Posts tonen met het label the fly. Alle posts tonen
Posts tonen met het label the fly. Alle posts tonen
vrijdag 4 juli 2014
Today's Column: I have no translation for 'grabbelbak'
The month has just begun so here's a column for y'all:
http://www.moviescene.nl/p/156321/column_ode_aan_de_grabbelbak
The longer it has been since Free Record Shop closed, the more I start to realize how much I miss it. The number of sites where you can buy movies on DVD/Blu-Ray has decreased dramatically, while it seems a slow but sure increase in prices at the stores that are left is in process (I feared it would happen). What's more, the number of films available on home theater formats - and I don't mean the downloadable kind - is also dwindling rapidly. It has become increasingly problematic to find hidden gems, especially the kind I like that most people wouldn't consider to fit that bill (such as Return of the Fly, mentioned in this piece). Of course, if I do find such a title now the euphoria is all the more vigorous, but such occasions have become rare and will soon turn obsolete. The DVD Age was a good time for cinephiles, but that time has passed. So too wil the Blu-Ray Age, which delivered superior quality but less diversity in terms of total title output. I'll cherish the memories of both, while I'll put off the inevitable Online Age for as long as I can, as is basically my wont for any scary new media these days. But hey, at least I jumped on the Blu-bandwagon earlier than most.
woensdag 27 juni 2012
It Came from Cold War America, Chapter 7: Altered human movies
Paragraaf 7.1: Definite subgenre
Zoals
eerder gezegd wordt het altered human subgenre meestal niet
als apart herkend. Vaak wordt het onder andere subgenres geschaard,
voornamelijk het terrestrial creature genre. Of het wordt niet
als sciencefiction herkend, maar als horror getypeerd. Hoewel dit te
rechtvaardigen valt is er naar mijn mening wel degelijk sprake van
een apart subgenre, dat thema’s aansnijdt die sporadisch in andere
subgenres aan bod komen, maar hier doorslaggevend zijn.
Centraal
in dit subgenre staat de transformatie van een gewoon mens in een
vervorming van menselijkheid, vaak gemengd met niet menselijke
eigenschappen. Hierbij verliest de getransformeerde in kwestie
langzaamaan zijn menselijkheid, hetzij omdat zijn niet menselijke
eigenschappen hem op een negatieve manier overnemen (‘the
eruption of the primitive, the return of the repressed
unconsciousness’, stelt
Biskind1),
hetzij omdat de intolerantie van zijn voormalige medemens hem hiertoe
drijft. De getransformeerde houdt de sympathie van het publiek, dat
zich door filmische technieken in de narratie met hem/haar
identificeert, totdat hij/zij/het door negatieve daden (moord en
doodslag) deze sympathie verspeelt, en het gerechtvaardigd is het
onschadelijk te maken aangezien het een bedreiging voor de
samenleving vormt2.
In dit subgenre komen enkele thema’s
prominent naar voren. Ten eerste kijkt het naar de intolerantie en
angst voor mensen die zich niet conformeren naar de destijds
heersende normen. In de jaren vijftig, toen paranoia dankzij de angst
voor het communisme alom heerste, werd er vaak met argwaan gekeken
naar (potentiële) andersdenkenden die Amerikaanse normen en waarden
zouden kunnen ondermijnen. De heksenjacht op communisten die senator
McCarthy voerde is hiervan een goed voorbeeld. De personages die in
de films uit dit subgenre getransformeerd worden, werden doorgaans
gewantrouwd en beschouwd als een gevaar voor de maatschappij dat
uitgeschakeld moet worden, desnoods met geweld.
Een
tweede thema wat belangrijk is voor dit subgenre is hoogmoed. Meestal
bestaat deze uit wetenschappelijke overmoed, waarbij een
wetenschapper een briljante uitvinding doet teneinde de mensheid te
helpen, maar door bijkomende consequenties de tol betaalt voor zijn
hoogmoed: wat vaak aangeduid wordt als playing God. Dit thema
is ook aan te treffen in het terrestrial creature subgenre,
waarin wetenschappelijke vooruitgang zich in de vorm van monsters
tegen de mensheid keert. Het altered human subgenre pakt het
echter kleinschaliger aan: in dit subgenre is hoofdzakelijk het
individu (bijna altijd de persoon die voor God speelde zelf) de klos,
ongeacht het gevaar dat hij voor zijn directe omgeving vormt, terwijl
in het terrestrial creature subgenre de mensheid als geheel
gestraft wordt voor haar vertrouwen in de wetenschap en het tarten
van de natuur.
Wat
houdt ‘altered human’
precies in? Simpel gezegd komt het erop neer dat mensen veranderen in
iets abnormaals of grotesks. Vaak zijn het veranderingen in schaal,
waarbij personen heel groot (zoals in The
Amazing Colossal Man (USA:
Bert I. Gordon, 1957)), of heel klein (zoals in The
Incredible Shrinking Man (USA:
Jack Arnold, 1957)) worden. Dit zijn bijna altijd de consequenties
van mutaties veroorzaakt door atoomproeven. De meeste andere
transformaties komen voort uit fictieve wetenschap. De veranderingen
die hierbij optreden zijn meestal ernstige verminkingen (zoals in
Tarantula3)
of kruisingen tussen mensen en dieren. Gedacht kan worden aan The
Fly (USA:
Kurt Neumann, 1958), waarbij de protagonist gekruist wordt met een
vlieg (zie ook casestudy 3).
Dit
subgenre heeft een minder vast omlijnde narratieve formule dan de
andere subgenres. Het komt er in principe op neer dat mensen (meestal
de protagonisten) transformeren door uit de hand gelopen of mislukte
wetenschappelijke experimenten, waarna zij een gevaar vormen voor hun
naaste omgeving – met name hun vriendinnen of echtgenotes –
waarop zij ten onder gaan. De precieze invulling is echter niet perse
gebonden aan een vaste narratieve formule. Desondanks kan dit
subgenre nog sterker dan het terrestrial
creature genre geschaard
worden onder Lucanio’s Prometheustekst4.
Ook in dit subgenre draait het om de straf die men opgelegd krijgt
door in een vlaag van wetenschappelijke hoogmoed in te grijpen in
natuurlijke processen, ondanks goede bedoelingen.
De
reden dat altered human films vaak geschaard worden onder het
terrestrial creature subgenre schuilt in het feit dat de
meeste protagonisten na hun transformatie tot monsters of
on-menselijke wezens verworden. Zij verliezen hun menselijkheid en
vormen een bedreiging voor de samenleving. Op dit punt komt dit
subgenre op narratief gebied overeen met films uit het terrestrial
creature genre: de plot draait er in beide subgenres om de
bedreiging weg te nemen zodat normaliteit hervat kan worden.
Doordat
de protagonisten na hun verandering minder menselijke eigenschappen
vertonen en monsters worden, wordt dit subgenre vaak gerekend tot het
horrorgenre. Op zich is dit niet onlogisch, maar door de sterke rol
die wetenschap in dit subgenre speelt is het, toch minstens
gedeeltelijk, sciencefiction. Eens te meer zien we hier weer hoe vaag
de grenzen tussen beide genres zijn. Praktisch alle films uit dit
subgenre zijn overigens gemaakt in de tweede helft van de vijftiger
jaren, toen het sciencefictiongenre als geheel richting horror
verschoof dankzij het overschot aan goedkoop gemaakte producties die
meer gebrand waren op ‘cheap thrills’ dan op serieuze
sciencefiction.
Paragraaf 7.2: Wetenschap in altered human movies
De
wetenschap in het altered
human subgenre richt zich
doorgaans op individuen. Waar het zich in het verwante terrestrial
creature subgenre meer
concentreerde op wetenschappers in het algemeen, staat in de films
uit dit subgenre meestal een enkele wetenschapper centraal. Een
narratief thema dat het meest frequent voorkomt in dit subgenre
betreft de eenzame wetenschapper die in afzondering werkt aan een
uitvinding die van groot nut voor de mensheid zal zijn. Niet voor
niets is het altered human
subgenre het schoolvoorbeeld voor Lucanio’s Prometheustekst:
Prometheus was de Titaan uit de Griekse mythologie die het vuur van
de goden stal en aan de mensheid gaf voor hun vooruitgang, en hier
gruwelijk voor gestraft werd. Het verhaal van veel altered
human films komt sterk
overeen met deze mythe: ook zij ‘spelen voor God’ om de mensheid
te helpen, en raken hierdoor in ernstige problemen. De wetenschappers
gaan te ver met hun experimenten en begeven zich daarbij op verboden
terrein5.
Wetenschap
wordt hier op twee uiteenlopende manieren gerepresenteerd. Ten eerste
is het een altruïstische bezigheid: de wetenschapper probeert de
mensheid te helpen, en riskeert hiervoor zijn leven, zowel in
letterlijke als sociale zin. Om ongestoord te werken zondert hij zich
af van zijn medemens, en worden zijn relaties met zijn familie en
vrienden verstoord. Emoties en een sociaal leven staan de
wetenschappelijke vooruitgang slechts in de weg6.
Een sterk voorbeeld is hier The
Fly, waarin de
wetenschapper gelukkig getrouwd is, maar door zijn obsessie voor zijn
werk zijn gezin verwaarloost. Hij sluit zich op in zijn kelder en
vertelt zijn vrouw haast niets van zijn werk. Een solitair leven is
een offer voor de wetenschap, evenals de mogelijkheid dat
experimenten uit de hand lopen. In een poging contributies te leveren
aan menselijke vooruitgang, en daarvoor henzelf als proefkonijnen te
gebruiken, hebben de wetenschappers in dit subgenre de pech hun
experiment te zien mislukken en hen te doen transformeren7.
Ten
tweede is wetenschap vaak ook een trotse aangelegenheid, vervuld van
hoogmoed. De wetenschapper gaat zo op in zijn werk dat hij zich
onkwetsbaar en superieur waant. Hierop sluit het ‘playing God’
thema aan: de wetenschapper schept technologie die voor zijn medemens
meer weg heeft van magie of krachten waarmee alleen God zich bezig
mag houden. Vaak wordt de wetenschapper door zijn naasten
gewaarschuwd voor de consequenties van zijn obsessie, maar hoont hij
het weg in de naam van de oppermachtige vooruitgang waarvoor alles
geoorloofd is. Deze hoogmoed komt ernstig voor de val als de
uitvinding zich tegen de wetenschapper keert en hij getransformeerd
wordt. Uiteindelijk wordt de wetenschapper door zijn transformatie
(en dus door zijn eigen werk) vernietigd.
Zoals
gezegd kan de transformatie verschillende vormen aannemen. Een
frequent thema, opnieuw verwant aan het terrestrial creature
subgenre, betreft de versmelting van de mens met het dier, of de
versterking van zijn dierlijke kant. In dit thema herkennen we een
binaire oppositie die aansluit op het beeld van de wetenschap als
rationele, emotieloze zaak. De wetenschapper, die eerst zijn werk
boven alles stelde en zich daarvoor de geneugtes van het leven
ontbeerde, wordt in zijn transformatie onderworpen aan zijn
primitieve, emotionele kant; hij verliest zijn mogelijkheid tot rede
of rationaliteit en transformeert terug naar het terrein van de
natuur, gekenmerkt door basis-emoties en een dierlijke kant. Ook hier
kan The Fly als voorbeeld genoemd worden, samen met onder
andere War of the Colossal Beast (USA: Bert I. Gordon, 1958)
en Monster on the Campus (USA: Jack Arnold, 1958).
Hoewel
bovenstaande narratieve formules en thema’s het meest typerend zijn
voor het altered human subgenre, is er een grote diversiteit
binnen dit subgenre: veel films wijken af van bovenstaande patronen,
en slaan een eigen weg in. Opvallend is hierbij dat deel van het
subgenre waarin de transformaties veroorzaakt worden door
atoomproeven. Deze films schaar ik onder dit subgenre, maar vertonen
op narratief gebied meer overeenkomsten met het terrestrial
creature subgenre. Exemplarisch zijn hiervoor The Amazing
Colossal Man en The Incredible Shrinking Man. In de
eerste wordt een militair door blootstelling aan atoomstraling enorm
groot, en daardoor een bedreiging voor zijn omgeving. In dit geval
lijkt hij zelf een terrestrial creature. In de tweede film
wordt de protagonist enorm klein, waardoor wezens uit zijn omgeving
(een kat, een spin) terrestrial creatures lijken: het is een
omgekeerde versie van de standaardformule van dat subgenre.
De
rol die wetenschap in zulke variaties op het altered human
subgenre speelt vertoont sterke overeenkomsten met de rol van
wetenschap in het terrestrial creature subgenre. Maar in dit
geval valt wetenschap de menselijke natuur aan. De getransformeerde
mens wordt hier ‘the Other’: hij wordt de andersdenkende
of degene die er anders uitziet dan de rest, waardoor hij geschuwd
wordt. Voor hem is in deze conformistische maatschappij geen plaats,
en dat laat zij merken. Hij zal moeten verdwijnen, ook al is het niet
zijn schuld. De wetenschap kan hem niet helpen zijn voormalige plaats
in de samenleving te herwinnen, ook al is zij verantwoordelijk voor
zijn transformatie. In deze variatie op het subgenre neemt de
wetenschap aanzienlijk minder verantwoordelijkheid.
Casestudy
3: The Fly
The
Fly voldoet aan Lucanio’s definitie van de
Prometheustekst, en richt zich op een enkele wetenschapper, André
(David Hedison), die werkt aan een revolutionaire uitvinding die de
wereld kan veranderen. In tegenstelling tot de meer sobere en kalme
scientist heroes uit de voorgaande casestudies is André meer
emotioneel en gevoelsmatig, en laat hij zich leiden door intuïtie en
impulsiviteit in plaats van slechts rationaliteit en analyse. Waar de
scientist heroes uit de eerder geanalyseerde films
samenwerkten met collegae en getrouwd waren met hun werk, werkt André
alleen in de kelder van zijn huis, waar hij woont met zijn vrouw,
Helene (Patricia Owens) en zoon Philippe. Zo is hij identificeerbaar
voor het publiek, ongeacht zijn merkwaardige experimenten; ondanks
zijn intellectuele capaciteiten staat hij niet boven het simpele
geluk dat het gezinsleven met zich meebrengt. Hij geeft veel om zijn
gezin, en is niet star en emotieloos zoals de wetenschappers in de
voorgaande casestudies. Hij droomt van de positieve veranderingen die
zijn uitvinding kan veroorzaken, waardoor hij het gevaar niet ziet,
of niet wil zien. In plaats van eerst voorzichtig en analytisch zijn
apparaat te testen, neemt hij risico’s omdat hij overtuigd is dat
zijn werk onfeilbaar is, met noodlottige consequenties. Als hij in
een impulsieve roes van tevredenheid over zijn apparaat de kat van
zijn zoon opoffert voor zijn experimenten, wordt hij geplaagd door
schuld en schaamte. De wetenschappers in de klassieke tekst zouden
nooit zo onvoorzichtig te werk zijn gegaan: zij zouden hun machine
eerst uitgebreid getest hebben totdat zij zeker waren van de
mogelijkheden van het apparaat. Bovendien werken zij niet alleen: zij
gebruiken hun collegae voor verificatie, uitwisseling van ideeën en
second opinions. André werkt alleen: zijn uitvinding is te
bijzonder voor andere wetenschappers. Opnieuw toont hij zo overmoed.
De
uitvinding in kwestie is een matter transfer machine, een
apparaat dat dingen van de ene naar de andere plaats kan
transporteren door hun atomen uit elkaar te plukken en weer te samen
te voegen. De uitvinding kan een ware revolutie in transport
ontketenen: vliegtuigen, auto’s, treinen zouden allemaal nutteloos
worden, reizen is niet meer nodig. André ziet slechts de positieve
kanten van zijn apparaat, maar zijn vrouw herinnert hem eraan dat het
ook gevaarlijk kan zijn:
Helene:
‘It’s frightening. It’s like playing God.’
André:
‘God gives us intelligence to uncover the wonders of nature.
Without that gift nothing is possible.’
Helene:
‘Oh André, I get so scared sometimes. The suddenness of our age;
electronics, rockets, earth satellites, supersonic flight. And now
this. It’s not so much who invents them, it’s the fact that they
exist.’
André:
‘But you’re not frightened of TV, or radio, or X-rays, or
electricity, or that the Earth is round.’
Helene:
‘No, but everything’s going so fast, I’m just not ready to take
it all in. It’s all so quick!’
André:
‘Just do like Philippe does; accept them as part of our normal
life. They’re facts, wonderful facts.’
8
Helene
heeft gelijk wanneer ze zegt dat het allemaal zo snel gaat: in de
jaren veertig en vijftig deden talloze nieuwe apparaten hun intrede
in de samenleving, waar men in korte tijd aan moest wennen. Hoewel
veel van deze uitvindingen het leven aangenamer maakten, waren er ook
nieuwe apparaten die juist een bedreiging vormden voor het leven
zoals men dat kende, waaronder de atoombom. Door deze hoeveelheid aan
nieuwe machines werd de maatschappij in korte tijd ingrijpend
veranderd, wat bij menigeen, vooral de oudere generaties, een gevoel
van onbehagen en taboe teweeg bracht. Niet iedereen kon zo snel
wennen aan alle nieuwigheden9.
André
negeert Helene’s waarschuwingen en doet ze af als onwetendheid. Dit
is typisch voor het altered human subgenre: in praktisch alle
films die spelen met het playing God thema wordt de scientist
hero door zijn naaste omgeving (familie, vrienden, collegae die
minder onorthodox (of minder overmoedig) werken) gewaarschuwd voor
zijn praktijken, maar negeert hij ze in naam van de onvermijdelijke
vooruitgang: als hij het niet doet, doet iemand anders het wel, maar
nu krijgt hij de eer. Pas als hij de tol betaalt voor zijn arrogantie
ziet hij zijn hoogmoed in, maar dan is het te laat.
André vormt hierop geen uitzondering.
Zijn fixatie met het transporteren van organisch materiaal neemt
obsessieve vormen aan, voornamelijk door zijn schuldgevoelens om de
dood van de kat, die hij in een opwelling van vreugde over zijn
eerste positieve resultaten transporteerde (impulsief gedrag is niet
atypisch voor wetenschappers in de Prometheustekst), met rampzalige
gevolgen10.
Op den duur acht hij zijn machine geschikt voor menselijk transport,
maar omdat hij geen andere mensen als proefkonijnen durft te
gebruiken test hij het op zichzelf. Evenals in films uit het
terrestrial creature
subgenre heeft de wetenschapper hier de integriteit verantwoording te
nemen voor zijn daden. In dat genre wekten de wetenschappers het
monster op, maar deden zij het ook weer teniet. Hier maakt André het
apparaat, dus alles wat het aanricht is op zijn rekening te
schrijven. Zijn apparaat heeft al een onschuldig wezen het leven
gekost. De verantwoordelijkheid en schuld daarvoor drijft hem ertoe
niet onzorgvuldig om te gaan met anderen. Het is zijn apparaat, dus
hij zal het proefkonijn zijn.
In zijn gespannen toestand merkt hij
echter niet dat een vlieg met hem het apparaat is binnengetreden,
waardoor zijn materie versmelt met die van de vlieg. Vervolgens wordt
hij getransformeerd tot een mens met het hoofd en arm van een vlieg.
Zo wordt hij gestraft voor zijn arrogantie. Ook kan gesteld worden
dat hij gestraft wordt voor goddeloosheid: niet voor niets zei hij
bij de eerste demonstratie voor Helene van zijn apparaat ‘you’re
the first to see a miracle’. Aangezien God de enige is die
mirakelen kan doen plaatsvinden wordt hij letterlijk berispt voor het
spelen van God.
Hoewel hij het hoofd van een vlieg
heeft, bezit hij nog wel enigszins het verstand van André. Hier zit
geen logica achter, het is zuiver een plot device. In de loop
van de film krijgen de dierlijke instincten van de vlieg een steeds
grotere controle over hem, en dreigt zijn menselijke kant het
onderspit te delven. Praten kan hij niet meer, dus de enige manier om
met zijn vrouw te communiceren is te schrijven, maar ook dit gaat hoe
langer hoe moeizamer. Hij gedraagt zich steeds wilder en
onmenselijker: hij heeft moeite de dierlijke kant van de vlieg onder
controle te houden. Met het restant van zijn wetenschappelijke kennis
probeert hij koortsachtig een manier te vinden om zijn
oorspronkelijke gedaante te herwinnen, maar het mag niet baten.
Uiteindelijk beseft hij dat zijn sterker wordende natuurlijke driften
een gevaar vormen voor zijn omgeving, en verkiest hij de dood. Hij
kan het echter niet meer zelf doen, want zijn dierlijke instinct voor
zelfbehoud staat het niet toe. Daarom vraagt hij zijn vrouw hem te
vermoorden.
Op
dit punt verschilt The Fly
van de meeste andere films uit het altered
human subgenre: doorgaans
nemen de primitieve kanten van de getransformeerde al snel de
overhand, waarna hij zijn omgeving terroriseert door dood en verderf
te zaaien. Dit geeft de samenleving een reden om haar sympathie voor
de getransformeerde opzij te zetten en hem uit te schakelen, om
verdere rampspoed te voorkomen. André weet echter dat hij zijn
donkere kant niet kan beheersen en verkiest zijn dood zelf te
bewerkstelligen in plaats van het onvermijdelijke af te wachten.
Mogelijk komt dit door zijn familiebanden die hem doen inzien dat het
beter is te sterven dan het leven van zijn gezin te riskeren, hoewel
dit speculatie is. Door zijn nobele beslissing behoudt hij tot het
bittere einde de sympathie en het medeleven van het publiek11.
Hij is niet slechts een gewetenloos primitief creatuur, maar een
weldenkend, sympathiek mens gevangen in het lichaam van een primitief
creatuur. Ondanks zijn uiterlijk kan de kijker zich zo met hem
identificeren en medelijden met hem hebben.
In dit subgenre is wetenschap niet
zozeer goed of fout, het draait erom hoe het gebruikt wordt door de
wetenschapper. Meestal raakt de wetenschapper overmoedig, wat ertoe
leidt dat hij in zijn poging ‘God te spelen’ onoplettend en
impulsief wordt, ‘gestraft’ wordt voor zijn gedrag: hierop
transformeert hij, waarbij een wezen ontstaat dat voornamelijk
gedreven wordt door instinct en emotie: de wetenschappelijke rede die
hij (of wetenschap in het algemeen) zo koesterde is dan niet meer.
Ook in The Fly is dit het geval. Zoals André in bovenstaande
conversatie met zijn vrouw opmerkt kan wetenschappelijke vooruitgang
ook tot goede dingen leiden. Hij had goede intenties met zijn
uitvinding, maar zijn overmoed zorgde voor ongeluk. Zo illustreert
The Fly dat wetenschappers voorzichtig moeten zijn met
technologische vooruitgang en niet teveel trots in hun capaciteiten
moeten hebben, maar bedachtzaam en nederig te werk moeten gaan. Ze
moeten zich niet slechts afvragen of hun dromen van revolutionaire
uitvindingen, hoe positief ook, te realiseren zijn; ze moeten ook
kijken naar de mogelijke consequenties die hun werk met zich
meebrengt.
Conclusie
Het
sciencefictiongenre in de vijftiger jaren gaf geenszins een eenzijdig
beeld van wetenschap. Wetenschap was niet per definitie iets goeds of
iets slechts, maar omvatte beide kanten van de munt. Daarbij werd de
weergave van wetenschap in sciencefictionfilms beïnvloed door de
tijdsgeest, maar vooral in de eerste helft van de jaren vijftig,
aangezien het genre toen een serieuzere toon hanteerde: in de tweede
helft van het decennium verschoof het genre richting horror en werd
wetenschap voornamelijk een manier om een goedkoop horrorverhaal
voort te stuwen, waardoor het genre minder een boodschap leverde en
zich meer richtte op amusement.
De
representatie van wetenschap was doorgaans afhankelijk van de
politieke invalshoek die de makers hanteerden: in de left-wing
films werd wetenschap voornamelijk beschouwd als onfeilbaar en een en
al rationaliteit en tolerantie. Wetenschappers in deze films werden
gezien als een bron van vooruitgang en vrede die technologie ten
goede gebruikten. In de right-wing
films had wetenschap een schaduwkant: wetenschappers hadden goede
bedoelingen, maar wisten niet altijd hoe ze wetenschap correct
moesten gebruiken, vaak met nare consequenties. Wetenschappers in
right-wing films
konden net zo goed als iedereen fouten maken. Maar in geen van beide
perspectieven was wetenschap zuiver een bron van kwaad of had het
negatieve intenties. In beide perspectieven stonden wetenschappers
echter klaar om in harmonie met het militaire apparaat de
maatschappij tegen indringers te beschermen.
Belangrijk
is de manier waarop wetenschappers zelf geportretteerd werden. Het
beeld dat het genre in deze tijd gaf van wetenschappers was
overwegend positief. Hoewel wetenschappers soms ernstige
inschattingsfouten maakten hadden ze vrijwel altijd goede
bedoelingen. Via wetenschap wilden zij het kennispeil en de
levensstandaard van de mensheid verhogen, of de mensheid beschermen
tegen kwaadwillende elementen. Vaak gingen zij te ver in hun poging
de mensheid van dienst te zijn, maar achteraf gezien realiseerden zij
zich dit zelf ook. Deze representatie van wetenschappers verschilt
niet zoveel per subgenre, hoewel de wetenschappers in het alien
invasion genre minder te maken kregen met
schuldgevoelens achteraf, aangezien zij nooit verantwoordelijk waren
voor de ontstane situatie. De wetenschappers in de terrestrial
creature en altered
human genres, bij wie de schuld wel gelegd
kon worden door hun uit de hand gelopen experimenten, leerden echter
een belangrijke les die hen zou weerhouden van verdere fouten: ze
dienden meer te letten op ethische en morele kwesties die op hun werk
van toepassing waren, en hun werk met nederigheid en zonder overmoed
te doen.
De
donkere kanten van wetenschap, die meestal representatief waren voor
destijds heersende zaken (zoals het gevaar van atoomenergie, de
technologische capaciteiten van een mogelijk vijandige natie en het
ongebreidelde vertrouwen in onvermijdelijke vooruitgang) kwamen sterk
naar voren in de verschillende subgenres. Buitenaardse wezens die een
hoog ontwikkelde wetenschap hadden en deze ten goede of ten kwade
gebruikten, enorme monsters voortgebracht door atoomenergie, of
mensen vervormd door verkeerd ingeschat technologisch potentieel
leverden cinema met een boodschap op. Over het algemeen kan
geconcludeerd worden dat wetenschap niet goed of slecht is, maar dat
het er om gaat hoe het gebruikt wordt. Wetenschap die met zorg en
nederigheid bedreven wordt kan veel goeds betekenen voor de mensheid.
Wetenschap die zonder ethiek en met overmoed wordt ingezet kan echter
fatale consequenties hebben. Het sciencefictiongenre in de vijftiger
jaren (en meestal ook nu nog) toonde de kijker beide mogelijkheden,
waardoor deze geen eenzijdig beeld van wetenschap voorgeschoteld
kreeg.
Bibliografie
Baxter, John.
Science fiction in the cinema.
New York: A.S. Barnes & Co., 1970: p. 102-144
Biskind, Peter.
Seeing is believing: how Hollywood
taught us to stop worrying and love the fifties.
New York: Pantheon Books, 1983: p. 101-159
Brosnan, John.
Future tense: the cinema of science
fiction. New York: St. Martin’s Press
Inc., 1978: p. 72-105, 118-138
Edelson, Edward.
Visions of tomorrow: great science
fiction from the movies. New York:
Doubleday & Company Inc., 1975: p. 39-52
Jancovich, Mark.
Horror.
Londen: B.T. Batsford Ltd., 1992: p. 62-70
Jancovich, Mark.
Rational fears: American horror in the
1950’s. Manchester: Manchester
University Press, 1996: p. 9-79
Katovich, Michael
A., Patrick T. Kinkade. ‘The stories told in science fiction and
social science: reading The Thing
and other remakes from two eras.’ The Sociological Quarterly, nr.
34 (november 1993): p. 619-637
Lucanio, Patrick.
Them or us: archetypal interpretations
of fifties alien invasion films.
Indianapolis: Indiana University Press, 1987: p. 21-131
Noonan, Bonnie.
‘"Science in Skirts": Representations of Women in Science
in the "B" Science Fiction Films of the 1950s.’ 14
maart 2007.
Sobchack, Vivian
Carol. The limits of infinity: the
American science fiction film 1950-75.
New Jersey: A.S. Burnes and Co. Inc., 1980: p. 43-55, 120-147
Tudor, Andrew.
Monsters and mad scientists: a cultural
history of the horror movie. Oxford:
Basil Blackwell Ltd., 1989: p. 133-157
Vieth, Errol.
Screening science: contexts, texts, and
science in fifties science fiction films.
Londen: The Scarecrow Press, 2001: p. 55-83, 141-182
Vieira,
Mark A. Hollywood horror: from gothic to
cosmic. New York: Harry N. Abrams Inc.,
2003: p. 139-168
1
Biskind 1983: 119
2
Sobchack 1980: 52
3
Tarantula wordt gerekend tot het terrestrial creature genre
vanwege het titelfiguur, de spin die na wetenschappelijke
experimenten uitgroeit tot onnatuurlijke proporties. Desondanks kan
het ook gedeeltelijk gerekend worden tot het altered human
subgenre: de eerste helft van de film concentreert zich op enkele
wetenschappers die na op zichzelf geëxperimenteerd te hebben
ernstig verminkt raken en hun verstand verliezen, en zo een gevaar
voor de samenleving vormen.
4
Lucanio 1987: 46-52
5
Lucanio 1987: 90
6
Vieth 2001: 149
7
Tudor 1989: 145
9
Vieth 2001: 158
10
Katovich en Kinkade 1993: 630
11
Tudor 1989: 144
woensdag 28 maart 2012
It Came From Cold War America, Chapter 4: Science in the Fifties
Another quiet week as far as movies and movie news are concerned. Therefore, I'll post eyt another chapter of my first major science fiction paper It Came From Cold War America. After all, now that I've started posting this paper bit by bit, I can't not finish it (that's just not in my neurotic nature!). Besides, I'm sure you're all dying to know how it ends.
Hoofdstuk 4: ‘Science’ en de tijdsgeest
Paragraaf 4.1: Wat speelde er in deze tijd?
Zoals al gezegd
in het voorgaande historisch overzicht werd het leven in de jaren
vijftig gedomineerd door de consequenties van de Tweede Wereldoorlog.
Hoewel Amerika en haar bondgenoten de vijand verslagen hadden, doemde
een nieuwe potentiële vijand op, de Sovjet-Unie. Aangezien deze
staat door het communisme, een ideologie die haaks stond op het
Amerikaanse ideaal van de kapitalistische samenleving, gedreven werd,
resulteerde het wantrouwen tussen beide staten in een periode van
angst en paranoia. Tijdens deze Koude Oorlog werd het Amerikaanse
publiek continu herinnerd aan de bedreiging die het communisme voor
de Amerikaanse maatschappij en haar normen en waarden vormde. Mensen
die van de norm afwijkende opvattingen hanteerden werden met argwaan
bekeken. Desondanks bestond het ‘rode gevaar’ voornamelijk in het
Amerikaanse collectieve bewustzijn1.
In de praktijk viel het allemaal wel mee.
Bovendien ging de
angst voor de Sovjet-Unie gepaard met de angst voor de atoombom. Dit
wapen had de Tweede Wereldoorlog in Amerika’s voordeel beëindigd,
maar had ook het vertrouwen van veel mensen in technologische
vooruitgang geschaad. Toen de Sovjet-Unie in staat bleek eigen
atoomwapens te kunnen ontwikkelen, vreesden veel mensen voor een
atoomoorlog, die mogelijk de ondergang van de menselijke beschaving
zou kunnen betekenen. Technologische ontwikkeling was niet langer een
garantie voor een mooie toekomst. Technologie was een beangstigend
iets geworden2.
Tegelijkertijd
veranderde de samenleving in Amerika van binnenuit op sociaal gebied.
Op economisch gebied ging het Amerika voor de wind. De welvaart steeg
enorm, mede dankzij de nieuwe Europese markt die door de Marshallhulp
tot stand was gekomen. Veel mensen, vooral diegenen die de
depressiejaren hadden meegemaakt, waren zeer tevreden met deze nieuwe
welvaart: hierdoor heerste, vooral in de meer conservatieve kringen,
sterk de angst dat men deze nieuwe geborgenheid kon verliezen door toedoen
van atoomwapens, vijandige staten en dergelijke zaken3.
Desondanks was er ook kritiek op de welvaart en haar gevolgen,
voornamelijk op het Fordistische systeem dat het met zich meebracht.
De samenleving werd een ‘technocratic society’4.
Mensen werden slechts raderen in het systeem en verloren controle
over hun eigen bestaan. Het leven werd een routine, waarin er geen
ruimte was voor andersdenkenden en diversiteit5.
De massacultuur nam het systeem over: mensen meenden hun identiteit
kwijt te raken. De man-in-de-straat verloor zijn individuele status en
ging op in de grote grijze massa.
Voorts vond er een generatieconflict plaats. De jongere generatie van
na de Tweede Wereldoorlog, de zogenaamde babyboomers, bleek van een
heel ander slag dan de voorgaande generatie. Deze jongeren groeiden
op met welvaart en waren niet anders gewend. Ze hadden geld en tijd
te besteden op een schaal die voor de oorlog ondenkbaar was,
aangezien Amerika toen nog uit de depressiejaren opkrabbelde6.
De jongeren rebelleerden tegen de starre wereld van hun ouders, en
schiepen een eigen jeugdcultuur, vaak tot afkeuring van de oudere
generatie.
Tenslotte was er de veranderende positie van de vrouw. De Tweede
Wereldoorlog had de maatschappij ertoe genoopt vrouwen in te zetten
op plaatsen die voorheen door mannen bezet worden, zoals fabrieken.
Toen de oorlog was afgelopen wilden vrouwen deze plaatsen niet
afstaan, waardoor rollenpatronen verschoven. In de jaren vijftig was
de taak van de vrouw weliswaar nog steeds vaak in het huiselijk leven
te vinden, maar ook was het nu meer geaccepteerd voor vrouwen om ander
werk te hebben, gedeeltelijk omdat ze door technologische innovaties
(wasmachines, stofzuigers) meer vrije tijd kregen. Ook in de
wetenschap namen vrouwen een steeds grotere rol in, niet alleen als
assistentes, maar ook als volbloed wetenschappers. De nieuwe plaats
van de vrouw werd desondanks door veel mannen met moeite geaccepteerd
in de patriarchale Amerikaanse maatschappij, omdat zij onder andere
vreesden voor het aftakelen van Amerikaanse normen en waarden, zoals
het gezinsleven, opvoeding van kinderen en dergelijke zaken7.
Paragraaf 4.2: Negatieve opvattingen en representatie van wetenschap in SF-films
Dankzij de atoombom
hadden veel mensen het vertrouwen in de wetenschap verloren. De
wetenschap had het ultieme vernietigingswapen voortgebracht, en voor
de dreiging van een atoomoorlog gezorgd. Veel mensen waren bang voor
totale vernietiging. Het is daarom niet verwonderlijk dat Hollywood
snel insprong op films die handelden over atoomwapens, of uit de hand
gelopen wetenschap in het algemeen. Een groot deel van de
sciencefictionfilms van de vijftiger jaren heeft in meer of mindere
mate met dit onderwerp te maken. Het idee van ‘science gone bad’
was echter niet nieuw. Al vroeg in de jaren dertig speelde Hollywood
erop in, onder andere in films als Frankenstein (USA: James Whale,
1931) en Island of Lost Souls (USA: Erle C. Kenton, 1933) waarin
wetenschappers worden opgevoerd die zich bezighouden met bizarre
experimenten die resulteren in horror en doodslag.
De wetenschap in films uit de dertiger jaren was echter vrij lukraak
(er zat geen plan achter), en nauwelijks gebonden aan de tijdsgeest.
In deze tijd speelde wetenschap niet de belangrijke rol die het
speelde in de jaren vijftig: die paar films waarin wetenschap
gerepresenteerd werd werden niet gemaakt om in te haken op
wetenschaps-issues die speelden in de samenleving, maar gewoon om
dezelfde reden dat andere films gemaakt werden (om geld op te brengen
en het publiek te vermaken). De manier waarop er in horror en
sciencefictionfilms uit de jaren vijftig mee omgegaan werd haakte
daarentegen sterk in op de tijdsgeest. De atoombom, of atoomenergie
in het algemeen, was een vaak terugkerend motief in het genre. Een
groot aantal films speelde in op de angsten omtrent atoomwapens die
het publiek koesterde. Doorgaans werd echter gebruik gemaakt van
metaforen in plaats van het tonen van realistische gevolgen van een
atoomoorlog. Zo maakte het terrestrial creature subgenre
gebruik van monsters voortgebracht door uit de hand gelopen
atoomexperimenten. De monsters stonden in dit geval symbool voor de
vernietiging die door atoombommen aangericht kon worden, doordat zij
eveneens op grote schaal dood en verderf zaaiden. Bovendien waren
veel monsters het product van mutaties veroorzaakt door straling,
waarmee ingespeeld werd op de angst voor zulke straling: het bracht
groteske en tegennatuurlijke misvormingen met zich mee. Zo kon een
ongrijpbaar iets als atoomstraling gereduceerd worden tot iets
tastbaars, dat effectief met wapens en soldaten bestreden kon worden.
Wetenschappers zelf kwamen er niet altijd even goed vanaf. Hoewel
verscheidene sciencefictionfilms wetenschappers in een positief
daglicht stellen en ze als heroïsche protagonisten opvoeren, is er
ook een vrij groot aantal films waarin de wetenschappers juist
afgeschilderd worden als boosdoeners. De wetenschapper wordt
neergezet als koud en meedogenloos, met de neiging mensen op te
offeren in naam van de wetenschap.Een treffend voorbeeld vinden we in
de persoon van Dr. Carrington in The Thing from Another World.
Wanneer in deze film de alien de mensen aanvalt, probeert
Carrington ervoor te zorgen dat het wezen geen strobreed in de weg
gelegd word, aangezien hij het beschouwt als een hogere levensvorm.
Bovendien beschermt hij het nageslacht van het wezen, ongeacht het
feit dat het mensenlevens kost, en hij saboteert een poging het wezen
te vernietigen8.
Als de protagonist, kapitein Hendry, hem confronteert met zijn
onorthodoxe gedrag, resulteert dat in het volgende gesprek:
Carrington: ‘Knowledge is more
important than life. We’ve only one excuse for existing. To think,
to find out, to learn. (…) We’ve thought our way into nature,
we’ve split the atom…’
Hendry: ‘Yes,
and that sure made the world happy, didn’t it?’9
Carrington is het
schoolvoorbeeld van de wetenschapper die te ver gaat in zijn
vertrouwen in de wetenschap, en zich erdoor laat verleiden
onmenselijke dingen te doen. Hoewel hij in principe goede bedoelingen
heeft, het verheffen van het menselijke kennispeil, leidt dit in The
Thing from Another World niet tot positieve resultaten10.
Dit geldt overigens voor de meeste goede bedoelingen in
sciencefictionfilms uit deze periode. In veel films wordt een
wetenschapper opgevoerd die de mensheid probeert te helpen, waarbij
zijn experimenten uit de hand lopen en rampspoed met zich meebrengen.
Vooral in het altered human subgenre zien we dit thema vaak
terug.
Wetenschappers
worden ook vaak gepresenteerd als sociaal onaangepast, en ook deze
opvatting komt in The Thing from Another World sterk naar voren11.
Ze zijn emotieloos, kennen geen vreugde en leven alleen voor hun
werk. Slechts voor hun wetenschap hebben ze interesse. Ze zien geen
kwaad in hun werk en nemen weinig verantwoordelijkheid. In sommige
gevallen worden ze vergeleken met kinderen, onvoorzichtig, onwetend
en altijd hun zin doordrijvend. In The Thing from Another World maakt
ook Hendry deze vergelijking:
Veel mensen hadden
in de jaren vijftig ook dergelijke opvattingen over wetenschappers.
Ze werden gezien als een intellectuele elite13,
mensen zonder sociaal leven of connectie met “normale” mensen,
die enthousiast praten over dingen waar ‘gewone’ mensen geen
verstand van hebben in een onbegrijpelijk wetenschappelijk taaltje.
De sfeer in het begin van de vijftiger jaren was sterk
anti-intellectueel. Alle mensen die meer hun hoofd dan hun handen
gebruikten in hun beroep werden simpelweg als eggheads
beschouwd14.
Bovendien werden wetenschappers als potentieel gevaarlijk gezien,
aangezien zij verantwoordelijk waren voor de schepping van de
atoombom15.
De lancering van de Sputnik in 1957 en de hierop volgende
space race brachten verandering in deze visie, aangezien men
doorkreeg dat wetenschappers een beslissende rol speelden in het
verslaan van de Sovjets wat betreft de ruimtevaart, zodat wetenschap
meer in een constructief en serieus daglicht kwam te staan, en het
anti-intellectualisme afnam16.
Paragraaf 4.3: Positieve opvattingen en representatie van wetenschap in SF-films
Hoewel veel mensen
wetenschappers als een gevaar zagen, waren er ook velen die
juist het tegenovergestelde dachten. Zij zagen wetenschap als
hulpmiddel om een hogere levensstandaard te bereiken. Hoewel
wetenschap de atoombom had voortgebracht, kon het de mensheid ook
redden van oorlog, honger en ziektes. En hoewel experimenten met het
atoom een verschrikkelijk massavernietigingswapen hadden
voortgebracht, beloofde de wetenschap ook veel goeds door het atoom
als energiebron te ontwikkelen. Hierbij kreeg zij steun van de
Amerikaanse overheid die zich niet slechts wilde profileren als
afnemer van atoomwapens, maar het publiek wilde doen inzien dat
atoomenergie een beter leefbare wereld kon vormen17.
De positieve kant van het wetenschappelijk spectrum vond haast net zo
veel navolging in het sciencefictiongenre in de jaren vijftig als de
negatieve kant.
Deze positieve
kanten van wetenschap zien we het sterkst terug in de alien
invasion en terrestrial creature subgenres. Wetenschap is
hier een krachtig hulpmiddel om de mens te helpen de indringers te
verslaan. Vaak zijn de protagonisten van films uit deze subgenres
wetenschappers, die dankzij een gedegen analyse van de aliens een
middel vinden om hen te verslaan: Lucanio duidt hen aan als scientist
heroes18.
Bij het terrestrial creature subgenre treffen we echter een
dualiteit aan, aangezien wetenschap, en vaak zelfs dezelfde
wetenschappers, ook verantwoordelijk is voor het ontstaan van de
indringers. Dit geeft wel het effect dat de wetenschappers een sterk
gevoel van verantwoordelijkheid lijken te hebben: integer als ze zijn
ruimen ze de rommel die ze gemaakt hebben ook weer op.
In de realiteit
werden wetenschappers in de vijftiger jaren niet geconfronteerd met
buitenaardse invasies of reusachtige mutaties. Zij trachtten de
mensheid, of in ieder geval de Amerikaanse portie hiervan, op andere
manieren te helpen. Hun voornaamste doel was technologische
ontwikkeling en vooruitgang, om de levensstandaard en welvaart te
verhogen.
Hier dient ook
gelet te worden op het onderscheid dat Lucanio maakt tussen de
klassieke tekst en de Prometheustekst. De klassieke tekst omvat die
films die zich richten op indringers die de mensheid aanvallen.
Vervolgens moet de samenleving als eenheid terugslaan, onder leiding
van een heldhaftig personage dat gebruik maakt van gezond verstand en
logica en de situatie rationeel analyseert. Lucanio noemt The War of
the Worlds van H.G. Wells als prototype voor deze variatie19.
De meeste sciencefictionfilms die in deze categorie geschaard kunnen
worden komen uit de alien invasion en terrestrial creature
subgenres. Hiertegenover staat de Prometheustekst, waarin het
personage gestuurd wordt door intuïtie en emotie. Deze variatie
handelt meer over een personage dat wetenschappelijke experimenten
uitvoert die zich tegen hem en zijn omgeving richten. Onder deze
categorie valt vooral het altered human subgenre, alsmede
enkele terrestrial creature films. In tegenstelling tot de
meer onorthodoxe wetenschappers die we aantreffen in de klassieke
tekst (zoals voornoemde Dr. Carrington) kon het publiek in de
vijftiger jaren zich makkelijker met de Prometheus-wetenschappers
identificeren omdat ze normale menselijke eigenschappen vertoonden,
in plaats van geportretteerd werden als onderdeel van een
intellectuele elite20.
Een andere vorm van wetenschappelijke representatie zien we in een
bepaald narratief effect, waarin een wetenschapper indirect, door
middel van uitgebreide expositie, aan de andere personages, maar hoofdzakelijk aan het publiek, uitlegt wat er aan de hand is. De
wetenschapper dient hier als leraar, en geeft het publiek enige
educatie mee21.
Dit narratieve stijlmiddel komt in alle subgenres voor: zo worden
dingen uitgelegd over de voor- en nadelen van atoomenergie, genetica,
biologie en andere zaken. Voorbeelden treffen we aan in Them!, The
Beast from 20,000 Fathoms (USA: Eugène Lourié, 1953), The War of
the Worlds en eigenlijk bijna alle serieuzere sciencefictionfilms.
Ook in het man into space subgenre is het een belangrijk
hulpmiddel om het publiek wetenschappelijke zaken uit te leggen,
aangezien weinig mensen buiten de wetenschap bekend zijn met de
werking van ruimtevaarttechnologie. Zo stimuleerde het
sciencefictiongenre de algemene ontwikkeling ook nog enigszins.
Ook op een ander
terrein was wetenschap de Amerikaanse samenleving behulpzaam. Samen
met het leger vormde ze een sterke eenheid tegen de technische
capaciteiten van de Sovjet-Unie. Amerika kon zich geen
gezichtsverlies veroorloven, en begreep de noodzaak de Sovjets niet
de boventoon te laten voeren in technologische ontwikkeling, met name
de space race. Deze gedachtegang zien we het sterkst terug in
het man into space subgenre.
Destination Moon vormt een sterk voorbeeld. In deze film tracht een
stel wetenschappers in samenwerking met enkele particuliere bedrijven
een raket te bouwen om naar de maan te reizen. De noodzaak van zo’n
missie wordt meerdere keren in duidelijke taal benadrukt door een
generaal:
‘A rocket is an absolute
necessity. If any other power gets on into space before we do, we’ll
no longer be the United States, we’ll be the disunited world.’
‘The race
is on and we’d better win it, because there’s absolutely no way
to stop an attack from outer space. The first country that can use
the moon for the launching of missiles will control the Earth.’22
Hij blijkt gelijk te
krijgen, want al snel worden de pogingen het project van de grond te
krijgen ondermijnd door propaganda van een “unfriendly foreign
power”23.
Deze natie wordt niet bij naam genoemd, maar dat is ook niet nodig.
Eens te meer bleek Destination Moon profetisch: aan het eind van het
decennium barstte de space race uit, hoewel het dubieus is dat
de betrokken naties van plan waren raketinstallaties op de maan te
installeren. In ieder geval won Amerika de race, toen in 1969 de
eerste maanlanding plaatsvond. Tot raketinstallaties op de maan is
het overigens nooit gekomen.
Ook de veranderende
positie van de vrouw, een sociaal thema dat speelde in de jaren
vijftig, werd niet overgeslagen in sciencefictionfilms uit deze
periode. In verscheidene films zien we vrouwen in typisch mannelijke
posities, waaronder de wetenschap (Them!, It Came from Beneath the
Sea (USA: Robert Gordon, 1955)) en zelfs het leger (The Thing from
Another World). In deze posities doen ze geenszins onder voor hun
mannelijke tegenhangers, die echter wel hun bedenkingen hebben over
een vrouw in het team dat de indringers bestrijdt: ze laten echter zien dat
ze kennis van zaken over hun vakgebied hebben, en deze kennis
constructief en relevant weten in te zetten24.
Desondanks portretteerden veel films vrouwen nog steeds als damsels
in distress, vooral in de latere jaren vijftig, toen de nadruk op
horror in het genre groter werd.
1
Lucanio 1987: 76-77
2
Edelson 1975: 39
3
Katovich en Kinkade 1993: 621
5
Jancovich 1996: 19-23
6
Jancovich 1996: 86-87/Veith 2001: 80-81
7
Noonan beschrijft de positie van de vrouw in de vijftiger jaren met
betrekking tot het sciencefictiongenre in groot detail in haar
artikel ‘"Science in Skirts": Representations of Women
in Science in the "B" Science Fiction Films of the
1950s.’. Het onderwerp is te breed om hier voldoende aandacht te
krijgen. Voor een beter beeld van dit onderwerp raad ik aan haar
artikel onder de loep te nemen.
8
Vieira 2003: 163-164/Katovich en Kinkade 1993: 626
10
Jancovich 1992: 64-65
11
Baxter 1970: 106-107
13
Lucanio 1987: 51-52
14
Vieth 2001: 63-64
15
Brosnan 1978: 72
16
Vieth 2001: 65
17
Lucanio 1987: 88
18
Lucanio 1987: 25, 27-49
19
Lucanio 1987: 25
20
Lucanio 1987: 51-52
21
Vieth 2001: 163-167
23
Brosnan 1978: 75
24
Vieth 2001: 45-56
Labels:
alien invasion,
aliens,
altered human,
beast from 20000 fathoms,
Cold War,
fifties,
sci-fi,
science,
science fiction,
scientists,
terrestrial creature,
the fly,
war of the worlds
woensdag 29 februari 2012
It Came From Cold War America, Chapter 2: Matters of Genre & Representation
No movie news for me today. But fortunately there's still the wealth of my college days' material to post on this blog for the interested reader. So today I continue what I begun last week, posting the second part of my paper It Came From Cold war America: Science and American Science Fiction Movies in the Fifties.
Hoofdstuk 2: Genrekwesties
Voordat verder wordt
ingegaan op het sciencefictiongenre in de jaren vijftig, is het
noodzakelijk een poging te doen de term ‘sciencefiction’ te
definiëren. Dit is geen gemakkelijke zaak, aangezien er geen
sluitende definitie valt te maken. Desondanks dien ik de term toe te
lichten, alsmede aan te geven waarom de films die ik voor dit
onderzoek gebruikt heb tot dit genre gerekend kunnen worden. Ik zal
hierbij enkele definities van filmtheoretici betrekken.
Sciencefiction
heeft altijd nauwe banden onderhouden met het horrorgenre, en ook in
de jaren vijftig was dit sterk het geval: er was duidelijk sprake van
overlapping tussen beide genres. Vooral in de tweede helft van het
decennium, naarmate de B-films van het genre zich meer op de monsters
en minder op de science gingen richten, valt er nauwelijks een
concrete scheiding tussen beide genres te trekken.
In haar artikel
‘Science in Skirts’ geeft Noonan een zeer bruikbaar overzicht van
pogingen van verschillende theoretici om een concrete genredefinitie
van sciencefiction te formuleren. Menville beschrijft het genre als
volgt:
‘The
science-fiction film is based on speculation as to what could or will
possibly occur, given a valid scientific premise. To extrapolate on
this premise, the film maker enlarges upon it, speculates on what
could conceivably occur, no matter how improbable it may seem.’1
Deze definitie is
voor jaren vijftig sciencefiction niet zeer houdbaar, aangezien de
science in dit decennium, enkele uitzonderingen daargelaten,
meer pseudoscience is: het is nonsens, bedoeld om een verhaal
voort te stuwen. Doorgaans heeft het geen enkele realistische
connectie met echte wetenschap, of te weinig om te kunnen spreken van
een ‘valid scientific premise’. Vooral de films uit de tweede
helft van het decennium die meer horror dan sciencefiction lijken
vallen zo buiten de boot. Menville, die zijn definitie in 1959
formuleerde, rekende deze films dan ook niet mee2,
maar ik wil dit wel doen. Een definitie die voor mijn onderzoek
bruikbaar is moet sciencefiction niet afhankelijk laten zijn van
echte onvervalste wetenschap. In dat geval zou alleen Destination
Moon een echte sciencefictionfilm genoemd mogen worden.
Vivian Sobchack
betrekt het horrorgenre wel in haar definitie. Zij probeert een
balans te vinden tussen beide genres. Hoewel zij geen concrete
definitie maakt, geeft ze wel een voorbeeld van hoe zo’n definitie
zou kunnen luiden:
‘Such a
definition might read: The SF film is a film genre which emphasizes
actual, extrapolative, or speculative science and the empirical
method, interacting in a social context with the lesser emphasized,
but still present, transcendentalism of magic and religion, in an
attempt to reconcile man with the unknown.’3
Sobchacks
voorbeelddefinitie is een stuk bruikbaarder voor dit onderzoek. Er is
nu ruimte voor de horror in sciencefictionfilms. Bovendien schrijft
zij ook over de noodzaak een visuele dimensie, in de vorm van
semantische kenmerken van sciencefictionfilms als ruimteschepen en
aliens, in een definitie te betrekken4.
Aangezien zulke semantische kenmerken in de B-films uit de late jaren
vijftig vaak het enige houvast zijn om deze films niet uitsluitend
als horror te typeren, is dit een goede toevoeging aan de definitie.
De reden dat Sobchack horror bij haar definitie betrekt is overigens
dat zij de vele creature features (films gericht op één of
meerdere onmenselijke creaturen die terreur zaaien) in de jaren
vijftig onder haar definitie wil scharen, hoewel zij meent dat deze
een genre apart vormen, en eigenlijk noch sciencefiction, noch horror
zijn5.
Bill Warren
hanteert een definitie die nauw aansluit op die van Sobchack maar nog
breder is, aangezien hij weinig moeite wil doen het genre te
definiëren. Hij omschrijft het als volgt:
‘A science
fiction movie has to be a fantasy film in which the fantastic element
is rationalized as being explicable in scientific terms. (…) An
attempt is made to explain it in quasi-scientific [sic] terms.’6
Deze definitie is
zeer breed, en omvat een hoeveelheid aan films die doorgaans niet tot
het genre gerekend worden. Desondanks betrekt hij er een element bij
dat ik belangrijk acht voor sciencefiction in de jaren vijftig: de
quasi-science. Praktisch alle sciencefictionfilms uit de jaren
vijftig bedienen zich hiervan, en een goede definitie zou dit element
moeten bevatten.
Zoals gezegd
behandel ik het sciencefictiongenre aan de hand van drie subgenres
die prominent waren in de jaren vijftig, en destijds het grootste
deel van het filmgenre besloegen.
Deze drie subgenres zijn het alien
invasion genre, het terrestrial
creature genre, en het altered
human genre. Een vierde subgenre dat Noonan
noemt, het man into space7
genre, laat ik hier achterwege. De reden voor deze omissie is dat
films uit dit subgenre de neiging hebben zich in de toekomst of op
andere planeten af te spelen. Dit zwakt naar mijn mening de relatie
met de tijdsgeest van de jaren vijftig af, wat een belangrijk deel
van mijn onderzoek is. De films waaruit mijn corpus bestaat spelen
zich allen globaal af in de tijd waarin ze gemaakt zijn. Ik ben van
mening dat deze films een realistischere representatie van de
Amerikaanse samenleving en wetenschap in de jaren vijftig geven8.
Desondanks zijn bepaalde films uit dit genre, waaronder Destination
Moon, wel relevant voor opmerkingen over de
tijdsgeest of onderzoek naar representatie, waardoor ze in hoofdstuk
3 en 4 wel behandeld worden.
De eerste twee subgenres worden door praktisch alle critici als
zodanig erkend. Het altered human genre heb ik daarentegen
zelf geformuleerd. Naar mijn mening is dit wel degelijk een apart
subgenre, hoewel theoretici het doorgaans of onder het terrestrial
creature genre scharen, of het als horror bestempelen. Beide
mogelijkheden zijn naar mijn mening onjuist. Ten eerste is de
scheiding tussen horror en sciencefiction in de jaren vijftig vaak zo
vaag dat horrorfilms waarin een rol voor science is weggelegd
net zo min moeten worden overgeslagen als sciencefictionfilms met
horrorelementen (zoals de terrestrial creature films). Ten
tweede is het overheersende thema in terrestrial creature
films Man against Nature, terwijl dit bij altered human
films zelden het geval is, aangezien hier andere thema’s
overheersen.
Bij mijn uiteenzetting per subgenre zal er meer over de precieze
definities van deze subgenres en hun kenmerken gezegd worden, alsmede
de reden dat zij tot het sciencefictiongenre gerekend worden. Hier
kan alvast gezegd worden dat de definitie van elk subgenre elementen
bevat van zowel Sobchacks als Warrens definitie van sciencefiction.
In alle drie de subgenres speelt wetenschap een doorslaggevende rol,
hoewel het hier niet om realistische wetenschap gaat, maar om
fictieve wetenschap. Desondanks kan gesteld worden dat de wetenschap
in deze subgenres een metafoor is voor correcte wetenschap, of de
gedachtes die men in de jaren vijftig had over wetenschap en haar rol
in de samenleving. Alvorens over te gaan op een analyse van de rol
die wetenschap in de verschillende subgenres inneemt, is het
noodzakelijk te kijken naar opvattingen over en representatie van
echte wetenschap in de vijftiger jaren, en hoe dit terug te zien is
in de sciencefictionfilms in deze periode.
1
Noonan 2003: 26
2
Noonan 2003: 29
3
Noonan 2003: 28
4
Noonan 2003: 31
5
Noonan 2003: 38
6
Noonan 2003: 39
7
Noonan 2003: 64
8
De resterende drie subgenres beslaan overigens het grootste gedeelte
van het sciencefiction genre als geheel, aangezien man into
space films doorgaans dure producties waren vanwege het hogere
aantal kostbare sets en effecten (zoals ruimteschepen, laserpistolen
en buitenaardse werelden). Films
als Forbidden Planet en This Island Earth zullen bij dit onderzoek
niet betrokken worden. Een vervolgonderzoek zou echter niet
misstaan.
Hoofdstuk
3: Representatie
Films ontstaan niet
in een vacuüm. Bij het maken van praktisch elke film komen
opvattingen over op dat moment in de samenleving spelende issues in
impliciete of expliciete mate naar voren. De wereld die geschapen
wordt in films is zo geheel of gedeeltelijk representatief voor de
echte wereld. Vooral in het sciencefictiongenre is dit sterk het
geval: dit genre geeft filmmakers de kans thema’s die in de
maatschappij moeilijk te bespreken zijn in een verhulde vorm te
behandelen en mogelijk bespreekbaar te maken. Maar ook onbewuste
opvattingen, op politiek of cultureel gebied, kunnen in films
aangetroffen worden. In dit hoofdstuk wil ik ingaan op enkele thema’s
uit de Amerikaanse samenleving in de vijftiger jaren die
gerepresenteerd worden in de sciencefictionfilms uit deze tijd, als
voorbeeld van hoe representatie in dit genre te werk gaat, alvorens
in hoofdstuk 4 over te gaan op de wijze waarop de tijdsgeest het
genre beïnvloedde. Ik noem hier niet alle thema’s die we in het
genre kunnen aantreffen, maar pik de voornaamste eruit.
Een eerste thema
dat in verkapselde vorm in het genre in deze tijd wordt
gerepresenteerd is het effect van de Koude Oorlog, voornamelijk de
angsten voor het onbekende en de paranoia die hieruit voortvloeiden.
De red scare, de angst voor het communisme, zat er goed in en
werd aangewakkerd door de media en de politiek. Het
sciencefictiongenre speelde hier op twee verschillende manieren op
in.
De eerste manier bevestigde de angst voor het onbekende, waarin de
indringers (aliens, monsters) een bedreiging vormen voor de mensheid
(of specifieker: voor Amerika). Parallellen kunnen vaak getrokken
worden tussen de indringers en de communisten1:
exemplarisch zijn hier de Marsbewoners (afkomstig van de rode
planeet) die hun wereldinvasie op de kapitalistische landen (de
communistische landen worden simpelweg niet genoemd) lijken te
richten in The War of the Worlds (USA: Byron Haskin, 1953). Een ander
voorbeeld vormen de aliens in Invasion of the Body Snatchers (USA:
Don Siegel, 1956), die mensen overnemen en assimileren in een
emotieloze samenleving waarin iedereen gelijk en gelukkig is. In deze
reading kunnen de indringers gezien worden als symbolisch voor
het communisme, wat Lucanio aanduidt als ‘aliens and monsters as
surrogates for the Sino-Soviet menace’2.
De indringers in zulke films kunnen gezien worden als symbolisch voor
de communistische staten door hun gedrag waarmee ze de Amerikaanse
waarden en samenleving ondermijnen. Gelukkig zijn er heldhaftige,
vaak doorsnee Amerikaanse, personages die, meestal in samenwerking
met het leger, zulke invasies weten terug te dringen.
De tweede manier staat hier lijnrecht tegenover, en waarschuwt juist
voor de gevolgen van paranoia en xenofobie. De indringers in deze
films hebben vaak het beste met de mensheid voor, of zijn neutraal.
Ze proberen mensen te waarschuwen voor het dood en verderf wat de
haat tussen staten (oftewel de Koude Oorlog) kan veroorzaken, maar
worden hierop zelf begroet met haat en angst. Slechts enkele mensen,
meestal intellectuelen of tolerante mensen, horen hun boodschap. Hier
zien we dus een kritiek op ‘normality’: wezens die ons
willen helpen worden geschuwd slechts omdat ze anders zijn3.
Sterke voorbeelden zijn hier The Day the Earth Stood Still, waarin
een alien ons waarschuwt voor onze haat en vernietigingsdrang,
en It Came from Outer Space (USA: Jack Arnold, 1953), waarin
gestrande aliens zo snel mogelijk weg willen omdat ze vrezen dat hun
voor mensen afschrikwekkende uiterlijk slechts agressie teweeg zal
brengen. Slechts in een enkel geval wordt er echt geluisterd naar de
aliens. Het curieuze Red Planet Mars (USA: Harry Horner, 1952),
waarin na contact met Mars blijkt dat deze planeet een paradijs is
dankzij het woord van God, waarop revolutie de Aarde overspoelt, is
hier het enige sterke voorbeeld. Deze tweede manier kijkt reflexief
naar de destijds heersende situatie, en probeert te waarschuwen voor
paranoia en vreemdelingenhaat.
Een tweede thema
dat in het genre wordt gerepresenteerd is verwant aan dit eerste
thema. Het betreft echter niet de ‘Us vs. Them’ positie
die we aantreffen tussen Amerika en de communistische staten, maar
heeft betrekking op een vergelijkbare ‘Us vs. Them’
positie binnen de Amerikaanse samenleving zelf. De politieke situatie
zorgde voor een sterke scheiding tussen left-wing en
right-wing. De left-wing was liberaal en niet intolerant
jegens andersdenkenden, de right-wing stond daar pal
tegenover, was conservatief en richtte zich sterk op het behoud van
Amerikaanse normen en waarden, waarbij andersdenkenden geschuwd
werden. Deze politieke scheiding is tegenwoordig nog steeds sterk aan
te treffen in de Amerikaanse maatschappij, maar is minder zichtbaar
in de filmindustrie, die nu overwegend left-wing georiënteerd
is. In de jaren vijftig echter was deze scheiding wel merkbaar in
Hollywood, en ook in het sciencefictiongenre is hij terug te vinden.
De manier waarop
een film left-wing of right-wing getypeerd kan worden
hangt samen met het eerste thema, waarin representatie van met de
Koude Oorlog verwante factoren behandeld werden. De films die aliens
als goedbedoelde of neutrale wezens typeerden waren left-wing:
de hoofdpersonages in deze films, meestal dromerige en wat naïeve
leden van de intellectuele elite, staan open voor hun boodschap en
helpen hen met hun doel, bedreigd door de intolerante samenleving die
hen wantrouwt4.
De films die indringers als kwaadaardig en destructief zagen zijn
right-wing: de indringers bedreigen Amerika en haar waarden,
en moeten met geweld worden teruggedrongen om de status quo te kunnen
hervatten5.
De hoofdpersonages in deze films zijn doorsnee Amerikanen waar het
gewone publiek zich mee kon identificeren. De indringers waren
daarentegen eendimensionaal, slechts gericht op vernietiging van de
mensheid, en hadden weinig menselijke kenmerken. Dankzij de
effectieve samenwerking tussen wetenschap en leger, symbolisch voor
de eenheid van de staat, konden zij vernietigd worden, zoals te zien
is in bijna alle alien invasion en terrestrial creature
subgenres (zie paragrafen 5.2 en 6.2).
Opmerkelijk is hierbij het verbond dat Hollywood en het Amerikaanse
leger aangingen in deze periode: in ruil voor positieve
representatie, soms zelfs directe propaganda, van het leger, kreeg de
filmindustrie de materiële steun van het leger in de vorm van
legeruitrusting, soldaten en materiaal voor films waarin deze
gebruikt konden worden. Voor het sciencefictiongenre, waarin de
indringers die de Aarde bedreigen door het leger teruggedrongen
moesten worden, was deze steun van groot belang, waardoor het leger
in dit genre zelden negatief wordt gerepresenteerd, zowel in de
left-wing als in de right-wing films6.
Een derde thema dat
naar voren komt in het genre in deze tijd was kritiek op bepaalde
facetten van de Amerikaanse cultuur, waaronder het Fordisme. Hoewel
het Amerika op economisch gebied goed ging, droeg de economische
groei sociale problemen met zich mee: veel mensen vreesden voor een
verlies van persoonlijkheid en individualisme en voelden zich niet
meer dan raderen in het systeem. Ook dit ‘loss of self’
werd in het sciencefictiongenre gerepresenteerd. In meerdere films
wordt de mensheid bedreigd door fysieke of mentale overname door
indringers in een emotieloos collectief waarin iedereen gelijk is.
Voorbeelden zijn onder andere Invaders from Mars (USA: William
Cameron Menzies, 1953) en The Blob (USA: Irving S. Yeaworth, 1958).
Invasion of the Body Snatchers is hier echter het sterkste voorbeeld,
wat opvallend is, aangezien het hierboven al genoemd werd in de
context van de angst voor een communistische invasie7.
Deze film kan dan ook op verschillende manieren gelezen worden. Het
is interessant dat de kenmerken die men in het sciencefictiongenre
ziet in de representatie van de Sovjets ook toegeschreven worden aan
de kenmerken van de representatie van de negatieve aspecten van de
Amerikaanse samenleving zelf! Meerdere readings zijn dus
toepasbaar8,
maar geen van hen heeft perse gelijk: de toeschouwer mag zelf
speculeren over welke reading hij verkiest, aangezien het
einde van de film wat dat betreft open gelaten is.
Naast deze vaak
terugkerende thema’s worden ook andere thema’s in mindere mate
gerepresenteerd in het sciencefictiongenre in deze tijd, zoals de
veranderende positie van de vrouw in de Amerikaanse samenleving, de
plaats van de mens in de natuur of de kosmos en de angst voor
wereldvernietiging door middel van een atoombom. In deze scriptie
kijk ik echter naar de manier waarop wetenschap in dit genre
gerepresenteerd wordt. Daarvoor is het eerst nodig dat ik kijk naar
verschillende opvattingen over wetenschap die destijds speelden in de
Amerikaanse samenleving.
1
Jancovich, Mark. Rational fears:
American horror in the 1950’s.
Manchester: Manchester University Press, 1996: p. 15
2
Lucanio, Patrick. Them or us:
archetypal interpretations of fifties alien invasion films.
Indianapolis: Indiana University Press, 1987: 42
3
Jancovich 1996: 82
4
Biskind, Peter. Seeing is believing:
how Hollywood taught us to stop worrying and love the fifties.
New York: Pantheon Books, 1983: p. 144
5
Biskind 1983: 120-121
6
Vieth 2001: 72-74
7
Jancovich 1996: 64
8
Jancovich 1996: 26
Abonneren op:
Posts (Atom)








