Posts tonen met het label beast from 20000 fathoms. Alle posts tonen
Posts tonen met het label beast from 20000 fathoms. Alle posts tonen
woensdag 10 juni 2015
Today's Special: Top 10 Movie Dinosaurs
I don't write stuff like this very often, but this week I got inspired.
Top 10 Filmdino's
I guess you'll know what fired said inspiration. It's a Jurassic World this week and you're just living in it. Lucky little me got to see the movie in a press showing in advance and he liked it well enough. Nowhere near as magical or mindboggling as the original Jurassic Park, but I doubt anyone would have expected that. It was a fun dinosaur flick with sufficient original angles to make it worth this JP fan's while. Review up soon!
The day before I got to see JW I decided I needed to take a break from playing with JW Lego and write a piece on dinosaur movies. Again. But last time my historical overview (check the Archives here for details) was met with lackluster enthusiasm for not fitting the criteria properly. This time it does and with the dinosaur craze running rampant, it's as appropriate a time as it ever will be. Nevertheless, some overlap with the previous piece proved unavoidable. Consider them companion pieces.
So here's the 10 individual dinosaurs or dinosaur species I consider to have made the most inpact on cinemagoers since cinema's inception. It's a varied bunch, ranging from 1914 to the present, with most conceivable techniques of bringing the beasties to life included, from hand drawn animation to stop motion to guys in suits to expensive CGI. Only the live lizards with fins and horns glued to their bodies are absent (for obvious reasons). Some of these dinosaurs are scary as hell, vicious carnivores eating their way through prehistory. Others are mostly everyday animals driven by nature's instincts. Some of them are loveable, the sorts you'd want as pets. Others you'd never want to meet face to face, though paleontologists would gladly sacrifice a limb to see them in the flesh. The Number 1 pick is pretty obvious, and the why is again made apparent in Jurassic World. My predictions proved correct in terms of its role in that film. It's one of the movies' most memorable effects for a reason, not to mention the most popular dinosaur ever. And as this list illustrates, it and all other dinosaurs will forever captivate people's imaginations, proving that even extinction could be called relative.
The park is open...
Labels:
beast from 20000 fathoms,
dinosaur movies,
dinosaurs,
gertie the dinosaur,
godzilla,
jurassic park,
jurassic world,
king kong,
list,
moviescene,
the land before time,
top 10,
top-10,
toy story,
valley of gwangi
woensdag 6 juni 2012
It Came from Cold War America, Chapter 6: Terrestrial creature movies
Been
away for a few days and
haven't seen any new movies. I almost went to the local sneak preview
while on vacation, but my niece asked me to watch
In Bruges with her
instead and I never turn down an opportunity to watch that movie,
because it's so brilliant (if you haven't seen it yet, correct this
mistake ASAP!). There's little noteworthy movie news today, so I once
again dust off my bachelor paper It
Came from Cold War America,
since I'm still not done posting that piece yet. Plus, I only posted
5 new main page messages last month (though I did also post like 40
archive messages if you hadn't noticed, so the lack of main page
activity wasn't due to laziness on my part), and I'd like to do
better in June. ICfCWA opened May, so it might as well do the same
this month. It's still not in English, and considering the time it
would take to translate it, it may never well be translated.
Paragraaf 6.2: Wetenschap in terrestrial creature movies
In tegenstelling tot de indringers in het alien invasion subgenre hebben de indringers in dit subgenre geen eigen wetenschap. De representatie van wetenschap vinden we alleen aan de kant van de mensheid. Wel kunnen we kijken naar de effecten van wetenschap op de monsters, aangezien wetenschap vaak verantwoordelijk is voor hun ontstaan, en altijd voor hun vernietiging.
Paragraaf 6.1: Definitie subgenre
Het
terrestrial creature genre is in veel opzichten vergelijkbaar
met het alien invasion genre, maar thematisch verschilt het er
sterk mee. Beide subgenres onderhouden nauwe banden met horror en
tonen wezens die op grote schaal vernietiging veroorzaken, maar waar
de monsters in alien invasion films gekenmerkt worden door hun
technologie is dit bij terrestrial creature films niet het
geval. Integendeel, de monsters worden gekenmerkt door hun band met
de natuur, en dus een afwezigheid van technologie.
Het
voornaamste thema dat dit subgenre aanspreekt is Man
against Nature. De monsters
zijn, direct of indirect, producten van de Aardse natuur. Vandaar de
specifieke benaming die ik dit subgenre heb toegeschreven: deze link
met de Aarde en natuur maakt de creaturen terrestrial.
De natuur is een uiting van ‘Otherness’1.
De mensheid moet zich in de films uit dit subgenre verdedigen tegen
vervormde scheppingen van Moeder Natuur, die hij per ongeluk door
zijn eigen hoogmoed en kennisdrift heeft opgeroepen. Biskind duidt
het aan als ‘a conflict
between culture and nature’2.
Want
hoewel de creaturen vaak alledaagse producten van de natuur zijn, is
de reden dat zij zich tegen de mens keren vaak door diezelfde mens en
zijn technologie afgeroepen. De menselijke cultuur heeft het met haar
technologie aangedurfd Moeder Natuur te tergen, en zij slaat terug
door natuurlijke wezens, gewekt of vervormd, als resultaat van deze
technologie op de mensheid los te laten3.
Sobchack beschrijft de monsters als een representatie van ons
collectieve schuldgevoel over het ontwikkelen van zulke
angstaanjagende technologie4.
Niet voor niets zijn veel monsters in dit subgenre geschapen door
atoomexperimenten. De mieren in Them!
waren slechts normale insecten totdat zij dankzij langdurige
atoomproeven in hun leefgebied muteerden en tot monsterlijke
afmetingen groeiden. De Rhedosaurus – uiteraard is voor de moderne
mens een dinosaurus niet zozeer een alledaagse verschijning (en in
het geval van de Rhedosaurus geldt dit nog sterker, aangezien het
hier een fictieve soort betreft), maar de natuur zelf discrimineert
niet op basis van een dergelijke leeftijd: voor haar is een
prehistorisch wezen niet minder haar schepping dan een hedendaags
wezen – in The Beast from
20,000 Fathoms werd uit zijn
miljoenen jaren durende slaap in het poolijs gewekt door eenzelfde
atoomproef. Het gerommel met kernproeven leidde ertoe dat deze wezens
dood en verderf zaaien, hoewel zij dit niet bewust doen. Zij gaan
slechts door met het uiten van hun natuurlijke gedrag. De mieren
verschuiven de schaal van hun standaardgedrag: in plaats van insecten
eten zij nu mensen, en zij nestelen nu in rioolbuizen in plaats van
normale mierentunnels. De Rhedosaurus trekt na zijn ontwaken naar
zijn voormalige nestgronden, waar nu New York staat. De mensen staan
deze wezens in de weg, maar hebben dit aan zichzelf te danken.
Ook
op dit thema zijn variaties te vinden. Hoewel veruit de meeste
monsters in dit subgenre ontstaan als – onbedoeld!5
– gevolg van experimenteren met technologie, zijn ook andere
menselijke karaktereigenschappen verantwoordelijk voor hun woede. Zo
wordt hebzucht en gebrek aan respect voor de natuur ook bestraft,
zoals gebeurd in Creature from
the Black Lagoon en de sequels
Revenge of the Creature
(USA: Jack Arnold, 1955) en The
Creature Walks Among Us (USA:
John Sherwood, 1956), waarin mensen eerst arrogant binnendringen in
het territorium van het creatuur (een prehistorisch aquatisch wezen)
om het te onderwerpen, vervolgens het creatuur gevangen nemen en het
exploiteren door het als attractie tentoon te stellen, en er
tenslotte op experimenteren om het tot een mens om te vormen. Geen
wonder dat het creatuur zulk weerzinwekkend gedrag afstraft en
vernielingen aanricht.
Want hoewel de vijand in dit subgenre
de natuur lijkt, vloeit dit slechts voort uit de reflexiviteit van
dit subgenre. De mens is zijn eigen grootste vijand, en het publiek
leert hier over na te denken. Menselijke overmoed en hebzucht
verwoesten en vervormen de natuur, waardoor de natuur geen optie
heeft behalve terug te slaan. Dit subgenre doet mensen inzien dat zij
niet de natuur moeten willen overheersen, maar een vreedzame balans
moeten vinden. De monsters in dit genre zijn slechts metaforisch.
Vernietiging van de natuur leidt tot de vernietiging van de mensen
zelf. Deze boodschap is vandaag nog net zo actueel als in de
vijftiger jaren. Als een atoombom de Rhedosaurus uit zijn slaap wekt,
mogen we wel uitkijken dat het smelten van de ijskappen door
klimaatsverandering niet hetzelfde resultaat heeft…
De films uit dit subgenre volgen
doorgaans een formule die sterke overeenkomsten vertoont met de
typische narratie van het alien
invasion subgenre6.
Ook hier is de protagonist een intelligente man, meestal een
wetenschapper, vergezeld van een aantrekkelijke dame, die als één
van de eerste mensen met het monster in aanraking komt. In een aantal
gevallen komt dit omdat hij al bekend is met het schepsel of zijn
schepper, waardoor hij beter op de hoogte is van manieren om het te
bestrijden en daardoor wordt ingelijfd bij het team dat het
onschadelijk moet maken. Ook hier bestaat het team uit wetenschappers
en militairen die nauw samenwerken. De protagonist bedenkt meestal de
oplossing van het probleem, en dus de manier om het monster
onschadelijk te maken. Dit lukt, waarna hij en zijn vrouwelijke
metgezel een wederzijdse romantiek wacht. Deze formule is een
variatie op Lucanio’s 'klassieke tekst'7,
maar bevat vaak ook kenmerken van de 'Prometheustekst', waar het
draait om het experimenteren en ingrijpen van de mensheid in
natuurlijke processen, waarbij zij door haar overmoed
verantwoordelijk is voor de rampspoed die erop volgt8.
Overigens noemt Lucanio alleen deze twee teksten in zijn boek; hij
behandelt hen als onderverdeling van het alien
invasion genre en schaart
wat ik hier het terrestrial
creature genre noem onder
dit alien invasion
genre. Ik ben het niet eens met deze onderverdeling, aangezien
sommige sciencefictionfilms elementen van beide teksten bevatten,
terwijl andere onder geen van beide geschaard kunnen worden.
Bovendien zijn de meeste indringers in dit subgenre niet ‘alien’,
aangezien het grotere versies van alledaagse (en dus herkenbare)
wezens zijn (zoals mieren en spinnen). Deze creaturen worden
gekoppeld aan de Aarde, in tegenstelling tot de indringers uit het
alien invasion
genre die van buiten de Aarde komen, en daardoor daadwerkelijk
‘alien’
zijn.
Paragraaf 6.2: Wetenschap in terrestrial creature movies
In tegenstelling tot de indringers in het alien invasion subgenre hebben de indringers in dit subgenre geen eigen wetenschap. De representatie van wetenschap vinden we alleen aan de kant van de mensheid. Wel kunnen we kijken naar de effecten van wetenschap op de monsters, aangezien wetenschap vaak verantwoordelijk is voor hun ontstaan, en altijd voor hun vernietiging.
Ook in dit subgenre slaan wetenschap
en leger de handen ineen om de monsters te bestrijden, waarbij
wetenschap opnieuw dominant is9,
aangezien zij beter weet hoe de monsters te vernietigen met een
minimum aan menselijke slachtoffers. Wetenschap en leger zorgen samen
voor het bewaken van de sociale orde tegen de monsters10.
Ook hier is het inzetten van alle beschikbare wapens tegen de wezens
niet per definitie de beste oplossing. Zorgvuldige analyse van de
monsters of de normale versies daarvan – de monsters zijn immers
vaak uitvergrote versies van normale wezens, zoals de mieren in Them!
– leidt tot een beter begrip van de monsters, hun drijfveer, en hun
zwakke punten. Als de wetenschappers hun werk gedaan hebben komt het
leger pas in actie om ze af te maken, waarna normaliteit hervat kan
worden.
De
meeste creaturen in dit subgenre ontstaan door atoomproeven. In
enkele gevallen bestaan ze al, maar worden ze gewekt door de
atoomproef (zoals in The Beast
from 20,000 Fathoms).
Desondanks kan wetenschap zeer frequent verantwoordelijk worden
gehouden voor hun ontstaan, en dus voor de ravage die zij aanrichten.
Het ontstaan van de wezens is altijd een onbedoeld zijeffect van
wetenschappelijke experimenten. Wetenschap is in dit subgenre een
symbool voor de arrogantie en trots die de mensheid koestert ten
opzichte van technologische vooruitgang. Via wetenschappelijke macht
probeert de mens de natuur te onderwerpen. Wetenschap wordt
aanvankelijk gezien als waarheid en autoriteit, en wetenschappers als
uitdragers hiervan, die door hun kennis en capaciteit de natuur menen
te mogen beheersen11.
De natuur zet de mensheid weer op haar plaats door te bewijzen dat
deze trots vaak misplaatst is, aangezien de wetenschap ook nadelige
effecten met zich meebrengt. Technologische vooruitgang kent een
prijs. Zo leert de mensheid weer een les, en kent zij haar plaats in
de alles overheersende kracht van de natuur weer12.
Hoewel
wetenschap verantwoordelijk is voor de monsters, is zij ook
verantwoordelijk voor het vernietigen van de monsters13.
Wetenschappers in dit subgenre komen, net als in het alien
invasion genre, na gedegen
studie van de indringers met een oplossing voor de dag. Vaak zijn het
bovendien diezelfde wetenschappers die de oplossing verzinnen als de
wetenschappers die de experimenten uitvoerden die hen deden ontstaan.
Zo neemt de wetenschapper verantwoordelijkheid voor de puinhoop die
hij heeft aangericht. Na afloop van de ultieme confrontatie met de
monsters beseft de wetenschap net zo goed als iedereen dat
vooruitgang niet alles is, en de natuur gerespecteerd en niet voorbij
gestreefd dient te worden. Als dat niet gebeurt, verwoest en vervormt
wetenschap de natuur, en daarmee ook de menselijke beschaving14.
Wetenschap moet constructief en voorzichtig worden gebruikt.
In
enkele gevallen is wetenschap niet verantwoordelijk voor het ontstaan
van de monsters, maar schept de natuur ze spontaan. Dit is
bijvoorbeeld het geval in The Black Scorpion (USA: Edward Ludwig,
1957), waarin reuzenschorpioenen door een vulkaanuitbarsting
ontwaken. Een ander voorbeeld is Earth vs. The Spider (USA: Bert I.
Gordon, 1958), waarin de oorsprong van het monster niet vermeld
wordt. Wetenschap treft in deze gevallen geen blaam, maar het thema
Man against Nature overheerst hier ook. In deze gevallen is de
natuur de indringer, vergelijkbaar met de vijandige aliens in het
alien invasion genre. Dit geldt niet zozeer voor de wel door
wetenschap voortgebrachte monsters in het terrestrial creature
genre, aangezien de mens in deze gevallen de rampspoed over zichzelf
afroept, en de monsters hier geen “indringers” maar “wrekers”
zijn. In deze variant op het subgenre is de wetenschap slechts de
redder, en niet de verwoester.
Casestudy
2: The
Beast from 20,000 Fathoms
The
Beast from 20,000 Fathoms houdt zich aan de definities van de
klassieke tekst die Lucanio noemt. Het creatuur in deze film, de
Rhedosaurus (een fictieve dinosaurus), is in alle opzichten
terrestrial. Het wezen heeft miljoenen jaren onder het poolijs
in slaap gelegen, maar wordt bruut gewekt door een atoomproef.
Ontwaakt uit zijn slaap komt het wezen in een voor hem compleet
nieuwe wereld terecht die anders in dan wat hij gewend is, maar zijn
instinct is hetzelfde, en hij trekt terug naar zijn oorspronkelijke
nestgronden, een grottenstelsel in de buurt van New York. Hierop valt
het monster de stad binnen, waar het dood en verderf zaait en grote
paniek veroorzaakt.
De
precieze reden voor de atoomproef in deze film wordt niet vermeld.
Zoals de meeste atoomproeven in films uit de jaren vijftig heeft het
iets te maken met het testen van atoombommen, mogelijk het
ontwikkelen van een waterstofbom (de narrator maakt gewag van
‘H-hour’, staat 'H' voor hydrogen bomb wellicht?).
De geleerden die de proef overzien, waaronder de typische scientist
hero professor Nesbitt (Paul Hubschmid), hebben hun twijfels over
het gebruik van atoomenergie, maar zien het als een noodzakelijk
kwaad voor het opdoen van wetenschappelijke kennis, zoals de volgende
conversatie illustreert:
Nesbitt:
‘The world’s been here for millions of years. Man’s been
walking upright for a comparatively short time. Mentally, we’re
still crawling. This test will add to our knowledge.’
Ritchie:
‘Every time one of these things goes off I feel as if we were
helping to write the first chapter of a new Genesis.
Nesbitt:
‘Let’s hope we don’t find ourselves writing the last chapter of
the old one.’
Evans:
‘You sound like a man who’s scared, Tom.’
Nesbitt:
‘What makes you think I’m not?’15
Dit
gesprek toont aan dat de geleerden op de hoogte zijn van het gevaar
dat atoomenergie kan opleveren, maar dat ze het risico durven te
nemen omwille van wetenschappelijke vooruitgang. Ze zijn er zich van
bewust dat hun test dodelijke straling heeft opgewekt, maar aangezien
de proef gedaan werd in het niemandsland van de ijskappen op de
Noordpool lijkt dit gerechtvaardigd, aangezien er toch niemand woont.
De gevolgen voor de natuur worden niet in ogenschouw genomen. Maar de
natuur laat zich niet zo respectloos behandelen. Als gevolg van het
menselijk verstoren van de natuur wordt de Rhedosaurus uit zijn slaap
gewekt, als wreker van de natuur.
Zijn ontwaken blijft niet onopgemerkt.
Twee wetenschappers, waaronder Nesbitt, die de resultaten van de
atoomproef controleren, worden met het schepsel geconfronteerd,
waarbij één van hen het leven verliest. Nesbitt overleeft het, en
vertelt bij terugkomst op de basis over het wezen, maar zijn verhaal
wordt niet geloofd. Dit is typisch voor het terrestrial creature
genre: de persoon die het eerst met het creatuur in aanraking komt
wordt voor gek versleten. Vaak is de persoon in kwestie de scientist
hero: hoewel deze de wetenschap, een instituut dat geacht wordt
ware kennis op te doen en feiten te checken, representeert, klinkt
zijn verhaal in zulke gevallen te onwaarschijnlijk. Desondanks krijgt
de wetenschap in het genre altijd alsnog gelijk als de indringer zijn
aanwezigheid laat gelden; want de wetenschap(per) liegt niet. Dit
geldt ook voor Nesbitt, die na zijn confrontatie op zoek gaat naar
bewijs om de waarheid aan te tonen. De mogelijkheid dat hij
hallucineerde slaat hij af, want zoals hij het zegt: ‘I’m not
inclined to let my imagination run away with me, I’m a scientist’.
Nesbitt is een typische scientist
hero, enigszins stijf en emotieloos - normaal voor protagonisten
in de klassieke tekst - maar toch sympathiek en met een zekere charme
(zie ook casestudy 1, waarin meer verteld werd over de koele
uitstraling van scientist heroes in de klassieke tekst). Om
een second opinion over zijn monsterverhaal te krijgen
probeert hij de steun van vooraanstaand paleontoloog professor Elson
(Cecil Kellaway, als archetypische wise old man), te krijgen.
In een debat over de mogelijkheid dat een prehistorisch wezen 100
miljoen jaar in het ijs gezeten heeft maar nog leeft, weet Elson alle
verklaringen die Nesbitt geeft rationeel te ontkrachten. Desondanks
trekt Nesbitt’s gedrevenheid de aandacht van Elsons assistente Lee
Hunter (Paula Raymond), die niet alleen in zijn verhaal maar ook in
Nesbitt zelf geïnteresseerd is (waarop een welhaast clichématige
relatie zich ontvouwt tussen Nesbitt en Hunter). Hunter is een goed
voorbeeld van de nieuwe rol voor vrouwen in de wetenschap. Ze heeft
klaarblijkelijk verstand van zaken en is niet bang haar mening te
uiten in het gezelschap van mannelijke wetenschappers. Haar mentor
heeft het volste vertrouwen in haar capaciteiten, wat genoeg reden is
voor Nesbitt om ook op haar expertise te vertrouwen. Desondanks is ze
nog een assistente: waarschijnlijk heeft men geprobeerd het publiek
het ongeloof van een vrouw als belangrijk paleontoloog te besparen.
Een oude man die veel weet van uitgestorven dieren lijkt
waarschijnlijker dan een knappe jongedame met dezelfde kennis.
In
tegenstelling tot haar mentor gelooft Hunter wel in Nesbitts verhaal:
ze typeert hem als een briljant wetenschapper, wat voor haar genoeg
reden is om hem te vertrouwen. Als Nesbitt vraagt waarom hij haar
sympathie heeft, antwoordt ze: ‘I have a deep, abiding faith in the
work of scientists. Otherwise I wouldn’t be one
myself’. Voor haar is de mogelijkheid dat Nesbitt ongelijk
heeft ontkracht domweg omdat hij een medewetenschapper is. Ook Elson
gaf in voorgaande scène aan Nesbitt te willen geloven. Kennelijk
hebben wetenschappers onder elkaar meer vertrouwen in
ongeloofwaardige verhalen dan niet-wetenschappers. Mogelijk haakt dit
in op de anti-intellectualistische sfeer die begin jaren vijftig
heerste (zie ook paragraaf 4.2): wetenschappers werden beschouwd als
een vreemde intellectuele elite die onder andere brabbelde over
raketten naar de maan. Maar ook dit ongeloofwaardige verhaal werd een
decennium later werkelijkheid. Vreemde verhalen horen bij de
wetenschap, en wetenschappers zelf onderstrepen dit feit.
Hunter
besluit het onderzoek naar het monster analytisch aan te pakken. Ze
geeft Nesbitt een willekeurige stapel illustraties van dinosauriërs,
waaruit hij de zijne moet pikken. Vervolgens neemt ze contact op met
de overlevende van een scheepsramp, die beweert dat zijn schip
aangevallen werd door een zeeslang. Zijn ondervraging wordt op
dezelfde onpartijdige manier aangepakt: uit een stapel illustraties
van dinosauriërs pikt hij dezelfde dinosauriër, de Rhedosaurus, als
schuldige. Zo wordt Nesbitts verhaal een stuk waarschijnlijker,
waarop Elson hem ook gelooft. Dit, en de melding van een reeks rampen
in de media, is reden genoeg voor het gezelschap een trip te
ondernemen naar de nestgronden van de Rhedosaurus, de
Hudson-zeegrotten in de buurt van New York, voor verder onderzoek
naar het wezen. Elson stelt voor het monster te vangen als het echt
bestaat. Als hem gezegd wordt dat het gevaarlijk is, antwoordt hij:
‘the risk would be worth it if one thinks of the benefit to
science’. Eens te meer wordt gesteld dat risico’s acceptabel zijn
ten bate van de wetenschap. De prijs die in het vooruitzicht wordt
gesteld, de accumulatie van wetenschappelijke kennis, is groot genoeg
om wetenschappers zulke risico’s te doen nemen. Al snel blijkt dat
deze gedachte mogelijk misplaatst is: bij de grotten aangekomen
blijkt de Rhedosaurus inderdaad springlevend, waarop Elson verslonden
wordt door het wezen. Een interessante observatie: in een shot van
een krant, waarin melding wordt gemaakt van Elsons dood, staat naast
dit artikel een artikel over wetenschappers die een nieuwe
röntgentechniek hebben ontwikkeld. Zo toont dit shot ons de
dualiteit van wetenschap: ontdekking gaat gepaard met verlies. Het
feit dat het artikel over Elsons dood een stuk groter is afgebeeld
dan het andere artikel laat vragen open over wat dominant is: de
vergroting van wetenschappelijke kennis, of het verlies dat het
vergaren van deze kennis kan opleveren. Hunter vraagt zich ook af of
Elsons dood wel zin had, ongeacht de kennis die het opleverde.
Door
Elsons dood krijgt Nesbitt echter gelijk, en daarom krijgt hij de
leiding over de militaire eenheden die het wezen moeten vernietigen.
Het feit dat hij een atoomexpert is, en geen paleontoloog, speelt
daarbij geen rol, en blijkt later handig voor de oplossing van het
probleem. Het is dus puur een plot
device16.
Eens te meer werken wetenschap en leger samen om de samenleving te
beschermen, waarbij de wetenschap door haar inzicht in de situatie
dominant is. Het thema Man against Nature
komt hier sterk naar voren. Het creatuur wordt domweg geleid door
zijn natuurlijk territoriale instinct, maar zijn nestgrond is
vervangen door een menselijk bolwerk. Als hij de stad, gebouwd op wat
hij als zijn territorium ziet, binnenvalt, wordt hij gezien
als de indringer. Voor hem is geen plaats in deze veranderde wereld,
en daarom moet hij verdwijnen. Nesbitt, degene die hem door het
experimenteren met atoomenergie gewekt heeft, gaat hem nu ook weer
doen inslapen. De wetenschapper neemt zo verantwoordelijkheid voor
het door hem aangerichte probleem.
Het
blijkt echter moeilijker dan aanvankelijk gedacht om de Rhedosaurus
te doden. Bij de eerste confrontatie tussen het leger en het wezen
werd hij verwond, en het blijkt dat zijn bloed prehistorische
ziektekiemen bevat waartegen mensen geen weerstand hebben (het lijkt
een omgekeerde situatie als in The War of the Worlds, waar de
microben juist de indringer vernietigden). Zonder de wetenschap zou
deze conclusie niet getrokken zijn, wat mogelijk rampzalige gevolgen
had gehad zelfs als het schepsel ontschadelijk was gemaakt. Het
monster kan niet simpelweg door het leger overhoop geschoten worden,
aangezien de ziektekiemen zich dan over een groot gebied verspreiden
en meer slachtoffers kunnen maken dan de Rhedosaurus zelf. Nesbitt
analyseert monsters van het bloed en weet een radioactieve isotoop te
maken - dat is immers zijn terrein van expertise - die het monster
kan doden en ook de ziekte beteugelen. In de climax van de film
slaagt Nesbitt er samen met een scherpschutter - één wetenschapper
en één soldaat, waardoor de relatie tussen wetenschap en leger hier
gelijk is (en wetenschap dus niet langer dominant is), aangezien
beiden onmisbaar zijn - ternauwernood in om het monster de isotoop
toe te dienen, waarna het sterft en de normaliteit hervat kan worden.
Interessant is dat hier radioactiviteit als redder optreedt, terwijl
het in het genre doorgaans de boosdoener is.
The Beast from 20,000 Fathoms toont
een dualiteit in de representatie van wetenschap: wetenschappers zien
het vergroten van wetenschappelijke kennis als een nobele zaak, die
offers eist. Ze zijn op de hoogte van de risico’s die hun
experimenten met zich meebrengen, maar verkiezen de consequenties te
ondergaan. In dit geval leiden wetenschappelijke proeven tot grote
schade: een monster wordt gewekt, richt enorme ravage aan waarbij
honderden mensen omkomen en dreigt met een ziekte nog meer
slachtoffers te eisen. Zo lijken wetenschappelijke tests de moeite
niet waard. Desondanks wekt het einde van de film de suggestie dat
deze conclusie voorbarig is. Want uiteindelijk wordt het monster ook
teniet gedaan door wetenschappelijke kennis, in dit geval Nesbitt’s
expertise met radioactiviteit. Deze kennis is opgedaan door proeven
vergelijkbaar met de tests die het monster deden ontwaken. Zo toont
de film het publiek dat zulke proeven mogelijk niet voor niets zijn,
en we toch vertrouwen in de wetenschap en haar capaciteit de schade
te herstellen kunnen hebben.
Ondanks de gelukkige afloop dwingt de
film de kijker zich af te vragen of het vergaren van (potentieel)
nuttige kennis de hoge prijs waard is: moeten we wel alles willen
weten, ook als het ons gevaar oplevert? Deze gedachte wordt
gereflecteerd in de trailer van de film. Hierin
worden kreten geslaakt als ‘Are we delving into mysteries we
weren’t meant to know?’, ‘Is mankind challenging powers behind
the cosmic barriers?’, ‘Who knows what waits for us in nature’s
nomansland…’ en ‘Will science unleash the fearsome forces of
lost worlds?’. In zulke kreten is al een zekere animositeit
jegens wetenschap en haar streven merkbaar: wetenschap gaat te ver in
haar zoektocht naar kennis, waarop gevaarlijke consequenties de
mensheid treffen (opnieuw een mogelijke metafoor voor de atoombom:
deze werd als gevolg van het onderzoek naar atoomenergie ontwikkeld,
en heeft veel levens gekost).
In deze film zijn wetenschappers wel
schuldig aan het wekken van het monster, en daardoor aan de ravage
die het aanricht, maar komen ze ook met een oplossing die zo min
mogelijk levens eist17.
Zo neemt wetenschap zijn verantwoordelijkheid en blijft het integer.
Het is niet slechts de brenger van dood en verderf, maar kan ook
constructief gebruikt worden (waarbij het een element gebruikt dat in
deze periode voornamelijk negatieve connotaties had,
radioactiviteit). Tegelijkertijd verdient het monster ook enige
sympathie, aangezien het zijn schuld niet is: hij volgt slechts zijn
instinct. Maar de wereld die hij kende is niet meer, en daardoor moet
hij wijken. Als wetenschap niet experimenteerde met atoomenergie, was
hij niet gewekt. Zo waarschuwt de film via een metafoor, het monster
gewekt door atoomenergie en uitgerust met prehistorische straling,
voor de gevaren die echte atoomproeven en de daarmee gepaard gaande
radioactiviteit opleveren.
1
Biskind 1983: 111
2
Biskind 1983: 106
3
Brosnan 1978: 95
4
Sobchack 1980: 46-47
5
Tudor, Andrew. Monsters and mad
scientists: a cultural history of the horror movie.
Oxford: Basil Blackwell Ltd., 1989: p. 147
6
Vieth, 2001: 62-63
7
Lucanio 1987: 25-44
8
Lucanio 1987: 46-52
9
Jancovich 1996: 16
10
Sobchack 1980: 45
11
Vieth 2001: 180
12
Baxter 1970: 138
13
Biskind 1983: 104
14
Vieth 2001: 158
16
Lucanio 1987: 39
17
Jancovich 1996: 52
Labels:
beast,
beast from 20000 fathoms,
bugs,
Cold War,
dinosaurs,
fifties,
horror,
it came from cold war america,
monsters,
science,
science fiction,
scientists,
terrestrial creature
woensdag 28 maart 2012
It Came From Cold War America, Chapter 4: Science in the Fifties
Another quiet week as far as movies and movie news are concerned. Therefore, I'll post eyt another chapter of my first major science fiction paper It Came From Cold War America. After all, now that I've started posting this paper bit by bit, I can't not finish it (that's just not in my neurotic nature!). Besides, I'm sure you're all dying to know how it ends.
Hoofdstuk 4: ‘Science’ en de tijdsgeest
Paragraaf 4.1: Wat speelde er in deze tijd?
Zoals al gezegd
in het voorgaande historisch overzicht werd het leven in de jaren
vijftig gedomineerd door de consequenties van de Tweede Wereldoorlog.
Hoewel Amerika en haar bondgenoten de vijand verslagen hadden, doemde
een nieuwe potentiële vijand op, de Sovjet-Unie. Aangezien deze
staat door het communisme, een ideologie die haaks stond op het
Amerikaanse ideaal van de kapitalistische samenleving, gedreven werd,
resulteerde het wantrouwen tussen beide staten in een periode van
angst en paranoia. Tijdens deze Koude Oorlog werd het Amerikaanse
publiek continu herinnerd aan de bedreiging die het communisme voor
de Amerikaanse maatschappij en haar normen en waarden vormde. Mensen
die van de norm afwijkende opvattingen hanteerden werden met argwaan
bekeken. Desondanks bestond het ‘rode gevaar’ voornamelijk in het
Amerikaanse collectieve bewustzijn1.
In de praktijk viel het allemaal wel mee.
Bovendien ging de
angst voor de Sovjet-Unie gepaard met de angst voor de atoombom. Dit
wapen had de Tweede Wereldoorlog in Amerika’s voordeel beëindigd,
maar had ook het vertrouwen van veel mensen in technologische
vooruitgang geschaad. Toen de Sovjet-Unie in staat bleek eigen
atoomwapens te kunnen ontwikkelen, vreesden veel mensen voor een
atoomoorlog, die mogelijk de ondergang van de menselijke beschaving
zou kunnen betekenen. Technologische ontwikkeling was niet langer een
garantie voor een mooie toekomst. Technologie was een beangstigend
iets geworden2.
Tegelijkertijd
veranderde de samenleving in Amerika van binnenuit op sociaal gebied.
Op economisch gebied ging het Amerika voor de wind. De welvaart steeg
enorm, mede dankzij de nieuwe Europese markt die door de Marshallhulp
tot stand was gekomen. Veel mensen, vooral diegenen die de
depressiejaren hadden meegemaakt, waren zeer tevreden met deze nieuwe
welvaart: hierdoor heerste, vooral in de meer conservatieve kringen,
sterk de angst dat men deze nieuwe geborgenheid kon verliezen door toedoen
van atoomwapens, vijandige staten en dergelijke zaken3.
Desondanks was er ook kritiek op de welvaart en haar gevolgen,
voornamelijk op het Fordistische systeem dat het met zich meebracht.
De samenleving werd een ‘technocratic society’4.
Mensen werden slechts raderen in het systeem en verloren controle
over hun eigen bestaan. Het leven werd een routine, waarin er geen
ruimte was voor andersdenkenden en diversiteit5.
De massacultuur nam het systeem over: mensen meenden hun identiteit
kwijt te raken. De man-in-de-straat verloor zijn individuele status en
ging op in de grote grijze massa.
Voorts vond er een generatieconflict plaats. De jongere generatie van
na de Tweede Wereldoorlog, de zogenaamde babyboomers, bleek van een
heel ander slag dan de voorgaande generatie. Deze jongeren groeiden
op met welvaart en waren niet anders gewend. Ze hadden geld en tijd
te besteden op een schaal die voor de oorlog ondenkbaar was,
aangezien Amerika toen nog uit de depressiejaren opkrabbelde6.
De jongeren rebelleerden tegen de starre wereld van hun ouders, en
schiepen een eigen jeugdcultuur, vaak tot afkeuring van de oudere
generatie.
Tenslotte was er de veranderende positie van de vrouw. De Tweede
Wereldoorlog had de maatschappij ertoe genoopt vrouwen in te zetten
op plaatsen die voorheen door mannen bezet worden, zoals fabrieken.
Toen de oorlog was afgelopen wilden vrouwen deze plaatsen niet
afstaan, waardoor rollenpatronen verschoven. In de jaren vijftig was
de taak van de vrouw weliswaar nog steeds vaak in het huiselijk leven
te vinden, maar ook was het nu meer geaccepteerd voor vrouwen om ander
werk te hebben, gedeeltelijk omdat ze door technologische innovaties
(wasmachines, stofzuigers) meer vrije tijd kregen. Ook in de
wetenschap namen vrouwen een steeds grotere rol in, niet alleen als
assistentes, maar ook als volbloed wetenschappers. De nieuwe plaats
van de vrouw werd desondanks door veel mannen met moeite geaccepteerd
in de patriarchale Amerikaanse maatschappij, omdat zij onder andere
vreesden voor het aftakelen van Amerikaanse normen en waarden, zoals
het gezinsleven, opvoeding van kinderen en dergelijke zaken7.
Paragraaf 4.2: Negatieve opvattingen en representatie van wetenschap in SF-films
Dankzij de atoombom
hadden veel mensen het vertrouwen in de wetenschap verloren. De
wetenschap had het ultieme vernietigingswapen voortgebracht, en voor
de dreiging van een atoomoorlog gezorgd. Veel mensen waren bang voor
totale vernietiging. Het is daarom niet verwonderlijk dat Hollywood
snel insprong op films die handelden over atoomwapens, of uit de hand
gelopen wetenschap in het algemeen. Een groot deel van de
sciencefictionfilms van de vijftiger jaren heeft in meer of mindere
mate met dit onderwerp te maken. Het idee van ‘science gone bad’
was echter niet nieuw. Al vroeg in de jaren dertig speelde Hollywood
erop in, onder andere in films als Frankenstein (USA: James Whale,
1931) en Island of Lost Souls (USA: Erle C. Kenton, 1933) waarin
wetenschappers worden opgevoerd die zich bezighouden met bizarre
experimenten die resulteren in horror en doodslag.
De wetenschap in films uit de dertiger jaren was echter vrij lukraak
(er zat geen plan achter), en nauwelijks gebonden aan de tijdsgeest.
In deze tijd speelde wetenschap niet de belangrijke rol die het
speelde in de jaren vijftig: die paar films waarin wetenschap
gerepresenteerd werd werden niet gemaakt om in te haken op
wetenschaps-issues die speelden in de samenleving, maar gewoon om
dezelfde reden dat andere films gemaakt werden (om geld op te brengen
en het publiek te vermaken). De manier waarop er in horror en
sciencefictionfilms uit de jaren vijftig mee omgegaan werd haakte
daarentegen sterk in op de tijdsgeest. De atoombom, of atoomenergie
in het algemeen, was een vaak terugkerend motief in het genre. Een
groot aantal films speelde in op de angsten omtrent atoomwapens die
het publiek koesterde. Doorgaans werd echter gebruik gemaakt van
metaforen in plaats van het tonen van realistische gevolgen van een
atoomoorlog. Zo maakte het terrestrial creature subgenre
gebruik van monsters voortgebracht door uit de hand gelopen
atoomexperimenten. De monsters stonden in dit geval symbool voor de
vernietiging die door atoombommen aangericht kon worden, doordat zij
eveneens op grote schaal dood en verderf zaaiden. Bovendien waren
veel monsters het product van mutaties veroorzaakt door straling,
waarmee ingespeeld werd op de angst voor zulke straling: het bracht
groteske en tegennatuurlijke misvormingen met zich mee. Zo kon een
ongrijpbaar iets als atoomstraling gereduceerd worden tot iets
tastbaars, dat effectief met wapens en soldaten bestreden kon worden.
Wetenschappers zelf kwamen er niet altijd even goed vanaf. Hoewel
verscheidene sciencefictionfilms wetenschappers in een positief
daglicht stellen en ze als heroïsche protagonisten opvoeren, is er
ook een vrij groot aantal films waarin de wetenschappers juist
afgeschilderd worden als boosdoeners. De wetenschapper wordt
neergezet als koud en meedogenloos, met de neiging mensen op te
offeren in naam van de wetenschap.Een treffend voorbeeld vinden we in
de persoon van Dr. Carrington in The Thing from Another World.
Wanneer in deze film de alien de mensen aanvalt, probeert
Carrington ervoor te zorgen dat het wezen geen strobreed in de weg
gelegd word, aangezien hij het beschouwt als een hogere levensvorm.
Bovendien beschermt hij het nageslacht van het wezen, ongeacht het
feit dat het mensenlevens kost, en hij saboteert een poging het wezen
te vernietigen8.
Als de protagonist, kapitein Hendry, hem confronteert met zijn
onorthodoxe gedrag, resulteert dat in het volgende gesprek:
Carrington: ‘Knowledge is more
important than life. We’ve only one excuse for existing. To think,
to find out, to learn. (…) We’ve thought our way into nature,
we’ve split the atom…’
Hendry: ‘Yes,
and that sure made the world happy, didn’t it?’9
Carrington is het
schoolvoorbeeld van de wetenschapper die te ver gaat in zijn
vertrouwen in de wetenschap, en zich erdoor laat verleiden
onmenselijke dingen te doen. Hoewel hij in principe goede bedoelingen
heeft, het verheffen van het menselijke kennispeil, leidt dit in The
Thing from Another World niet tot positieve resultaten10.
Dit geldt overigens voor de meeste goede bedoelingen in
sciencefictionfilms uit deze periode. In veel films wordt een
wetenschapper opgevoerd die de mensheid probeert te helpen, waarbij
zijn experimenten uit de hand lopen en rampspoed met zich meebrengen.
Vooral in het altered human subgenre zien we dit thema vaak
terug.
Wetenschappers
worden ook vaak gepresenteerd als sociaal onaangepast, en ook deze
opvatting komt in The Thing from Another World sterk naar voren11.
Ze zijn emotieloos, kennen geen vreugde en leven alleen voor hun
werk. Slechts voor hun wetenschap hebben ze interesse. Ze zien geen
kwaad in hun werk en nemen weinig verantwoordelijkheid. In sommige
gevallen worden ze vergeleken met kinderen, onvoorzichtig, onwetend
en altijd hun zin doordrijvend. In The Thing from Another World maakt
ook Hendry deze vergelijking:
Veel mensen hadden
in de jaren vijftig ook dergelijke opvattingen over wetenschappers.
Ze werden gezien als een intellectuele elite13,
mensen zonder sociaal leven of connectie met “normale” mensen,
die enthousiast praten over dingen waar ‘gewone’ mensen geen
verstand van hebben in een onbegrijpelijk wetenschappelijk taaltje.
De sfeer in het begin van de vijftiger jaren was sterk
anti-intellectueel. Alle mensen die meer hun hoofd dan hun handen
gebruikten in hun beroep werden simpelweg als eggheads
beschouwd14.
Bovendien werden wetenschappers als potentieel gevaarlijk gezien,
aangezien zij verantwoordelijk waren voor de schepping van de
atoombom15.
De lancering van de Sputnik in 1957 en de hierop volgende
space race brachten verandering in deze visie, aangezien men
doorkreeg dat wetenschappers een beslissende rol speelden in het
verslaan van de Sovjets wat betreft de ruimtevaart, zodat wetenschap
meer in een constructief en serieus daglicht kwam te staan, en het
anti-intellectualisme afnam16.
Paragraaf 4.3: Positieve opvattingen en representatie van wetenschap in SF-films
Hoewel veel mensen
wetenschappers als een gevaar zagen, waren er ook velen die
juist het tegenovergestelde dachten. Zij zagen wetenschap als
hulpmiddel om een hogere levensstandaard te bereiken. Hoewel
wetenschap de atoombom had voortgebracht, kon het de mensheid ook
redden van oorlog, honger en ziektes. En hoewel experimenten met het
atoom een verschrikkelijk massavernietigingswapen hadden
voortgebracht, beloofde de wetenschap ook veel goeds door het atoom
als energiebron te ontwikkelen. Hierbij kreeg zij steun van de
Amerikaanse overheid die zich niet slechts wilde profileren als
afnemer van atoomwapens, maar het publiek wilde doen inzien dat
atoomenergie een beter leefbare wereld kon vormen17.
De positieve kant van het wetenschappelijk spectrum vond haast net zo
veel navolging in het sciencefictiongenre in de jaren vijftig als de
negatieve kant.
Deze positieve
kanten van wetenschap zien we het sterkst terug in de alien
invasion en terrestrial creature subgenres. Wetenschap is
hier een krachtig hulpmiddel om de mens te helpen de indringers te
verslaan. Vaak zijn de protagonisten van films uit deze subgenres
wetenschappers, die dankzij een gedegen analyse van de aliens een
middel vinden om hen te verslaan: Lucanio duidt hen aan als scientist
heroes18.
Bij het terrestrial creature subgenre treffen we echter een
dualiteit aan, aangezien wetenschap, en vaak zelfs dezelfde
wetenschappers, ook verantwoordelijk is voor het ontstaan van de
indringers. Dit geeft wel het effect dat de wetenschappers een sterk
gevoel van verantwoordelijkheid lijken te hebben: integer als ze zijn
ruimen ze de rommel die ze gemaakt hebben ook weer op.
In de realiteit
werden wetenschappers in de vijftiger jaren niet geconfronteerd met
buitenaardse invasies of reusachtige mutaties. Zij trachtten de
mensheid, of in ieder geval de Amerikaanse portie hiervan, op andere
manieren te helpen. Hun voornaamste doel was technologische
ontwikkeling en vooruitgang, om de levensstandaard en welvaart te
verhogen.
Hier dient ook
gelet te worden op het onderscheid dat Lucanio maakt tussen de
klassieke tekst en de Prometheustekst. De klassieke tekst omvat die
films die zich richten op indringers die de mensheid aanvallen.
Vervolgens moet de samenleving als eenheid terugslaan, onder leiding
van een heldhaftig personage dat gebruik maakt van gezond verstand en
logica en de situatie rationeel analyseert. Lucanio noemt The War of
the Worlds van H.G. Wells als prototype voor deze variatie19.
De meeste sciencefictionfilms die in deze categorie geschaard kunnen
worden komen uit de alien invasion en terrestrial creature
subgenres. Hiertegenover staat de Prometheustekst, waarin het
personage gestuurd wordt door intuïtie en emotie. Deze variatie
handelt meer over een personage dat wetenschappelijke experimenten
uitvoert die zich tegen hem en zijn omgeving richten. Onder deze
categorie valt vooral het altered human subgenre, alsmede
enkele terrestrial creature films. In tegenstelling tot de
meer onorthodoxe wetenschappers die we aantreffen in de klassieke
tekst (zoals voornoemde Dr. Carrington) kon het publiek in de
vijftiger jaren zich makkelijker met de Prometheus-wetenschappers
identificeren omdat ze normale menselijke eigenschappen vertoonden,
in plaats van geportretteerd werden als onderdeel van een
intellectuele elite20.
Een andere vorm van wetenschappelijke representatie zien we in een
bepaald narratief effect, waarin een wetenschapper indirect, door
middel van uitgebreide expositie, aan de andere personages, maar hoofdzakelijk aan het publiek, uitlegt wat er aan de hand is. De
wetenschapper dient hier als leraar, en geeft het publiek enige
educatie mee21.
Dit narratieve stijlmiddel komt in alle subgenres voor: zo worden
dingen uitgelegd over de voor- en nadelen van atoomenergie, genetica,
biologie en andere zaken. Voorbeelden treffen we aan in Them!, The
Beast from 20,000 Fathoms (USA: Eugène Lourié, 1953), The War of
the Worlds en eigenlijk bijna alle serieuzere sciencefictionfilms.
Ook in het man into space subgenre is het een belangrijk
hulpmiddel om het publiek wetenschappelijke zaken uit te leggen,
aangezien weinig mensen buiten de wetenschap bekend zijn met de
werking van ruimtevaarttechnologie. Zo stimuleerde het
sciencefictiongenre de algemene ontwikkeling ook nog enigszins.
Ook op een ander
terrein was wetenschap de Amerikaanse samenleving behulpzaam. Samen
met het leger vormde ze een sterke eenheid tegen de technische
capaciteiten van de Sovjet-Unie. Amerika kon zich geen
gezichtsverlies veroorloven, en begreep de noodzaak de Sovjets niet
de boventoon te laten voeren in technologische ontwikkeling, met name
de space race. Deze gedachtegang zien we het sterkst terug in
het man into space subgenre.
Destination Moon vormt een sterk voorbeeld. In deze film tracht een
stel wetenschappers in samenwerking met enkele particuliere bedrijven
een raket te bouwen om naar de maan te reizen. De noodzaak van zo’n
missie wordt meerdere keren in duidelijke taal benadrukt door een
generaal:
‘A rocket is an absolute
necessity. If any other power gets on into space before we do, we’ll
no longer be the United States, we’ll be the disunited world.’
‘The race
is on and we’d better win it, because there’s absolutely no way
to stop an attack from outer space. The first country that can use
the moon for the launching of missiles will control the Earth.’22
Hij blijkt gelijk te
krijgen, want al snel worden de pogingen het project van de grond te
krijgen ondermijnd door propaganda van een “unfriendly foreign
power”23.
Deze natie wordt niet bij naam genoemd, maar dat is ook niet nodig.
Eens te meer bleek Destination Moon profetisch: aan het eind van het
decennium barstte de space race uit, hoewel het dubieus is dat
de betrokken naties van plan waren raketinstallaties op de maan te
installeren. In ieder geval won Amerika de race, toen in 1969 de
eerste maanlanding plaatsvond. Tot raketinstallaties op de maan is
het overigens nooit gekomen.
Ook de veranderende
positie van de vrouw, een sociaal thema dat speelde in de jaren
vijftig, werd niet overgeslagen in sciencefictionfilms uit deze
periode. In verscheidene films zien we vrouwen in typisch mannelijke
posities, waaronder de wetenschap (Them!, It Came from Beneath the
Sea (USA: Robert Gordon, 1955)) en zelfs het leger (The Thing from
Another World). In deze posities doen ze geenszins onder voor hun
mannelijke tegenhangers, die echter wel hun bedenkingen hebben over
een vrouw in het team dat de indringers bestrijdt: ze laten echter zien dat
ze kennis van zaken over hun vakgebied hebben, en deze kennis
constructief en relevant weten in te zetten24.
Desondanks portretteerden veel films vrouwen nog steeds als damsels
in distress, vooral in de latere jaren vijftig, toen de nadruk op
horror in het genre groter werd.
1
Lucanio 1987: 76-77
2
Edelson 1975: 39
3
Katovich en Kinkade 1993: 621
5
Jancovich 1996: 19-23
6
Jancovich 1996: 86-87/Veith 2001: 80-81
7
Noonan beschrijft de positie van de vrouw in de vijftiger jaren met
betrekking tot het sciencefictiongenre in groot detail in haar
artikel ‘"Science in Skirts": Representations of Women
in Science in the "B" Science Fiction Films of the
1950s.’. Het onderwerp is te breed om hier voldoende aandacht te
krijgen. Voor een beter beeld van dit onderwerp raad ik aan haar
artikel onder de loep te nemen.
8
Vieira 2003: 163-164/Katovich en Kinkade 1993: 626
10
Jancovich 1992: 64-65
11
Baxter 1970: 106-107
13
Lucanio 1987: 51-52
14
Vieth 2001: 63-64
15
Brosnan 1978: 72
16
Vieth 2001: 65
17
Lucanio 1987: 88
18
Lucanio 1987: 25, 27-49
19
Lucanio 1987: 25
20
Lucanio 1987: 51-52
21
Vieth 2001: 163-167
23
Brosnan 1978: 75
24
Vieth 2001: 45-56
Labels:
alien invasion,
aliens,
altered human,
beast from 20000 fathoms,
Cold War,
fifties,
sci-fi,
science,
science fiction,
scientists,
terrestrial creature,
the fly,
war of the worlds
maandag 12 maart 2012
The Beast from 20,000 Fathoms
Rating:
****/*****, or 8/10
First
dinosaur-on-a-rampage movie (beating the much more famous Japanese
Gojira by one year) is still one of the best of its kind,
mostly thanks to Ray Harryhausen's sublime stop motion animation.
After an H-bomb test in the frozen Arctic wastelands, a scientist
(Paul Hubschmid) spots a giant reptillian creature before being
wounded in an avalanche. At first his wild stories are met with
disbelief by his colleagues except for an old paleontologist (Cecil
Kellaway) and his attractive female assistant (Paula Raymond).
However, as soon as the monster, a fictional species of dinosaur
dubbed Rhedosaurus, attacks Manhattan, doubt turns into terror and
the scientists, in cooperation with the armed forces, race against
time to find a way to stop the beast. This was Harryhausen's first
solo project after having done most of the animation for Mighty
Joe Young (1949) together with his mentor Willis O 'Brien.
Apparently, Harryhausen was a good student, since the result of his
skill in animation proved at least as great as the master's own work
on King Kong (1933). Many creature-destroys-city films would
follow in its wake, but very few would come even close to this level
of realism. And fun. For a casestudy regarding the role of science in
this film, check this link.
Starring:
Paul Hubschmid, Cecil Kellaway, Paula Raymond
Directed
by Eugène Lourié
USA: Jack
Dietz Productions, 1953
Labels:
animation,
beast,
beast from 20000 fathoms,
cecil kellaway,
creature feature,
dinosaurs,
eugene lourie,
fifties,
monsters,
Ray Harryhausen,
science fiction,
scientists,
stop motion
woensdag 29 februari 2012
It Came From Cold War America, Chapter 2: Matters of Genre & Representation
No movie news for me today. But fortunately there's still the wealth of my college days' material to post on this blog for the interested reader. So today I continue what I begun last week, posting the second part of my paper It Came From Cold war America: Science and American Science Fiction Movies in the Fifties.
Hoofdstuk 2: Genrekwesties
Voordat verder wordt
ingegaan op het sciencefictiongenre in de jaren vijftig, is het
noodzakelijk een poging te doen de term ‘sciencefiction’ te
definiëren. Dit is geen gemakkelijke zaak, aangezien er geen
sluitende definitie valt te maken. Desondanks dien ik de term toe te
lichten, alsmede aan te geven waarom de films die ik voor dit
onderzoek gebruikt heb tot dit genre gerekend kunnen worden. Ik zal
hierbij enkele definities van filmtheoretici betrekken.
Sciencefiction
heeft altijd nauwe banden onderhouden met het horrorgenre, en ook in
de jaren vijftig was dit sterk het geval: er was duidelijk sprake van
overlapping tussen beide genres. Vooral in de tweede helft van het
decennium, naarmate de B-films van het genre zich meer op de monsters
en minder op de science gingen richten, valt er nauwelijks een
concrete scheiding tussen beide genres te trekken.
In haar artikel
‘Science in Skirts’ geeft Noonan een zeer bruikbaar overzicht van
pogingen van verschillende theoretici om een concrete genredefinitie
van sciencefiction te formuleren. Menville beschrijft het genre als
volgt:
‘The
science-fiction film is based on speculation as to what could or will
possibly occur, given a valid scientific premise. To extrapolate on
this premise, the film maker enlarges upon it, speculates on what
could conceivably occur, no matter how improbable it may seem.’1
Deze definitie is
voor jaren vijftig sciencefiction niet zeer houdbaar, aangezien de
science in dit decennium, enkele uitzonderingen daargelaten,
meer pseudoscience is: het is nonsens, bedoeld om een verhaal
voort te stuwen. Doorgaans heeft het geen enkele realistische
connectie met echte wetenschap, of te weinig om te kunnen spreken van
een ‘valid scientific premise’. Vooral de films uit de tweede
helft van het decennium die meer horror dan sciencefiction lijken
vallen zo buiten de boot. Menville, die zijn definitie in 1959
formuleerde, rekende deze films dan ook niet mee2,
maar ik wil dit wel doen. Een definitie die voor mijn onderzoek
bruikbaar is moet sciencefiction niet afhankelijk laten zijn van
echte onvervalste wetenschap. In dat geval zou alleen Destination
Moon een echte sciencefictionfilm genoemd mogen worden.
Vivian Sobchack
betrekt het horrorgenre wel in haar definitie. Zij probeert een
balans te vinden tussen beide genres. Hoewel zij geen concrete
definitie maakt, geeft ze wel een voorbeeld van hoe zo’n definitie
zou kunnen luiden:
‘Such a
definition might read: The SF film is a film genre which emphasizes
actual, extrapolative, or speculative science and the empirical
method, interacting in a social context with the lesser emphasized,
but still present, transcendentalism of magic and religion, in an
attempt to reconcile man with the unknown.’3
Sobchacks
voorbeelddefinitie is een stuk bruikbaarder voor dit onderzoek. Er is
nu ruimte voor de horror in sciencefictionfilms. Bovendien schrijft
zij ook over de noodzaak een visuele dimensie, in de vorm van
semantische kenmerken van sciencefictionfilms als ruimteschepen en
aliens, in een definitie te betrekken4.
Aangezien zulke semantische kenmerken in de B-films uit de late jaren
vijftig vaak het enige houvast zijn om deze films niet uitsluitend
als horror te typeren, is dit een goede toevoeging aan de definitie.
De reden dat Sobchack horror bij haar definitie betrekt is overigens
dat zij de vele creature features (films gericht op één of
meerdere onmenselijke creaturen die terreur zaaien) in de jaren
vijftig onder haar definitie wil scharen, hoewel zij meent dat deze
een genre apart vormen, en eigenlijk noch sciencefiction, noch horror
zijn5.
Bill Warren
hanteert een definitie die nauw aansluit op die van Sobchack maar nog
breder is, aangezien hij weinig moeite wil doen het genre te
definiëren. Hij omschrijft het als volgt:
‘A science
fiction movie has to be a fantasy film in which the fantastic element
is rationalized as being explicable in scientific terms. (…) An
attempt is made to explain it in quasi-scientific [sic] terms.’6
Deze definitie is
zeer breed, en omvat een hoeveelheid aan films die doorgaans niet tot
het genre gerekend worden. Desondanks betrekt hij er een element bij
dat ik belangrijk acht voor sciencefiction in de jaren vijftig: de
quasi-science. Praktisch alle sciencefictionfilms uit de jaren
vijftig bedienen zich hiervan, en een goede definitie zou dit element
moeten bevatten.
Zoals gezegd
behandel ik het sciencefictiongenre aan de hand van drie subgenres
die prominent waren in de jaren vijftig, en destijds het grootste
deel van het filmgenre besloegen.
Deze drie subgenres zijn het alien
invasion genre, het terrestrial
creature genre, en het altered
human genre. Een vierde subgenre dat Noonan
noemt, het man into space7
genre, laat ik hier achterwege. De reden voor deze omissie is dat
films uit dit subgenre de neiging hebben zich in de toekomst of op
andere planeten af te spelen. Dit zwakt naar mijn mening de relatie
met de tijdsgeest van de jaren vijftig af, wat een belangrijk deel
van mijn onderzoek is. De films waaruit mijn corpus bestaat spelen
zich allen globaal af in de tijd waarin ze gemaakt zijn. Ik ben van
mening dat deze films een realistischere representatie van de
Amerikaanse samenleving en wetenschap in de jaren vijftig geven8.
Desondanks zijn bepaalde films uit dit genre, waaronder Destination
Moon, wel relevant voor opmerkingen over de
tijdsgeest of onderzoek naar representatie, waardoor ze in hoofdstuk
3 en 4 wel behandeld worden.
De eerste twee subgenres worden door praktisch alle critici als
zodanig erkend. Het altered human genre heb ik daarentegen
zelf geformuleerd. Naar mijn mening is dit wel degelijk een apart
subgenre, hoewel theoretici het doorgaans of onder het terrestrial
creature genre scharen, of het als horror bestempelen. Beide
mogelijkheden zijn naar mijn mening onjuist. Ten eerste is de
scheiding tussen horror en sciencefiction in de jaren vijftig vaak zo
vaag dat horrorfilms waarin een rol voor science is weggelegd
net zo min moeten worden overgeslagen als sciencefictionfilms met
horrorelementen (zoals de terrestrial creature films). Ten
tweede is het overheersende thema in terrestrial creature
films Man against Nature, terwijl dit bij altered human
films zelden het geval is, aangezien hier andere thema’s
overheersen.
Bij mijn uiteenzetting per subgenre zal er meer over de precieze
definities van deze subgenres en hun kenmerken gezegd worden, alsmede
de reden dat zij tot het sciencefictiongenre gerekend worden. Hier
kan alvast gezegd worden dat de definitie van elk subgenre elementen
bevat van zowel Sobchacks als Warrens definitie van sciencefiction.
In alle drie de subgenres speelt wetenschap een doorslaggevende rol,
hoewel het hier niet om realistische wetenschap gaat, maar om
fictieve wetenschap. Desondanks kan gesteld worden dat de wetenschap
in deze subgenres een metafoor is voor correcte wetenschap, of de
gedachtes die men in de jaren vijftig had over wetenschap en haar rol
in de samenleving. Alvorens over te gaan op een analyse van de rol
die wetenschap in de verschillende subgenres inneemt, is het
noodzakelijk te kijken naar opvattingen over en representatie van
echte wetenschap in de vijftiger jaren, en hoe dit terug te zien is
in de sciencefictionfilms in deze periode.
1
Noonan 2003: 26
2
Noonan 2003: 29
3
Noonan 2003: 28
4
Noonan 2003: 31
5
Noonan 2003: 38
6
Noonan 2003: 39
7
Noonan 2003: 64
8
De resterende drie subgenres beslaan overigens het grootste gedeelte
van het sciencefiction genre als geheel, aangezien man into
space films doorgaans dure producties waren vanwege het hogere
aantal kostbare sets en effecten (zoals ruimteschepen, laserpistolen
en buitenaardse werelden). Films
als Forbidden Planet en This Island Earth zullen bij dit onderzoek
niet betrokken worden. Een vervolgonderzoek zou echter niet
misstaan.
Hoofdstuk
3: Representatie
Films ontstaan niet
in een vacuüm. Bij het maken van praktisch elke film komen
opvattingen over op dat moment in de samenleving spelende issues in
impliciete of expliciete mate naar voren. De wereld die geschapen
wordt in films is zo geheel of gedeeltelijk representatief voor de
echte wereld. Vooral in het sciencefictiongenre is dit sterk het
geval: dit genre geeft filmmakers de kans thema’s die in de
maatschappij moeilijk te bespreken zijn in een verhulde vorm te
behandelen en mogelijk bespreekbaar te maken. Maar ook onbewuste
opvattingen, op politiek of cultureel gebied, kunnen in films
aangetroffen worden. In dit hoofdstuk wil ik ingaan op enkele thema’s
uit de Amerikaanse samenleving in de vijftiger jaren die
gerepresenteerd worden in de sciencefictionfilms uit deze tijd, als
voorbeeld van hoe representatie in dit genre te werk gaat, alvorens
in hoofdstuk 4 over te gaan op de wijze waarop de tijdsgeest het
genre beïnvloedde. Ik noem hier niet alle thema’s die we in het
genre kunnen aantreffen, maar pik de voornaamste eruit.
Een eerste thema
dat in verkapselde vorm in het genre in deze tijd wordt
gerepresenteerd is het effect van de Koude Oorlog, voornamelijk de
angsten voor het onbekende en de paranoia die hieruit voortvloeiden.
De red scare, de angst voor het communisme, zat er goed in en
werd aangewakkerd door de media en de politiek. Het
sciencefictiongenre speelde hier op twee verschillende manieren op
in.
De eerste manier bevestigde de angst voor het onbekende, waarin de
indringers (aliens, monsters) een bedreiging vormen voor de mensheid
(of specifieker: voor Amerika). Parallellen kunnen vaak getrokken
worden tussen de indringers en de communisten1:
exemplarisch zijn hier de Marsbewoners (afkomstig van de rode
planeet) die hun wereldinvasie op de kapitalistische landen (de
communistische landen worden simpelweg niet genoemd) lijken te
richten in The War of the Worlds (USA: Byron Haskin, 1953). Een ander
voorbeeld vormen de aliens in Invasion of the Body Snatchers (USA:
Don Siegel, 1956), die mensen overnemen en assimileren in een
emotieloze samenleving waarin iedereen gelijk en gelukkig is. In deze
reading kunnen de indringers gezien worden als symbolisch voor
het communisme, wat Lucanio aanduidt als ‘aliens and monsters as
surrogates for the Sino-Soviet menace’2.
De indringers in zulke films kunnen gezien worden als symbolisch voor
de communistische staten door hun gedrag waarmee ze de Amerikaanse
waarden en samenleving ondermijnen. Gelukkig zijn er heldhaftige,
vaak doorsnee Amerikaanse, personages die, meestal in samenwerking
met het leger, zulke invasies weten terug te dringen.
De tweede manier staat hier lijnrecht tegenover, en waarschuwt juist
voor de gevolgen van paranoia en xenofobie. De indringers in deze
films hebben vaak het beste met de mensheid voor, of zijn neutraal.
Ze proberen mensen te waarschuwen voor het dood en verderf wat de
haat tussen staten (oftewel de Koude Oorlog) kan veroorzaken, maar
worden hierop zelf begroet met haat en angst. Slechts enkele mensen,
meestal intellectuelen of tolerante mensen, horen hun boodschap. Hier
zien we dus een kritiek op ‘normality’: wezens die ons
willen helpen worden geschuwd slechts omdat ze anders zijn3.
Sterke voorbeelden zijn hier The Day the Earth Stood Still, waarin
een alien ons waarschuwt voor onze haat en vernietigingsdrang,
en It Came from Outer Space (USA: Jack Arnold, 1953), waarin
gestrande aliens zo snel mogelijk weg willen omdat ze vrezen dat hun
voor mensen afschrikwekkende uiterlijk slechts agressie teweeg zal
brengen. Slechts in een enkel geval wordt er echt geluisterd naar de
aliens. Het curieuze Red Planet Mars (USA: Harry Horner, 1952),
waarin na contact met Mars blijkt dat deze planeet een paradijs is
dankzij het woord van God, waarop revolutie de Aarde overspoelt, is
hier het enige sterke voorbeeld. Deze tweede manier kijkt reflexief
naar de destijds heersende situatie, en probeert te waarschuwen voor
paranoia en vreemdelingenhaat.
Een tweede thema
dat in het genre wordt gerepresenteerd is verwant aan dit eerste
thema. Het betreft echter niet de ‘Us vs. Them’ positie
die we aantreffen tussen Amerika en de communistische staten, maar
heeft betrekking op een vergelijkbare ‘Us vs. Them’
positie binnen de Amerikaanse samenleving zelf. De politieke situatie
zorgde voor een sterke scheiding tussen left-wing en
right-wing. De left-wing was liberaal en niet intolerant
jegens andersdenkenden, de right-wing stond daar pal
tegenover, was conservatief en richtte zich sterk op het behoud van
Amerikaanse normen en waarden, waarbij andersdenkenden geschuwd
werden. Deze politieke scheiding is tegenwoordig nog steeds sterk aan
te treffen in de Amerikaanse maatschappij, maar is minder zichtbaar
in de filmindustrie, die nu overwegend left-wing georiënteerd
is. In de jaren vijftig echter was deze scheiding wel merkbaar in
Hollywood, en ook in het sciencefictiongenre is hij terug te vinden.
De manier waarop
een film left-wing of right-wing getypeerd kan worden
hangt samen met het eerste thema, waarin representatie van met de
Koude Oorlog verwante factoren behandeld werden. De films die aliens
als goedbedoelde of neutrale wezens typeerden waren left-wing:
de hoofdpersonages in deze films, meestal dromerige en wat naïeve
leden van de intellectuele elite, staan open voor hun boodschap en
helpen hen met hun doel, bedreigd door de intolerante samenleving die
hen wantrouwt4.
De films die indringers als kwaadaardig en destructief zagen zijn
right-wing: de indringers bedreigen Amerika en haar waarden,
en moeten met geweld worden teruggedrongen om de status quo te kunnen
hervatten5.
De hoofdpersonages in deze films zijn doorsnee Amerikanen waar het
gewone publiek zich mee kon identificeren. De indringers waren
daarentegen eendimensionaal, slechts gericht op vernietiging van de
mensheid, en hadden weinig menselijke kenmerken. Dankzij de
effectieve samenwerking tussen wetenschap en leger, symbolisch voor
de eenheid van de staat, konden zij vernietigd worden, zoals te zien
is in bijna alle alien invasion en terrestrial creature
subgenres (zie paragrafen 5.2 en 6.2).
Opmerkelijk is hierbij het verbond dat Hollywood en het Amerikaanse
leger aangingen in deze periode: in ruil voor positieve
representatie, soms zelfs directe propaganda, van het leger, kreeg de
filmindustrie de materiële steun van het leger in de vorm van
legeruitrusting, soldaten en materiaal voor films waarin deze
gebruikt konden worden. Voor het sciencefictiongenre, waarin de
indringers die de Aarde bedreigen door het leger teruggedrongen
moesten worden, was deze steun van groot belang, waardoor het leger
in dit genre zelden negatief wordt gerepresenteerd, zowel in de
left-wing als in de right-wing films6.
Een derde thema dat
naar voren komt in het genre in deze tijd was kritiek op bepaalde
facetten van de Amerikaanse cultuur, waaronder het Fordisme. Hoewel
het Amerika op economisch gebied goed ging, droeg de economische
groei sociale problemen met zich mee: veel mensen vreesden voor een
verlies van persoonlijkheid en individualisme en voelden zich niet
meer dan raderen in het systeem. Ook dit ‘loss of self’
werd in het sciencefictiongenre gerepresenteerd. In meerdere films
wordt de mensheid bedreigd door fysieke of mentale overname door
indringers in een emotieloos collectief waarin iedereen gelijk is.
Voorbeelden zijn onder andere Invaders from Mars (USA: William
Cameron Menzies, 1953) en The Blob (USA: Irving S. Yeaworth, 1958).
Invasion of the Body Snatchers is hier echter het sterkste voorbeeld,
wat opvallend is, aangezien het hierboven al genoemd werd in de
context van de angst voor een communistische invasie7.
Deze film kan dan ook op verschillende manieren gelezen worden. Het
is interessant dat de kenmerken die men in het sciencefictiongenre
ziet in de representatie van de Sovjets ook toegeschreven worden aan
de kenmerken van de representatie van de negatieve aspecten van de
Amerikaanse samenleving zelf! Meerdere readings zijn dus
toepasbaar8,
maar geen van hen heeft perse gelijk: de toeschouwer mag zelf
speculeren over welke reading hij verkiest, aangezien het
einde van de film wat dat betreft open gelaten is.
Naast deze vaak
terugkerende thema’s worden ook andere thema’s in mindere mate
gerepresenteerd in het sciencefictiongenre in deze tijd, zoals de
veranderende positie van de vrouw in de Amerikaanse samenleving, de
plaats van de mens in de natuur of de kosmos en de angst voor
wereldvernietiging door middel van een atoombom. In deze scriptie
kijk ik echter naar de manier waarop wetenschap in dit genre
gerepresenteerd wordt. Daarvoor is het eerst nodig dat ik kijk naar
verschillende opvattingen over wetenschap die destijds speelden in de
Amerikaanse samenleving.
1
Jancovich, Mark. Rational fears:
American horror in the 1950’s.
Manchester: Manchester University Press, 1996: p. 15
2
Lucanio, Patrick. Them or us:
archetypal interpretations of fifties alien invasion films.
Indianapolis: Indiana University Press, 1987: 42
3
Jancovich 1996: 82
4
Biskind, Peter. Seeing is believing:
how Hollywood taught us to stop worrying and love the fifties.
New York: Pantheon Books, 1983: p. 144
5
Biskind 1983: 120-121
6
Vieth 2001: 72-74
7
Jancovich 1996: 64
8
Jancovich 1996: 26
Abonneren op:
Posts (Atom)












