irving S. Yeaworth, 1958). Invasion of the Body Snatchers is hier echter het sterkste voorbeeld, wat opvallend is, aangezien het hierboven al genoemd werd in de context van de angst voor een communistische invasie7. Deze film kan dan ook op verschillende manieren gelezen worden. Het is interessant dat de kenmerken die men in het sciencefictiongenre ziet in de representatie van de Sovjets ook toegeschreven worden aan de kenmerken van de representatie van de negatieve aspecten van de Amerikaanse samenleving zelf! Meerdere readings zijn dus toepasbaar8, maar geen van hen heeft perse gelijk: de toeschouwer mag zelf speculeren over welke reading hij verkiest, aangezien het einde van de film wat dat betreft open gelaten is.
Naast deze vaak terugkerende thema’s worden ook andere thema’s in mindere mate gerepresenteerd in het sciencefictiongenre in deze tijd, zoals de veranderende positie van de vrouw in de Amerikaanse samenleving, de plaats van de mens in de natuur of de kosmos en de angst voor wereldvernietiging door middel van een atoombom. In deze scriptie kijk ik echter naar de manier waarop wetenschap in dit genre gerepresenteerd wordt. Daarvoor is het eerst nodig dat ik kijk naar verschillende opvattingen over wetenschap die destijds speelden in de Amerikaanse samenleving.

1 Jancovich, Mark. Rational fears: American horror in the 1950’s. Manchester: Manchester University Press, 1996: p. 15
2 Lucanio, Patrick. Them or us: archetypal interpretations of fifties alien invasion films. Indianapolis: Indiana University Press, 1987: 42
3 Jancovich 1996: 82
4 Biskind, Peter. Seeing is believing: how Hollywood taught us to stop worrying and love the fifties. New York: Pantheon Books, 1983: p. 144
5 Biskind 1983: 120-121
6 Vieth 2001: 72-74
7 Jancovich 1996: 64
8 Jancovich 1996: 26